Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-4, september
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 september: Jeremia 48: 1-25
De verschillende profetieŽn tegen de volken stammen waarschijnlijk alle uit de periode waarin de macht van Babel steeds toenam (vanaf 605 voor Christus). Het is moeilijk te zeggen of deze profetieŽn een functie hadden voor de betreffende volken. De functie van deze profetieŽn voor Juda moge duidelijk zijn: God doet wat Hij heeft gezegd, met Hem valt niet te spotten. Dat de HERE Zelf spreekt via September: Jeremia blijkt doordat diens woorden uitkomen. Men moet rekening houden met die bewogen dienaar van de HERE, die zo nadrukkelijk oproept om zich te bekeren. Moab krijgt de rekening gepresenteerd voor z'n hoogmoed en z'n vertrouwen op Kamos. Maar in Juda is het niet veel beterÖ..

2 september: Jeremia 48: 26-47
In dit gedeelte treffen we uitspraken aan die we ook vinden in Jesaja 15 en 16. We horen een echo van Numeri 21: 17-30 en andere bijbelplaatsen. Het is alles samengevoegd tot een indrukwekkend geheel. Het oordeel wordt getekend in verschillende beelden. Een dronken man met wie de spot gedreven wordt, een kruik die wordt verbrijzeld, aas voor de gier. De macht van Moab zal worden gebroken, de rijkdom geroofd, de vreugde uitgewist. God zet er een streep door. Hij voltrekt het vonnis over zelfverheffing en onrecht. Hoe streng het oordeel ook moge zijn, toch zal de HERE eens een keer brengen in het lot van Moab. Er is toch nog toekomst!

3 september: Jeremia 49: 1-22
Ook Ammon, het broedervolk van Moab krijgt het zwaar te verduren. De reden daarvoor is dat ze zich hebben vergrepen aan het gebied van IsraŽl. Zij vertrouwden op hun god Milkom en hun rijkdom die gebaseerd was op het vruchtbare land. Maar ze komen bedrogen uit.
Terwijl er ook voor Ammon nog een belofte van toekomstig heil is, ligt dat anders voor de nakomelingen van Esau. In tegenstelling tot dieven of druivenplukkers die altijd nog wel iets achterlaten, is er een complete kaalslag. Er zal geen nageslacht overblijven, geen familie, geen leven in de toekomst en geen steun in het heden. Het oordeel over Edom zal doen denken aan Sodom en Gomorra. Het land dat prat gaat op z'n wijsheid moet leren dat "onneembare" vestingen in een barre bergwereld het niet houden tegen de kracht van de HERE.

4 september: Jeremia 49: 23-39
Damascus is de hoofdstad van het Aramese rijk, waarvan vele koningen de naam Benhadad droegen. De stad ligt bijzonder gunstig. Er is een aangenaam klimaat en overvloed aan fris water. De handelsroutes noord-zuid en oost-west komen er samen.
Vervolgens horen we over nomadenstammen. Veel van hun rijkdom was geroofd door het overvallen van steden en dorpen in het cultuurland. Ruig volk in een ruige wereld.
Elam lag ten zuidoosten van Babel, in het huidige Iran. Terwijl de macht van de BabyloniŽrs toenam probeerde Elam die macht door militaire operaties te breken.
De verschillende volken maken dezelfde fouten: vertrouwen op eigen prestaties, arrogantie en het onafhankelijk van de Here willen zijn. God breekt via Babel hun eigen waan.

5 september: Jeremia 50: 1-28
Babel is een instrument geweest in Gods hand. Maar hoe de HERE precies regeert blijft voor ons verborgen. Wij vinden het vaak moeilijk om die gruwelijke oordelen te rijmen met Gods liefde en genade. In elk geval blijkt telkens dat de mens nooit zijn verantwoordelijkheid verliest, ook al is hij of zij een instrument in Gods hand. Blijkbaar is er telkens een keuze om hier op een goede of verkeerde wijze vorm aan te geven. We lezen hoe Babel op zijn beurt terecht staat voor de wijze waarop het met IsraŽl is omgesprongen. Juist ook Babel wordt getekend door diezelfde zonden: hoogmoed, vertrouwen op zichzelf en onafhankelijk willen zijn van de Here. Als Babel valt is er perspectief voor IsraŽl. Meer nog dan de terugkeer uit de ballingschap is het wonder van de vergeving zoals vers 20 dat tekent. Een nieuwe start!

6 september: Jeremia 50: 29-46
De ChaldeeŽn zullen hetzelfde lot ondergaan als de volken die zij hebben overmeesterd. Het trotse Babel wordt een ruÔne, het land zal getekend worden door leegte.
De God van dat kleine volk IsraŽl zal blijken de enige echte God te zijn. Hij is de HEER van de hemelse machten. Hij is het die over zijn volk waakt. Hij zal voor hen strijden. Babel heeft de spot gedreven met deze God. De tempel is verwoest, het gerei naar Babel afgevoerd. Juda is in ballingschap gevoerd. Maar daarmee heb je de HERE nog niet uitgeschakeld!
Dwars door de raadsels heen maakt God ons duidelijk dat Hij de geschiedenis leidt. Wie op Hem vertrouwt blijft niet gevrijwaard voor ellende maar heeft wel toekomstÖ..

7 september: Jeremia 51: 1-33
Achter het onheil dat Babel treft zit IsraŽls God. In dit gedeelte wordt zijn grootheid getekend. Hij is het die de aarde heeft gemaakt met zijn kracht, de wereld gegrondvest met zijn wijsheid. Hij is het die vorm gegeven heeft aan alles wat er is. Hoe anders is Hij dan de godenbeelden die mensen hebben gemaakt.
Vanuit het bijbelgedeelte met al die mokerslagen richting Babel komen allerlei vragen op ons af. Maar de eerste vraag is in hoeverre wij de HERE werkelijk willen erkennen als de rechtmatige Heerser over heel de schepping. Een God die te groot is voor ons denken. Wij kunnen zo gevangen zitten in onze beelden van een god. Tegenover onze vragen staat de openbaring van de Levende. Hij gaf in Jezus hťt beeld van Zichzelf.

8 september: Jeremia 51: 34-64
In Jeremia 51 horen we IsraŽl roepen tot de HERE om vergelding over het kwaad dat de BabyloniŽrs hen hebben aangedaan. Het antwoord van God is een belofte van oordeel over Babel. De Joden worden aangespoord om dit land te ontvluchten vanwege de dingen die zullen gaan gebeuren. De zekerheid van het oordeel vernemen we in het bijzonder via die symbolische handeling die op het eind beschreven wordt. Nadat de oordeelswoorden zijn uitgesproken wordt de boekrol verzwaard met een steen en in de rivier de Eufraat geworpen. Zo zal Babel verzinken en niet weer bovenkomen.
Een God van vergelding is de HERE. Hij straft het kwaad. Het kruis van Golgotha is daar het meest duidelijke getuigenis van. Wie op Jezus vertrouwt komt het oordeel wťl te boven!

9 september: Jeremia 52: 1-16
Als Sedekia in 597 voor Christus door Nebukadnessar aangesteld wordt als vazal-vorst is het met de militaire kracht van Juda gedaan. Dat Sedekia zich later toch laat verleiden om mee te doen in coalities tegen Babel is niet alleen onverstandig, maar het gaat ook lijnrecht in tegen de waarschuwingen van de HERE via profeten als Jeremia. De opstand wordt in het jaar 586 bloedig neergeslagen. Sedekia en Jeruzalem betalen een hoge tol. De belangrijkste gebouwen van de stad worden vernield en de muren neergehaald. Velen worden in ballingschap gevoerd. Wanneer we de verzen 28-30 erbij betrekken zien we dat het t.o.v. de wegvoering in 597 nog meeviel ťn dat er in 582 nog steeds mensen woonden!

10 september: Jeremia 52: 17-34
Dit gedeelte beschrijft de plundering van de tempel. Blijkbaar werden de geroofde kostbaarheden uit het heiligdom zorgvuldig geregistreerd en daarna goed opgeborgen. Volgens Ezra 5: 14 werden ze rond 539 in Babel teruggevonden.
We vernemen hoe een aantal vooraanstaande mannen wordt geŽxecuteerd. Hoe vreselijk ook, de aandacht van de tekst is toch vooral op de overlevenden gericht. Dwars door het oordeel heen is er toekomst. De vermelding van de begenadiging van Jojakim door Nebukadnessar's zoon en troonopvolger heeft de bedoeling om bij de lezers hoop te wekken. Het oordeel is het laatste niet. Er is genadeÖ.

11 september: Psalm 135
Deze psalm staat geheel in het teken van het loven van de HERE. Daartoe komt Gods volk samen. Niet allereerst om iets van Hem te ontvangen, maar om Hem offers van lof en dank te brengen. De gemeente neemt er de tijd voor om op zich te laten inwerken Wie en hoe de HERE is. Het eerste wat de dichter in gedachten komt is: Hij is goed! Hij heeft naam gemaakt door daden van ontferming. Als christen denk je daarbij dan direct aan de ultieme openbaring van zijn goedheid in de Here Jezus. IsraŽl verwondert zich over Gods bevrijdende daden in de geschiedenis. Het lot van de vijanden van IsraŽl is vreselijk. Maar als je erop studeert ontdek je vaak dat er wel een reden voor is. Onze God is een God van recht. Hij is de levende God, met wie niet te spotten valt.

12 september: Klaagliederen 1: 1-6
Het boek klaagliederen zit bijzonder kunstig in elkaar. Alle 5 liederen bevatten 22 strofen overeenkomstig de 22 letters van het hebreeuwse alfabet. In het derde klaaglied (hoofdstuk 3) is het acrostichon zelfs aanwezig bij alle drie regels van elke strofe, zodat deze drie regels telkens met dezelfde letter beginnen. Waarschijnlijk wil deze bijzondere compositie duidelijk maken dat bij alle chaos en verwoesting de orde van God niet fundamenteel wordt verstoord. Ondertussen klinken hartverscheurende klachten. De verwoesting van Jeruzalem is vreselijk. Maar wellicht is de ontrouw van "minnaars en vrienden" het meest bitter. Het vertrouwen op andere volken en machten bleek volkomen onterecht. Wat krijg je dan een klapÖ..

13 september: Klaagliederen 1: 7-12
Het verbond tussen God en zijn volk wordt in de bijbel vaak getekend onder het beeld van een huwelijk. IsraŽl is de HERE voortdurend ontrouw. In plaats van op God te vertrouwen zocht men het in bondgenootschappen met andere volken. Toen het erop aankwam lieten deze "vrienden" Jeruzalem in de steek. Ze papten aan met de BabyloniŽrs en werden tot vijanden.
Nu Jeruzalem gevallen is en de gedachten terug gaan dringt het besef door dat het oordeel van God volkomen terecht is. De zonde en onreinheid van de stad waren zo groot dat men zich daar nu vreselijk voor schaamt. Men voelt aan alle kanten afwijzing en schuld. Het is terecht, maar het doet zo'n zeer. Wat snakt een zondaar ernaar om niet afgewezen te worden. Jezus ging ons voor in het zoeken van zulke mensen. Zijn genade deed wonderen!

14 september: Klaagliederen 1: 13-17
Vers 14 tekent het oordeel over de zonde in het beeld van een juk met zware lasten. Daaronder ga je gebukt. Jeruzalem bezwijkt eronder. Het "feest" van vers 15 doelt op een offerfeest. Jonge mannen worden als lammeren afgeslacht. Het is een beeld van het oordeel, net als die kuip waarin de druiven worden getreden. Het oordeel is zo bitter, het lijden zo diep. De klaagzang klinkt, maar niemand wil meezingen. Jeruzalem vindt bij de omstanders geen gehoor voor haar klacht. Ze wordt als een onreine gemeden. Ieder gaat een straatje om. Die eenzaamheid valt zo zwaar. Ik moet denken aan die opdracht van de Here in Romeinen 12: 15 "Weent met de wenenden". We hoeven het lijden niet op te lossen of uit te wissen. Onze taak is te willen delen. Weet je iemand met wie jij vandaag de tranen kunt delen?

15 september: Klaagliederen 1: 18-22
Aan het slot van dit eerste klaaglied horen we de schuldbelijdenis van de zondaar. De HERE is rechtvaardig in al zijn oordelen. Wij mogen vanuit het Nieuwe Testament weten van Christus die het oordeel in onze plaats gedragen heeft. Daar zit ook een gevaarlijke kant aan. Er zijn er die via het belijden van schuld aan het oordeel willen ontsnappen. Maar hebben we al aan de zonde geleden? Zijn we ten volle bereid de verantwoordelijkheid voor onze woorden en daden te dragen? Is ons leven werkelijk tot een ommekeer gekomen?
Het Oude Testament maakt ons zonneklaar dat God een God van recht is. Wie daar een loopje mee wil nemen komt beslist verkeerd uit.

L.C. Buijs, CGK Groningen

16 september: Psalm 136
Een lied over schepping en uitredding uit Egypte, met aan het eind een korte toepassing voor nu: ook nu bevrijdt Hij en is Hij degene die ons in leven houdt.
Het is een hinderlijke psalm om voor te lezen, tenminste als je telkens het refrein hardop leest. Dan wordt het na een paar keer storend en saai. Het leest beter als je het refrein bijvoorbeeld alleen de eerste en de laatste keer meeleest. Je kunt proberen om ondertussen in je achterhoofd telkens wel dat refrein mee te laten klinken. Dat lukt vast als je even oefent.
Het duurt wat langer als je dit ook in je dagelijkse leven en bij alles wat je overkomt mee wilt laten klinken als herhalend refrein: probeer dat vandaag en morgen eens, zo vaak mogelijk even bedenken: eeuwig duurt zijn trouw! Zo gaat zijn trouw met je mee je hele leven door.

17 september: Klaagliederen 2:1-6
Ook onze wereld wordt opgeschrikt door bomaanslagen. Ook in onze tijd ligt in allerlei landen de kerk in puin. Ook mensen in mijn nabije omgeving zijn de Here helemaal kwijt.
Nee, ik weet niet of ik dat allemaal zo rechtstreeks aan de HERE toe moet schrijven. Want er is natuurlijk wel verschil tussen toen en nu, toen IsraŽl voor de ballingschap en nu de samenleving en de kerk van vandaag. Het valt op hoe in vers 1-6 alle ellende rechtstreeks aan de HERE wordt toegeschreven. Ga maar na: Hij is het handelende onderwerp van al die ellendige regels. En ik zou dat zo niet meteen zeggen van alle ellende in de wereld van vandaag, dat dat allemaal het werk is van de Here in eigen persoonÖ
Of mis ik iets als ik bij bomaanslagen en kerkverlating, bij burgeroorlogen en strafkampen alleen maar aan menselijke factoren denk?

18 september: Klaagliederen 2:7-12
Weet je, ik heb er helemaal geen zin in. Nog twee weken lang een toelichting geven bij Klaagliederen. Goed, het boekje staat in de bijbel en we zullen het dus af en toe moeten lezen, maar kan dat niet wat sneller? Elke dag ťťn hoofdstuk, dan ben je er in minder dan een week doorheen. Ik hou niet van Klaagliederen. Ik wil het liever leuk houdenÖ
Er zijn gebeurtenissen waarvan je niet wilt weten. Je ziet de beelden een paar seconden langskomen op tv, maar gelukkig meteen daarna is er de reclame van de Ster, die je weer verplaatst naar de normale omstandigheden.
Of vergis ik me en zijn de schokkende beelden van het journaal en van Klaagliederen echter dan de wereld van reclame, lekker eten, spelende kinderen die van hun ouders krijgen wat hun hartje begeert? Of moet ik het allebei een plaats proberen te geven in mijn leven?

19 september: Klaagliederen 2:13-18
Uiterste troosteloosheid. De dichter zou niet weten waar hij troost vandaan zou moeten halen. Nergens is genezing te vinden. Ook niet bij God, want Hij zelf heeft juist deze wonden geslagen. Ja, het is ook nog eens onze eigen schuld. We hebben het aan onszelf te danken. En onze vijanden zijn vol leedvermaak. En waar was God in alles? Hij was er wel: Hij had nota bene de regie!
Bij wie kunnen we dan nog terecht. Ik zie maar ťťn weg: we gaan in beroep tegen Gods handelen bij Hem zelf. In de naam van Jezus!

20 september: Klaagliederen 2:19 -22
Dit kunt U toch zo niet bedoeld hebben, HERE onze God. Dit is toch Godgeklaagd? Dit is toch de omgekeerde wereld? Hoezeer we het ook zelf verdiend hebben, dit gaat toch te ver? Vrouwen die hun eigen kinderen eten, dit kŠn gewoon niet! Dit kunt U toch niet willen.
Geen levende priester of profeet meer in Jeruzalem als verwijzing naar Christus? Dat kŠn de bedoeling toch niet zijn? HERE, we doen, tegen uw eigen oordeel in, een appŤl op uw diepste gevoelens. Dieper dan uw woede moet toch uw medelijden zijn?!

21 september: Psalm 137
Tot aan vers 7 en eventueel vers 8 gaat het nog wel, maar om vers 9 ook hardop te lezen, wie krijgt dat over de lippen? Ik ben benieuwd hoe het project "Psalmen voor Nu" hier een eigentijdse berijming van maakt.
We lezen de laatste dagen in Klaagliederen, en zitten daarmee wel in de sfeer waarin deze psalm geboren werd. Dat maakt het in elk geval begrijpelijk dat de dichter zo fel kan zijn. Je moet bedenken dat de dichter zelf nog op zijn netvlies heeft hoe de BabyloniŽrs de kinderen van zijn eigen volk letterlijk tegen de rotsen smeet, zoals soms mensen dat doen met jonge katjes.
En vraag jezelf af, voor je de dichter veroordeelt dat hij zich door zijn emoties en wraakgevoelens mee laat slepen: ben je misschien ook vreemd aan zijn eerste passie, die voor de stad van God, Jeruzalem, de plek waar de Here merkbaar woonde? Het gemak waarmee wij afstand nemen van de gepassioneerde toon van het slot van Psalm 137 kan ook te maken hebben met een lauwe houding tegenover de gemeente van Christus!
Ondertussen moet ik zeggen dat ik deze psalm niet in zijn geheel zing of laat zingen in de kerk. Daarvoor vind ik hem (ook na al mijn kanttekeningen) toch te bloederig en afschuwelijk. Maar wat zou ik doen als mij dit zou overkomen met mijn (klein)kinderen? Zie ook Romeinen 12:17-21.

22 september: Klaagliederen 3:1-18
"Ik ben de mens die te lijden heeft onder de stok van zijn toorn." Het doet denken aan Psalm 23: "uw stok en uw staf, die vertroosten mij", maar niet heus. Hij leidt mij en voert mij naar vredig water. O ja? Dat kan die dierbare psalm wel zo mooi zeggen, maar mij voert Hij niet naar vredig water maar in een lichtloos duister! Mijn leven is een persiflage van Psalm 23 geworden.
Ik ken ťťn iemand die als personificatie van zijn hele volk dit lijden aan den lijve heeft ondervonden: Christus. Hij lijdt met mij en voor mij.

23 september: Klaagliederen 3:19-36
Hier komen we bij de kern. Een uitkijktoren in de doolhof van het lijden, waar je telkens vastloopt, en geen uitgang kunt vinden, geen troost. Maar midden in het boekje Klaagliederen staat als uitkijktoren deze tekst: "Slechts met tegenzin brengt hij leed en rampspoed over de mensen" (3:33). De vorm van dit bijbelboek is zeer uitgekiend. Telkens 22 verzen per klaagzang, (of een veelvoud ervan), naar de 22 letters van het Hebreeuwse alfabet. Hoofdstuk 3 is het middelste van de 5 hoofdstukken, en op de helft van dit hoofdstuk met zijn 66 verzen lees je in vers 33 de kern, het centrum, het houvast, een toren tot in de hemel. God straft, maar niet van harte, al krijgen we soms sterk die indruk. God straft, maar het is niet zijn eigenlijke werk. Ten diepste is Hij anders. Zijn hart legt Hij in zijn liefde. De kunst van het geloof is het om dit vast te houden als je midden in de doolhof van het lijden zit. Hij straft: kijk maar naar Golgotha. Maar niet van harte: het graf gaat open en Christus verrijst.

24 september: Klaagliederen 3: 37-51
Hier komt een nieuwe toon in het klaaglied: het wordt een oproep tot zelfbeproeving. Wat klaagt een mens zolang hij nog leeft? Laat hij klagen over zijn zonden. Bedenk overigens wel dat dit niet een motto is om iedereen die wat te klagen heeft een draai om de oren te geven. Het is een motto dat de dichter niet alleen anderen, maar allereerst zichzelf meegeeft.

25 september: Klaagliederen 3:52-66
Langzaam maar zeker groeit er weer hoop. Het zijn wat verloren momenten in dit hele boekje vol wanhoop, maar ze zijn er: momenten dat je de ervaring opdoet dat de Here niet alleen maar ver weg en ongenaakbaar is, maar dichtbij. "Altijd als ik roep, bent u nabij; u zegt mij: 'wees niet bang'". (vers 57). Deze ervaring lag niet voor het oprapen, maar werd pas verworven na langdurig, aanhoudend, smekend, schuldbewust en klagend gebed.

26 september: Klaagliederen 4:1-10
Alles wat goed was, is niet alleen afgelopen, maar is in zijn tegendeel omgeslagen. Dat maakt het allemaal nog des te schrijnender. We waren het zo anders gewend. God is zo goed voor ons geweest. Maar door onze eigen domme schuld is er een einde aan gekomen. Dit is het omgekeerde leven, dit is geen leven meer, dit is de hel.

27 september: Klaagliederen 4:11-16
Priesters en profeten heeft God gestuurd om zijn volk aan zich te verbinden. Ze deelden in Gods heiligheid, als trekkend voorbeeld voor IsraŽl, om heilig te zijn zoals God heilig is. Deze mensen die zo dicht bij God stonden, die Hem vertegenwoordigden, God heeft ze van zich af geschud: weg ermee. Ze gelden als mensen met huidvraat, melaats, onrein, daar wil je niets meer mee te maken hebben. Niemand. Ook God zelf niet.

28 september: Klaagliederen 4:17-22
Niet alleen priesters en profeten, ook de messiaanse koning is verdwenen. Let eens op de prachtige beelden van hoop en vrede die aan zijn persoon waren verbonden: de adem van ons leven, in wiens schaduw we hoopten te leven te midden van de volken. Het was te hoog gegrepen voor koningen als Sedekia. Alleen Christus kan dit waarmaken. Kent u hem als de adem van uw leven?
Nadat de dichter over de dood van het einde van de messiaanse koning heeft geschreven, groeit toch weer de hoop op herstel en op het oordeel van God door Christus over zijn vijanden.

29 september: Klaagliederen 5
Eerst iets over de vorm van dit lied. De vorige hoofdstukken waren abc-liederen: van a tot z volgde het gedicht het alfabet. Hoofdstuk 5 heeft wel net als de andere hoofdstukken 22 verzen (hoofdstuk 3 had een drievoud van 22 = 66 verzen). Maar er is geen alfabet. Geeft de dichter de moed op om zijn wanhoop toch nog in een mooi geheel te vatten? Bedoelt hij dat dit een gebed zonder eind is: nooit af, nooit aankomt bij de laatste letter van het alfabet, zolang het onverhoord blijft? En is de vorm daardoor ook niet een aansporing om te blijven bidden om herstel van Gods stad?
In vers 3 staat dat we wezen zijn zonder vader. Het Hebreeuwse woord voor vader is hier: Ab. (een variant van het bekendere Abba). Kunstig: na twee regels denk je als lezer: waar is het abc in dit lied? De derde regel geeft als antwoord: we zijn zonder ab, we zijn zonder vader. Dat is het ergste van alles. Als God je vader niet meer is, slaat de chaos toe.
Aan het eind klimmen de gedachten omhoog naar de troon van God, en het gebed is: breng ons terug bij U, en maak toch een eind aan uw eindeloze toorn. Leer ons weer Abba, Vader, zeggen.

30 september: Psalm 138
In deze psalm valt me op dat hij klinken wil niet in de binnenkamer maar in het politieke leven: de koningen moeten het horen, en zelfs de goden moeten er getuige van zijn. God is groot niet alleen in ons privť leven maar ook in het publieke leven. We kunnen de overheid en de samenleving niet dwingen om God te eren, zeker niet nu geloven zo tot iets van jou privť is verklaard. Maar we kunnen wel midden in het gewone leven de naam van God met respect noemen en anderen opwekken Hem ook te eren.
Dat is een kwestie van nederigheid. En een uitdaging aan het adres van wie er hoogmoedig voor blijft kiezen om God op te willen sluiten in het kleine hoekje van de persoonlijke overtuigingen (vers 6).

J.W. Roosenbrand, Groningen-Oost