Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-4, oktober
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 oktober: DaniŽl 1
Als we de naam van Nebukadnessar, de koning van Babel horen, denken we meteen aan de verwoesting van Je-ruzalem. Maar al een tijd eerder was hij voor de muren van deze stad verschenen om het opstandige Juda een les-je te leren. Bij die gelegenheid paste Nebukadnessar een bekende tactiek toe in de hoop nieuwe opstanden te voorkomen: de deportatie van leidinggevende mensen. Bij die gelegenheid waren ook de jonge DaniŽl en z'n drie vrienden in Babel terecht gekomen.
Om deze jonge JudeeŽrs meer aan zich te binden gaf Nebukadnessar de opdracht hen op te leiden als hoveling. Bij die gelegenheid lieten DaniŽl en z'n vrienden zien dat ze wel 'in de wereld' wilden zijn (ze deden voluit mee met de opleiding) maar niet 'van de wereld' (ze bleven zich houden aan de voedselvoorschriften uit de wet van Mozes). Deze trouw aan God bleef niet zonder uitwerking: DaniŽl en z'n vrienden kwamen het beste voor de dag bij Nebukadnessar.
Deze geschiedenis wil ons aansporen ook in een moeitevolle situatie het gelovig-zijn zonder compromissen vol te houden, in het vertrouwen dat God vroeg (zoals toen) of laat (zoals meestal) voor een goede afloop zorgt.

2 oktober: DaniŽl 2:1-23
Volgens een bekend gezegde zijn dromen bedrog. Inderdaad kun je aan dromen soms geen touw vastknopen, waarom je, wakker geworden, jezelf kunt geruststellen: 'Het was maar een droom'. Maar dan nog blijken ze wel terdege ergens op te slaan. Ze reageren op wat er in je leeft, ze maken de angsten tastbaar die in je zitten, ze hel-pen je mee om oude pijn te verwerken. Maar het komt ook voor dat God er gebruik van maakt om jou iets duide-lijk te maken.
Dat laatste overkwam Nebukadnessar: hij kreeg een droom die duidelijk iets betekende. Van z'n geleerden wilde hij toen weten hoe hij z'n droom moest uitleggen. Kennelijk vertrouwde hij ze niet, want hij vroeg hen om als bewijs van hun kundigheid eerst de žnhoud van die droom te vertellen. Geschrokken reageerden zij: 'Niemand ter wereld kan dat, behalve de goden, maar die verkeren niet onder de stervelingen.' (vs.11). Een explosieve uit-spraak. De pretentie van die magiŽrs was immers dat ze toegang hadden tot de godenwereld, maar nu bekenden ze dat ze hun pretentie niet konden waarmaken: de goden waren voor hen onbereikbaar; dus vroeg de koning het onmogelijke van hen.
En toen kwam DaniŽl op de proppen. Prachtig hoe afhankelijk hij zich opstelde: ook hij kon niet beschikken over God met zijn wijsheid. God was volstrekt vrij hem wel of niet die droom te onthullen. Maar op zijn verzoek wijdde God DaniŽl in in wat de koning bezig hield. Zo is God: als wij onze handen voor Hem openhouden, laat Hij ons nooit met lege handen staan. Natuurlijk, we kunnen Hem niks afdwingen; ook krijgen we lang niet altijd waarom we vragen. Maar Hij laat ons niet in de steek.

3 oktober: DaniŽl 2:24-49
Onderricht door God kon DaniŽl zowel de inhoud als de betekenis van Nebukadnessars droom vertellen. In die droom had Nebukadnessar een beeld gezien dat verbrijzeld werd door een steen, die van een berg was losge-raakt. Die droom bleek een soort film te zijn van de geschiedenis na Nebukadnessar (het hoofd). Wij zien daarin een profetie van het Medisch-Perzische rijk (de romp), het rijk van Alexander de Grote (de buik), het Romeinse rijk (de benen) en de periode daarna (de voeten). Deze wereldrijken worden opgevolgd door het koninkrijk dat Christus sticht en dat een einde maakt aan alle politieke machten in deze wereld.
DaniŽls woorden maakten de koning duidelijk dat niet de goden van Babel maar de Heer van het (door hem overwonnen!) Juda de enige echte God is (vs.47). Hij heeft overzicht over de wereldgeschiedenis; sterker nog: Hij stuurt deze geschiedenis naar het door Hem beoogde doel - nog altijd.

4 oktober: DaniŽl 3:1-30
Hoe enthousiast Nebukadnessar het unieke van de God van DaniŽl ook had erkend (2:47), na enige tijd richtte hij toch een beeld op waarvoor hij goddelijke verering vroeg. Bij de inwijdingsceremonie waren noodgedwongen ook DaniŽls vrienden aanwezig. Ze weigerden het beeld goddelijke eer te bewijzen, ook toen de koning hen met een gruwelijke doodstraf bedreigde. Wij weten dat deze geschiedenis goed is afgelopen, maar de vrienden ken-den Gods bedoeling met hen niet. Toch bleven ze compromisloos trouw aan God: 'Onze God is in stŠŠt ons te redden. Maar ook al doet Hij dat niet, dan nog weigeren we dit beeld te vereren.' Ze sloten dus geen deal met God, zoals christenen soms proberen te doen: 'Als wij weigeren U ongehoorzaam te zijn, dan moet U ons tegen onze vijand beschermen. Voor wat hoort wat.' Nee, ze wijdden zich onvoorwaardelijk toe aan God en lieten de afloop aan Hem over. Toch kun je zeggen: ze vertrouwden erop dat God het goed zou laten aflopen; Gods zorg gaat immers door ook al heb je je leven verloren. Christus zei later: 'Wie zijn leven verliest omwille van mij, die zal het behouden' (Mat.10:39). Dat is nog altijd van toepassing.
Overigens maakte God door de indrukwekkende uitredding van de drie vrienden meteen iets belangrijks duide-lijk aan de aanwezige heidenen. Die waren ervan overtuigd: 'Dat Juda door Babel is overwonnen, had bewezen dat Juda's God de mindere is van onze goden.' Die redding bewees dat Juda's God bepaald niet onmachtig was. Dat kan ons ook nu moed geven: onze God is superieur aan alles en iedereen, ook al laat Hij ogenschijnlijk niks van zich merken.

5 oktober: DaniŽl 3:31-4:15ļ
Weer werd koning Nebukadnessar geplaagd door een onbegrijpelijke droom. Hij voelde aan dat die droom voor hem weinig goeds voorspelde. Misschien was dat ook de reden waarom z'n geleerden zich niet aan een uitleg waagden (4:4). Opmerkelijk is hoe breedsprakig dit hoofdstuk is, vooral aan het begin (3:31-33); opvallend is ook dat Nebukadnessar zelf uitvoerig aan het woord is. Kennelijk wordt hier geciteerd uit een officieel docu-ment, waarin de koning zelf z'n verhaal gedicteerd heeft. Wat hem is overkomen heeft hem blijkbaar aangegre-pen.
Overigens blijkt uit dit gedeelte hoe moeilijk het voor Nebukadnessar was los te komen van z'n geloof in vele goden. Wel erkende hij in 4:47 het unieke van DaniŽls God, maar in 4:15 heeft hij het erover dat de geest van de heilige goden in DaniŽl zou wonen. Intussen is opmerkelijk dat hij dit document begint met een verwijzing naar de hoogste God; ook belijdt hij van deze God dat die voor eeuwig koning is. Tot op zekere hoogte heeft het hem bereikt hoe uitzonderlijk DaniŽls God is. In zijn situatie was dat kennelijk voldoende voor God. God werkt niet volgens het stramien 'alles of niets'.

6 oktober: DaniŽl 4:16-34ļ
DaniŽl schrok toen hij de droom hoorde, want door God geholpen begreep hij meteen de betekenis ervan. Was hij bang voor de reactie van Nebukadnessar op z'n slechte boodschap? Ik heb meer de indruk dat het hem aan het hart ging wat er voor de koning stond te gebeuren: hij zou afgestraft worden voor z'n trots en zeven jaar lang zich als een dier gedragen, totdat hij z'n afhankelijkheid van God zou erkennen. Deze aankondiging was geen doem, want DaniŽl wees de koning een uitweg: door zich humaan tegenover de zwakken te gedragen zou hij z'n straf kunnen ontlopen. Maar kennelijk heeft Nebukadnessar hier onvoldoende mee gedaan. De trots bleef in hem groeien: geen wonder na zoveel overwinningen en zoveel bouwactiviteiten in Babel. Op een gegeven moment gaf hij daar luidkeels uiting aan, vanaf een paleisterras kijkend naar de stad beneden hem. Meteen hoorde hij een engel z'n straf uitspreken en sloeg de krankzinnigheid toe.
Pas na zeven jaar als een dier geleefd te hebben was hij zover dat hij erkende helemaal op God aangewezen te zijn. Weer koning geworden maakte hij het verhaal van z'n hoogmoed publiek: zo dankbaar was hij. Wat zou er een getuigenis van uitgaan als dictators van nu God op deze manier de eer zouden geven! Laten wij op onze plek in elk geval de lof op God zingen.

7 oktober: DaniŽl 5
Terwijl de vijandelijke troepen al voor de stad stonden hield de nieuwe koning van Babel, Belsassar, een feest-maal. Op een gegeven moment droeg hij met een dronken kop op om de bekers uit de tempel van Jeruzalem te laten aanrukken zodat ze daaruit konden drinken: een uitdagende actie ten koste van de God van Juda. Zij had-den zijn volk overwonnen; dus kon naar hun idee die God ongestraft bespot worden. Bij die gelegenheid liet God zien dat Hij niťt met zich laat spotten: een geheimzinnige hand schreef op de muur van de feestzaal Hebreeuwse woorden, die volgens de uitleg van DaniŽl de ondergang aankondigden van Belsassar en zijn koninkrijk. Overi-gens herinnerde DaniŽl nadrukkelijk eraan hoe Nebukadnessar door God was bestraft om z'n hoogmoed; als Belsassar hiervan had geleerd, had hij het wel nagelaten de bekers uit Gods tempel voor zijn dronkemansfeest te gebruiken.
Dit oude verhaal maakt duidelijk wat nog altijd geldt: God laat bespotting niet lopen; vroeg of laat reageert Hij. Een waarschuwing voor mensen die menen God en zijn kinderen ongestraft belachelijk te kunnen maken. Tege-lijk bemoedigend voor Gods kinderen: God ziet het als ze vernederd worden en Hij doet daar wat mee, vroeg of laat.

8 oktober: DaniŽl 6
Uit jaloezie om zijn bevoorrechte positie probeerden DaniŽls collega's hem uit te schakelen. Ze konden niks be-denken, totdat ze zich realiseerden dat ze DaniŽl wel op het gebied van z'n geloofsovertuiging konden pakken. Ze stelden daarom de koning voor af te kondigen: 'de komende dertig dagen moeten de gebeden tot de goden stilgelegd worden omdat alleen de koning verzoeken mogen worden gedaan.' De nietsvermoedende Darius voel-de zich waarschijnlijk gevleid, want hij zette het voorstel om in een wet. Toen bleek dat DaniŽl het slachtoffer zou worden van deze wet, probeerde Darius diens executie te voorkomen. Tevergeefs: gevangen door z'n eigen wet kon hij niet anders dan DaniŽl in de leeuwenkuil laten deponeren. Ontroerend is hoe Darius vooraf, haast be-zwerend, tegen DaniŽl zei: 'Uw God zal u redden' (vs.17). Na een slapeloze nacht zocht hij de kuil op met de angstige vraag: 'Heeft uw God u kunnen redden?' DaniŽl bleek springlevend.
Wat een stimulerend verhaal voor christenen die om hun geloof in het nauw gebracht worden: ze kunnen zich optrekken aan DaniŽl die trouw bleef aan God tegen alle verdrukking in; ze kunnen vertrouwen hebben in God die zijn zorg niet laat doorkruisen door wat voor angstaanjagends ook.

9 oktober: Psalm139
Soms ervaren christenen het eerste deel van deze psalm (vs.1-12) als bedreigend: 'Erg dat je nooit kunt ontsnap-pen aan Gods aanwezigheid.' Dat negatieve gevoel hangt ongetwijfeld samen met een bepaald beeld van God. Zou Hij een kritische inspecteur zijn, die elk foutje van ons noteert om zo de strafmaat te kunnen bepalen, ja dan is zijn constante nabijheid akelig. Maar we kunnen hier denken aan een kind dat in huis speelt. Waarom kan hij dat in alle rust doen? Omdat hij z'n moeder in de buurt weet. Soms kijkt hij geschrokken op omdat hem even de angst bekruipt: 'Ik ben toch niet alleen?', maar dan ziet of hoort hij z'n moeder en is hij weer gerust. Deze betrok-ken nabijheid van een zorgende God wordt hier bedoeld, maar dan is het toch heerlijk Hem altijd bij je te weten? Die nabijheid gaat zelfs terug tot vůůr onze geboorte: in de moederschoot al waakt Hij over ons (vs.13-18).
Maar wie zo enthousiast de vreugdevolle nabijheid van God bezingt, můet wel emotioneel worden als hij op de mensen let die kwaad spreken van zijn God en Gods kinderen te na komen. Dat kan hij niet zetten. Daar moet een eind aan komen. De dichter zegt het heel cru: 'God, breng de zondaars om; zou ik niet haten wie u haten?' (vs.19,21). Geleerd door Christus (Mat.5:44) erkennen we tegenwoordig als onze opdracht dat we zelfs voor de-ze vijanden moeten bidden. Dat neemt niet weg dat ook wij naar de tijd uitzien dat het met deze vijandigheid te-genover God gedŠŠn is. Dan genieten we constant en ongestoord de vreugdevolle nabijheid van God.

10 oktober: DaniŽl 7
Met dit hoofdstuk begint het tweede deel van het boek DaniŽl. Daarin staan visioenen waarin God allereerst, soms heel gedetailleerd, aankondigt wat er gaat gebeuren na de dood van Alexander de Grote in 323 vůůr Chris-tus. Maar zoals vaker bij visioenen wordt de blik nog verder gericht dan op de nabije toekomst: op de komst en terugkeer van Christus. Net zoals de visioenen uit het boek Openbaring hebben ook DaniŽls visioenen de bedoe-ling te bemoedigen. De eeuwen vůůr de komst van Christus hadden Gods kinderen het zwaar in Palestina. Ze werden telkens vermalen door de grootmachten die vanuit het zuiden (Egypte) of vanuit het noorden (SyriŽ, Ba-bel, PerziŽ) optrokken. Daarom onthulde God hen, vůůr alles aan, de toekomst en maakte Hij de uiteindelijke af-loop bekend. Zo konden de gelovigen erop vertrouwen: dwars door alle plannen en acties van mensen heen voert God zijn plan uit en laat Hij Christus' rijk van vrede aanbreken.
In het eerste visioen zag DaniŽl vier angstaanjagende dieren, die symbool stonden voor vier opeenvolgende ko-ninkrijken, waarschijnlijk net als in DaniŽl 2: het Babylonische rijk, het Medisch-Perzische rijk, het rijk van Alexander de Grote met z'n opvolgers en het Romeinse rijk met de machten daarna. Om z'n vervolging van Gods kinderen (vs.21) was dit laatste rijk het ergste. Maar al deze rijken werden overtroefd door 'een oude wijze', ken-nelijk God (vs.9), met inschakeling van zijn miljarden engelen (vs.10-12). Daarna gaf Hij het eeuwige koning-schap aan 'iemand die eruitzag als een mens' (vs.13): Christus, weten wij. Kijkend naar die vier dieren raakte DaniŽl van de wijs, maar de uitleggende engel bemoedigde hem met de uitkomst: Gods heiligen zouden onaan-tastbaar zijn; zij zouden met Christus mee regeren (vs.18,27). We moeten ons dus nooit verkijken op de macht van leiders in de wereld.

11 oktober: DaniŽl 8
In een volgend visioen werd ingezoomd op het derde rijk, dat van Alexander de Grote (voorgesteld door een gei-tebok). Dat zou het tweede, Medisch-Perzische rijk (voorgesteld door een ram, een mannetjesschaap dus) vernie-tigen. Maar na Alexanders dood in 323 vůůr Christus zou zijn reusachtig rijk in vier delen uiteenvallen (de vier hoorns uit vs.8). Een van die deelrijken, dat van SyriŽ, zou in de 1Ĺ eeuw hierna al machtiger worden en op een gegeven moment zich uitermate vijandig opstellen tegenover God met zijn gelovigen (vs.11-14). Dat was, weten we nu, vooral in de tijd van koning Antiochus IV. In 168 vůůr Christus zette hij de offerdienst in de tempel van Jeruzalem stop en verving hij die door een heidense cultus; ook vervolgde hij de joodse gelovigen die trouw aan God wilden blijven. De apocriefe boeken van de MakkabeeŽn vertellen o.a. over deze periode. Maar al in 164 kwam Antiochus door een ziekte aan z'n einde. Angstjagend allemaal, maar ook weer bemoedigend.
Het moet voor de gelovigen rond 168 vůůr Christus heel wat geweest zijn dat ze dit visioen uit plm. 550 in hun tijd weer voor de aandacht kregen: heel hun ellende had God al van tevoren aangekondigd, maar ook de afloop: het einde van Antiochus' tirannie. Bij deze God waren ze veilig en zijn we nog altijd veilig. Christus heeft geen loze woorden gesproken toen Hij zei: 'Ik ben met jullie, tot aan de voltooiing van deze wereld' (Mat.28:20).

12 oktober: DaniŽl 9:1-19
Plm. 539 verdiepte DaniŽl zich in de profetieŽn van Jeremia, waarvan hij kennelijk een afschrift had. Daarin kwam hij tegen dat de ballingschap 70 jaren zou duren (Jer. 29:10). De eerste groep JudeeŽrs (onder wie DaniŽl met z'n vrienden) was al in 605 weggevoerd, 66 jaar daarvoor (de laatste groep was gedeporteerd na de verwoes-ting van Jeruzalem in 586). Het einde van de ballingschap was dus in zicht. DaniŽl hunkerde ernaar dat het zover zou zijn. Maar hij realiseerde zich dat z'n volksgenoten het ernaar gemaakt hadden dat God ze met ballingschap gestraft had. Daarom sprak hij een uitvoerig gebed uit waarin hij de schuld van Gods volk royaal erkende en een emotioneel beroep deed op Gods barmhartigheid.
Het bijzondere aan dit gebed is dat DaniŽl in de 'wij'-vorm sprak. Natuurlijk, hij was nog maar een kind toen hij werd weggevoerd; dus persoonlijk had hij zich niet schuldig gemaakt aan ontrouw aan God. Maar hij voelde zich verbonden met de schuld van z'n voorouders, in het besef dat hij net zo vatbaar voor ongehoorzaamheid was als zij. Daarom is het goed dat ook wij ons nog altijd schamen voor wat er vroeger fout is gegaan: hoe passief zijn wij (!) niet geweest toen de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi's werden afgevoerd; en hoeveel slaven hebben wij, Nederlanders, niet van Afrika naar Amerika verscheept. Door zo in de 'wij'-vorm te spreken voorkomen we dat we hoogmoedig op ons voorgeslacht neerkijken. Ook wij moeten leven van de vergeving. DaniŽl besefte dat. Tegelijk smeekte hij God om een ommekeer te brengen in het lot van zijn volk.

13 oktober: DaniŽl 9:20-27
DaniŽl kreeg op een ongekende manier van God een reactie op z'n smeekgebed: de engel GabriŽl verscheen aan hem om namens God een boodschap door te geven. Het blijft onzeker hoe we die boodschap moeten uitleggen. Mogelijk kunnen we het zo zeggen: de ballingschap (de eerste 7 van de 70 'weken') zou binnen afzienbare tijd (zo'n 4 jaar) voorbij zijn. Een gezalfde vorst (vs.25), Cyrus (ook wel Kores genoemd), zou de JudeeŽrs weer naar Kanašn laten terugkeren. Daar zou de tempel in Jeruzalem herbouwd worden evenals de stad zelf. Maar tijden daarna (62 'weken' later) zou een gezalfde worden vermoord (vs.26), met wie waarschijnlijk Christus is bedoeld. Na zijn dood zou de laatste 'week' aanbreken; daarin zou Jeruzalem verwoest worden (door de Romeinen in 70 na Christus) en zou een hele lange tijd voorbijgaan zonder offerdienst. Maar dan zou de voltooiing van alles aan-breken.
Of deze verklaring juist is of niet, intussen was de hoofdlijn DaniŽl vast duidelijk: z'n smeken om het einde van de ballingschap werd verhoord, want God bleef trouw aan wat Hij door Jeremia aangekondigd had. Verder zou God ondanks alle verdrietige gebeurtenissen zijn veelbelovend plan afmaken. Gods liefde en trouw geven altijd houvast.

14 oktober: Psalm 140
Nederlandse christenen hebben tegenwoordig vaak moeite met de felle taal van psalmen als 140. Dat komt om-dat wij geen ervaring hebben met vervolging om het geloof en evenmin met verkrachtende en moordende vijan-den. Bij die gruwelijke realiteit past geen zoetsappige reactie. Tegen die achtergrond kun je de emoties van vs.2-9 goed begrijpen. Terecht hunkert de dichter ernaar dat z'n omgeving ermee stopt hem te tiranniseren.
Maar als je geen ervaring hebt met dat soort leed, moet je psalmen die hierover gaan dan maar overslaan? Dat zou individualistisch gedacht zijn. Als ik zing gaat dat, als het goed is, niet alleen over mŪjn emoties maar even-goed over de emoties van de mensen in de kerkbank naast mij en zelfs over de emoties van Gods kinderen ver weg. Je zingt als lid van Christus' complete kerk. Ps.140 zingend zing ik misschien niet echt voor mezelf (want ik heb geen venijnige vijanden) maar dan zing ik wel voor anderen, voor hen die door een drama in hun leven misschien niet eens meer kķnnen zingen: 'Alstublieft God, bevrijd mij, bescherm mij!'
Ja maar, wij mogen toch niet zo haatdragend zijn als de dichter is in vs.10-12? Christus draagt ons toch op vol liefde te zijn? Ik denk dat je hier tweeŽrlei op kunt zeggen: God had zijn volk toen beloofd: 'Als zij dicht bij Hem zouden leven, zou Kanašn een paradijs voor hen zijn.' Als zij smeken om Gods ingrijpen tegen vijanden die de paradijssfeer aantasten, dan vragen zij om de vervulling van Gods belofte aan hen. Bij uitspraken als vs.10-12 denken wij dan ook aan de tijd dat Christus terugkomt en zijn vijanden uitschakelt. Maar in afwachting daarvan moeten wij het beste voor onze vijanden zoeken.

15 oktober: DaniŽl 10
Een paar jaar nadat de joden in ballingschap van Cyrus/Kores de ruimte hadden gekregen terug te keren naar Je-ruzalem om daar de tempel te herbouwen (vergelijk vs.1 met Ezra 1:1-4), zag hun situatie er zorgelijk uit (verg. Ezra 4:1-5). Dat was voor DaniŽl reden in de rouw te gaan en zich tot God te richten. Hem verscheen toen een engel met een indrukwekkend uiterlijk. Via zijn boodschap aan DaniŽl gunt God ons een kijkje achter de scher-men: er is een strijd gaande tussen Gods engelen en demonische geesten. Dat wordt ons ook verteld door de apostel Paulus (Ef.6:12). Maar hier staat een opmerkelijk extra detail: aan het heidense hof van de Perzen alsook aan het hof van de Grieken was een vorst gestationeerd (vs.13,20), tegen wie deze engel en MichaŽl de strijd moesten voeren. Met die twee vorsten moeten wel machtige demonen bedoeld zijn, die invloed uitoefenden aan het Perzische en het Griekse hof, ongetwijfeld ten nadele van de pas teruggekeerde joodse ballingen. Zo werken demonen dus. Als we willen begrijpen wat gaande is in de wereld moeten we daarom niet alleen naar de leiders kijken maar ons ook realiseren dat in hun directe omgeving demonen in de weer zijn.
Gelukkig blijkt uit dit hoofdstuk dat ze niet ongestoord hun gang kunnen gaan. Gods engelen, tot en met iemand als MichaŽl, zijn alert en gaan de strijd aan. Maar die strijd was in DaniŽls geval er de oorzaak van dat hij pas na 21 dagen reactie kreeg op z'n bidden. Dat maakt nog eens extra duidelijk hoe belangrijk het is te accepteren dat God altijd op zŪjn tijd reageert. Maar Hij reageert!

C. van der Leest, Groningen-Oost

16 oktober: DaniŽl 11: 1 - 20
De vierde Perzische koning (vers 2) is Xerxes I. Hij zette in 480 v. Chr. een leger in tegen Griekenland. In de verzen 3 en 4 gaat het over de Griekse koning Alexander de Grote. Zijn rijk was inderdaad groot, maar kortston-dig. In de verzen 5 t/m 20 gaat het over Egypte (Zuiden) en SyriŽ (Noorden). De koning van het Zuiden van vers 5 is PtolemeŁs I Lagi. Eťn van zijn legeraanvoerders, Seleucus, verovert Babel en legt de grondslag voor het Sy-rische rijk, dat toen het Seleucidische rijk genoemd werd. Zoals vers 6 aangeeft, ontstaat er een relatie tussen de beide rijken. Het Noorden onder Antiochus II TeŁs en het Zuiden onder PtolemeŁs II Filadelfus. Antiochus II trouwt ter bezegeling hiervan met de dochter van PtolemeŁs II. Maar zijn hele familie wordt vermoord door zijn (eerste) ex-vrouw. Een broer van deze dochter ('een spruit uit haar wortels', vs. 7), PtolemeŁs III, trekt op tegen SyriŽ als straf. SyriŽ trekt meerdere malen op tegen Egypte (vs. 9 - 13).
Ook vanuit IsraŽl ontstaat er verzet tegen de Egyptenaren (vs. 14). De Syrische koning Antiochus III de Grote verslaat Egypte, maar krijgt vaste voet in IsraŽl (vs. 15, 16). Dit betekent een tijd van verdelging. Hij bindt ook de strijd aan tegen de Romeinen (kustlanden) en poogt vrede met Egypte te sluiten door z'n dochter Cleopatra tot vrouw te geven aan de Egyptische koning. Hij wordt echter verslagen en moet aan de Romeinen oorlogsschatting betalen. Zijn zoon neemt die verplichting over en stelt een geldeiser aan ('afperser', vs. 20) om zijn berooide schatkist te vullen.
Het zijn 'de donkere dagen' (eeuwen) voor Christus' komst in de wereld. Bemoedigend te weten: God houdt de wereldgeschiedenis in zijn hand. Hij zorgt ervoor dat de 'volheid des tijds' aanbreekt om zijn Zoon te zenden (Gal. 4: 4).

17 oktober: DaniŽl 11: 21 - 45
Deze verzen gaan over de Syrische koning Antiochus IV Epifanes. Hij is de broer van de vermoorde koning en had geen recht op het koningschap, maar hij werd koning door list en omkoperij (vs. 20, 21). Hij is een type, een voorloper van de antichrist. Hij ging wreed tekeer in IsraŽl en zag zichzelf als god. De vorst van het verbond (vers 22) is waarschijnlijk de hogepriester, die door hem wordt afgezet en vervangen door zijn eigen broer. De politiek staat nu aan het hoofd van de religie. Velen worden omgekocht of dienen Antiochus IV om er beter van te worden. Wie echter met de antichrist een verbond aangaat, staat straks met lege handen: God ben je kwijt en de wereld en de politiek hebben je niet meer nodig (vs. 23). Gelukkig lezen we dat het antichristelijke 'slechts voor een tijd' is (vs. 24). Het is nooit langer dan de HERE heeft bepaald.
Op de terugweg van een strijd tegen Egypte hoort Antiochus IV over een opstand in Jeruzalem. Hij gaat over tot wrede daden en ontheiligt de tempel (vs. 28). Later herhaalt hij dit (vs. 29, 30a). Een deel van Gods volk doet mee met de tijdgeest. Antiochus IV krijgt belangstelling voor die afvallers (vs. 30b - 32). Hij vervangt de tem-peldienst door een altaar voor Zeus, 'de god der vestingen', de god van macht en geweld (vs. 36 - 38). Zijn ware aard blijkt nu: die is satanisch. De verstandigen (vs. 33), zij die God trouw zijn, worden vervolgd, gemarteld en gedood. Het zijn zij die het volk tot inzicht willen brengen. Geestelijke toerusting en wapenrusting zijn ook in moeilijke tijden belangrijk. Juist deze vromen moeten het ontgelden. Sommigen vallen af. Het is een proces van loutering (vs. 34, 35).
Naarmate het einde komt, wordt de scheiding tussen Gods volk en de wereld steeds duidelijker. Zichzelf tot god maken, vandaar zijn vestiging in IsraŽl (vs. 45a), belangstelling hebben voor godsdienst en eredienst en velen verleiden tot afval van Gods Woord en waarheid - het zijn dŤ kenmerken van de antichrist. Maar eens komt ook zijn einde (vs. 45b).

18 oktober: DaniŽl 12
Wanneer zal er een eind komen aan de verdrukking van het volk van de HERE? Een rechtstreeks antwoord krijgt DaniŽl niet. Geen precieze data. Maar wat DaniŽl gehoord en gezien heeft, moet genoeg zijn. Dat moet hij op-bergen en verzegelen tot de eindtijd. Niet verbergen en geheim houden, maar goed opbergen, als een kostbaar bezit. Nu en altijd zal het volk van God hier zijn troost uit kunnen putten. Troost, want de verschrikkelijke din-gen die komen gaan, zijn voorzegd, en wel door de HERE Zelf. En dan geeft de Hij verder geen jaartallen, maar maakt wel duidelijk: de tijden zijn in zijn hand. Een tijd, tijden en een halve tijd. Dan zal de HERE de macht van de verdrukker plotseling breken en Zelf de voleinding brengen. Door alle verdrukking heen bewaart de HERE Zelf zijn volk. Daar mogen we op vertrouwen, bij alle strijd en tegenstand. De tijden, en ook wij, zijn in Gods hand. En dat geldt niet alleen van de eindtijd van het Oude Testament, ook van de eindtijd van het Nieuwe Tes-tament. Ook op dat laatste einde heeft DaniŽl hier duidelijk zicht mogen krijgen, in vers 2, waar het gaat over de opstanding uit de doden, een opstanding tot eeuwig leven, en een opstanding tot eeuwig afgrijzen.
Waar het dan om gaat, ook in de eindtijd van nu, dat is: getrouw te zijn aan de HERE, en ons te laten leiden en vertroosten door het Woord van de HERE. Zijn Woord is de waarheid. We horen het hier Christus Zelf zweren. Hij zweert bij Hem die eeuwig leeft: een tijd, tijden en een halve tijd. Gods Woord is waar. Christus regeert. Hij komt spoedig terug. En de tijd daarvan staat vast. Wij weten het jaartal niet. Maar de dagen zijn geteld: 1290 da-gen en 1335 dagen. En ze zijn in Gods hand. En als de nood op het hoogste is, en het einde lijkt uit te blijven - 1290 dagen worden 1335 dagen - dan is Christus er, op de wolken, en Hij zal volkomen uitkomst geven. Daar mogen we zeker van zijn, in het geloof op Gods onfeilbaar Woord.

Woendag 19 oktober: Ezra 1:1 - 2: 35
Als de HERE iets belooft, doet Hij dat ook. God houdt zich aan zijn belofte dat Hij zijn volk na zeventig jaar naar hun eigen land terug zal brengen (Jer. 29: 10). In Ezra 1 lezen we dat de terugkeer naar Jeruzalem begint. Zelfs de tempel mag herbouwd worden. De tempeldienst kan weer beginnen!
En dat op bevel van de heidense koning Kores. Het is echter de HERE die hem gebruikt. Kores is in zijn tijd een groot wereldheerser. Hij heeft zo zijn eigen slimme politiek. Hij wil de joden naar hun land terug laten gaan om daarmee een buffer te vormen tegen de macht van Egypte. Maar wat zijn hart hem ingeeft, wordt door de HERE geleid.
Kores noemt hier de naam van de HERE. Hij wil de goden van allerlei volken tot vriend houden. Maar dit neemt niet weg dat de HERE zijn hand in dit alles heeft. Deze heidense heerser wordt zelfs ingeschakeld om de tempel te Jeruzalem te laten herbouwen.
Wij weten dat het bij de terugkeer van de joden naar Jeruzalem ging om de komst van Christus, om wiens lijden en sterven heel de tempeldienst riep! Hij heeft vandaag de teugels van de wereldregering in handen. Aan Hem is alle macht gegeven, in de hemel en op aarde. Hij regeert namens God.
Is er toekomst voor de kerk? Soms zou je denken van niet. Je maakt je zorgen over (jonge) mensen die de kerk de rug toekeren. Wat zal de toekomst brengen? Vergeet dan de Here niet. Christus regeert. Hij laat zijn kerk niet los. Als wij Hem, ons Hoofd, ook maar niet uit het oog verliezen.

20 oktober: Ezra 2: 36 - 70
Slechts een 'rest' keert uit Babel terug. Alleen mensen uit Juda en Benjamin. De naam 'joden' - ontleend aan Ju-da - herinnert er vandaag nog aan.
De meesten zijn in Babel achtergebleven. De 'IsraŽlieten', zo wordt deze kleine groep joden genoemd. In hen wordt Gods kerk bewaard.
Er waren niet veel rijken en edelen bij hen die terugkeerden. Dat blijkt uit het grote aantal ezels: zesduizend ze-venhonderdtwintig (Ezra 2: 67), het rijdier van de minder gegoeden van die tijd. Wie een kerk zoekt waarmee veel eer te behalen valt, vergist zich (Lees 1 Kor. 1: 26 maar). Niet het aantal is beslissend, maar het willen bou-wen aan het huis van God. Dat geldt ook voor vandaag.
De wil om te bouwen is duidelijk aanwezig bij deze teruggekeerde kinderen van God. Dat blijkt wel uit hun vrijwillige bijdragen voor het huis van God. Pas als ze die geschonken hebben, gaan ze wonen in de steden waar ze oorspronkelijk vandaan kwamen.

21 oktober: Psalm 141
Hoe gemakkelijk neigt een mens naar het kwade. De dichter van deze psalm weet hoe aantrekkelijk het is om mee te doen met invloedrijke en belangrijke mensen. Daar gaat een enorme verleiding van uit. De wereld van die mensen staat dikwijls lijnrecht tegenover de omgang met de HERE. De omgang met God maakt je klein. Dan kun je alleen maar je handen uitstrekken naar Hem (vers 2). En vragen of je tegenover Hem altijd zuiver mag staan (vers 3). Hij bewaart je hart voor de neiging naar zaken die puur uit de mens zijn en niet uit de HERE (vers 4).
De dichter wil geen omgang met degenen die de HERE niet dienen. Maar wŤl met degenen die God centraal stel-len in hun leven. Door hen wil hij terechtgewezen worden (vers 5a-c).
In vers 7 klaagt de dichter over de ellende die hem en zijn volk is overkomen. Zoals bij het trekken van voren in een stuk bouwland de aardkluiten naar alle kanten door elkaar gegooid worden, zo is het ook gegaan met de beenderen van veel IsraŽlieten: ze liggen overal verstrooid. Deze mensen hebben dus geen eervolle begrafenis ontvangen. De dichter bidt dat de HERE zijn leven niet zal uitgieten als water (vers 8), maar spoedig met zijn hulp zal komen (vers 1b, c).
Soms zijn er heel moeilijke situaties in het leven, waarvan we denken: 'dit kan ik niet aan'. Dan mogen we de HERE vragen of Hij ons daarvoor wil bewaren, juist omdat we uit onszelf zo zwak zijn. Dat weet God ook. Daarom leerde de Here Jezus ons bidden: '... en leid ons niet in verzoeking' (vgl. vers 3, 4 en 9).

22 oktober: Ezra 3: 1 - 4: 5
De IsraŽlieten verzamelen zich als ťťn man in Jeruzalem. Hun omgeving is hen vijandiggezind. Zij vluchten naar God en bouwen een altaar voor Hem. De verzoening met God gaat hen voor alles. Dat is de meest effectieve be-scherming tegen de vijanden. Want als God voor hen is, wie kan dan tegen hen zijn?
Aansluitend vieren ze het loofhuttenfeest. Voor de ogen van de vijanden gaan ze.fťest vieren! Onbekommerd, terwijl er nog geen muur rondom Jeruzalem staat. Een feest dat herinnert aan de goede zorg van God, eenmaal in de woestijn, waar vijanden en schorpioenen dreigden. Ook een feest van de oogst, van de voedselvoorziening door God. Zij roemen God, die hun blijdschap geeft.
En nu willen ze ook meteen beginnen aan de herbouw van de tempel, de woning van God. Dat is een heel kar-wei. Het hout moet helemaal van Libanon komen.
Als het fundament voor de tempel wordt gelegd, stellen de priesters zich op en blazen de trompet. De Levieten slaan op hun cimbalen. De zangers treden aan: het hele volk. En ze zingen zich als het ware de longen uit het lijf: looft en prijst de HERE, want Hij is goed en zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid over IsraŽl. En het volk juicht met groot gejuich!
Maar de ouderen, die het eerste huis van God nog hebben gezien, huilen luid. Ze moeten denken aan hun zonden die hen in ballingschap hebben gebracht. Nu God een nieuw begin gaat maken, zijn ze verdrietig over hun zon-den. Nooit beseft een mens sterker zijn schuld dan wanneer hij komt te staan tegenover de goedheid van God. De kerk lacht en huilt tegelijk! Vanwege de grote genade van God in Jezus Christus.

23 oktober: Ezra 4: 6 - 23
Het geloof en de motivatie van de joden worden zwaar op de proef gesteld. De hulp van de (latere) Samaritanen wijzen ze af genoemd. Bij hun afwijzing kunnen de joodse leiders zich ook beroepen op het bevel van koning Kores, waarin allťťn aan de IsraŽlieten de opdracht gegeven was om de tempel te herbouwen (zie 1: 1 - 4). Het is dus een wijs beleid, ingegeven door vol vertrouwen op God. Ze houden zich aan het 'in het isolement ligt onze kracht' (Niet zo in Psalm 106: 35 en 36: "maar zij lieten zich in met de heidenen en leerden hun werken, zij dienden hun Afgoden, die hun tot een valstrik werden.")
De verzen 6 t/m 23 gaan over een latere tijd. Ahasveros en Artachsasta zijn dan koning. Dan ondervinden de Is-raŽlieten bij de herbouw van de muren van Jeruzalem eenzelfde tegenstand. Hun tegenstanders doen een listig beroep op het eigenbelang en de eer van Artachsasta. Voor dit argument blijkt hij heel gevoelig. Hij beveelt het werk te staken (vs. 23).
De duivel is er altijd op uit Gods werk te dwarsbomen. Daarin kan hij nog weleens slagen. Wat is het dan be-langrijk dat we bij zulke aanvallen de gelederen sluiten en pal staan voor de zuivere dienst aan God!
Wat kunnen we doen tegen mensen die onder schone schijn de gemeente binnendringen? Bidden (zie verzen 2 - 4). Als ons geweld en list bestrijden, houdt God over ons de wacht.

24 oktober: Ezra 4: 24 - 5: 17
De tegenstand maakt de joden zů mismoedig dat de herbouw van de tempel 15 jaar wordt stilgelegd (4:24). Hoewel er geen enkel koninklijk verbod komt, verlamt deze tegenstand de handen van de joden. Ze laten zich door 'de omstandigheden' uit het veld slaan.
In PerziŽ is intussedn een andere koning gaan regeren, Darius. Juda staat dan onder de stadhouder Tattenai. In deze kritieke tijd laat de HERE twee profeten onder hen optreden, Haggai en Zacharia, die beiden ons een bij-belboek nagelaten hebben.
HaggaÔ moet tegen het volk zeggen: "Dit volk zegt: de tijd is nog niet gekomen, de tijd, dat des HEREN huis herbouwd worde" (HaggaÔ 1: 2). En hij voegt er een scherp verwijt aan toe: "Is het voor u de tijd om in uw wel-doortimmerde huizen te wonen, terwijl dit huis verwoest ligt?" (HaggaÔ 1: 4). Het ligt dus niet alleen aan de te-genwerking. Ook bij de joden zelf ontbreekt de echte liefde en inzet. Eerst zeiden de joden terecht: geen vreem-den mogen ons helpen. Maar toen ze zelf moesten gaan bouwen, onttrokken ze zich eraan met een beroep op 'de omstandigheden'. Ze hebben meer belang bij hun 'eigen huis' dan bij Gods huis.
En dat heeft ons vandaag veel te zeggen. Wij draven ook voor eigen huis en inkomen. Onze huizen zijn prachtig ingericht, met de nieuwste technische snufjes. We zijn keurige mensen en willen goed voor de dag komen. Maar wat doen we voor de kerk, het huis van de levende God in deze tijd? Hoeveel klachten zijn er niet, dat kerkmen-sen verstek laten gaan als het gaat om de opbouw van de gemeente en de inzet daarvoor?
Het gaat ook vandaag om het huis van God - de kerk met bloed gekocht. En wij mogen daar levende stenen van zijn.

25 oktober: Ezra 6: 1 - 12
God staat boven de geschiedenis en tegelijkertijd bepaalt Hij de geschiedenis. De groten der aarde zijn werktui-gen in zijn hand om zijn plannen uit te voeren. Een machtige zekerheid! De HERE schenkt uitkomst door zowel koning Kores als koning Darius als instrumenten te gebruiken (vs. 1 - 5; 6 - 12). Zo zorgt God Zelf voor de eer van zijn naam. Want het gaat hier om het huis waar Hij wonen wil en waar zijn volk de gelegenheid heeft Hem te aanbidden (vgl. 1 Kon. 6: 11 - 13).
Koning Darius draagt de stadhouder van Juda, Tattenai, op de herbouw van de tempel niet slechts toe te laten, maar zelfs te bevorderen. De kosten ervan en van de offerdienst moeten van staatswege ter beschikking worden gesteld. Hier zit ook wel een beetje eigenbelang bij: hij verwacht van de voorbede van de joden bescherming voor zichzelf en de koninklijke familie en een zegen voor zijn hele rijk (vs. 9 en 10).
Zo bekrachtigt Darius de bouwvergunning van Kores.

26 oktober: Ezra 6: 13 - 22
Eindelijk zijn de IsraŽlieten weer met de herbouw van de tempel begonnen. Ze hebben daarbij wel de woorden van de profeten HaggaÔ en Zacharia nodig. Zonder prediking van Gods Woord gaat het niet.
Dan, na twintig jaar, is de tempel klaar. Met vreugde wordt hij ingewijd. De teruggekeerden offeren 'naar het ge-tal der stammen IsraŽls'. Ze weten dat ze in ootmoed en blijdschap kerk van God mogen zijn. En ze zijn daarin niet bekrompen. Wanneer ze het paaslam slachten, mogen daarvan ook meeŽten 'ieder die zich van de onrein-heid van de heidenen des lands afgescheiden en zich bij hen gevoegd had, om de HERE, de God van IsraŽl, te zoeken' (vers 21). Ze sluiten zich niet muurdicht af. Ieder die met de eigenwillige godsdienst van de bevolking van het land breekt, wordt welkom geheten. Er staat heel typerend: die zich afscheidden. Afscheiding is nodig en een zich voegen bij de kerk. Dat is tot op de dag van vandaag de plicht van elke gelovige.
Dan komt als grote vreugde het Paasfeest. Het feest van de bevrijding uit de macht van Egypte, door het bloed aan de deurposten. Dat bloed van die paaslammeren wijst heen naar Jezus Christus, het Paaslam dat voor ons is geslacht. Daarom vieren wij feest (1 Kor. 5: 8). Kerk zijn is een voortdurend feest. Bouwen aan Gods huis is een juichend bouwen. Laten we dat bij allerlei kerkelijke misŤre niet vergeten.

27 oktober: HaggaÔ 1: 1 - 15
HaggaÔ is ťťn van de kleine profeten. We hebben ook grote profeten: Jesaja, Jeremia, EzechiŽl en DaniŽl. Maar wat heet klein? Het boek van HaggaŌ, ja dat is klein. Het telt maar twee hoofdstukken. Maar een klein boekje kan nog wel een mooi en belangrijk boekje zijn. Het hangt er maar vanaf wat erin staat. De stem van de HERE klinkt in dit boekje. En als Hij spreekt, wie komt dan niet onder de indruk? Wie zou dan niet vrezen? Aan het slot van vers 12 lees je de reactie op de boodschap van God: 'en het volk vreesde voor het aangezicht van de HERE'. De mensen zijn zich er goed van bewust dat ze vlak voor de ogen van de HERE staan. En ze zijn er diep van door-drongen dat de HERE het tegen hťn heeft.
Hoe luisteren wij naar woorden van God? Komen wij zo onder de indruk, dat wij ons gewonnen geven en ons la-ten beheersen door wat Hij zegt? Of doen we alsof er niets gezegd is en gaan we verder weer onze eigen gang?

28 oktober: HaggaÔ 2: 1 - 9
Eindelijk zijn ze weer aan het werk, onder leiding van Zerubbabel en Jozua. Zo'n vier weken geleden waren ze weer begonnen. In vier weken kun je nog niet zoveel doen. Het eerste begin is er, maar het ziet er armoedig uit. Het kan nooit veel worden.
Op de laatste dag van het Loofhuttenfeest stapt HaggaÔ naar voren. Hij heeft weer een boodschap van God voor allemaal. Een bemoediging voor mensen die de moed snel verliezen.
Een bemoediging kan heel mooi klinken. Het is goed bedoeld maar heb je er ook wat aan? Wat heb je aan een bemoediging als het bij woorden blijft?
De HERE laat het niet bij woorden: Ik ben met u! Als Hij dat zegt, is dat bijzonder bemoedigend. Hij staat aan jouw kant. En dan niet om toe te kijken hoe je het doet. Maar om daarbij zelf de handen uit de mouwen te steken. En als de HERE dat doet, komt het zeker goed.
Ik ben met u. Dat belooft de HERE de tempelbouwers in de tijd van HaggaÔ. Maar die belofte is al eeuwenoud en klonk al in Egypte bij de uittocht. Ik ben met u, beloofde Hij aan Mozes, en de HERE liet toen heel wat gebeu-ren.
Want wat de HERE belooft maakt Hij ook waar. Het volk werd uit het slavenhuis Egypte gered. Ook op weg naar het beloofde land al die tijd maakte de HERE het waar.
God was altijd dicht bij hen, met zijn Geest. Dat lees je in het slot van vers 6: 'toen u uit Egypte trok en toen mijn Geest in uw midden stond'. Toen ging de Geest dus mee, de woestijn door. Om het volk te leiden. En dat is typisch het werk van de Geest: de mensen als een goede gids leiden naar een effen land (Ps. 143). Hij leidt je in alle opzichten. Ook door zijn woorden. Zo leert Hij je leven. Ons leiden is het werk van de Geest, toen en nu.
Maar de Geest doet meer. Kracht uit de hoge noemt Lucas Hem. (Luc. 24: 49). Hij is de grote kracht tegen alle vijanden. Dat was Hij op reis door de woestijn. Dat is Hij voor die tempelbouwers bij het armoedige begin. Dat is Hij voor u en jou ook. Hij is de Geest die opwekt en nieuwe bezieling geeft. De Geest die geestdriftig maakt en prikkelt tot ijver. Het punt is: gelooft u die belofte 'Ik ben met u'? En hoeveel verwacht u van God de Geest?

29 oktober: HaggaÔ 2: 10 - 23
Een indringende preek van HaggaÔ over onreine IsraŽlieten! Maar waarom? Zijn ze dan nog steeds niet aan het bouwen? De reactie op de eerste preek was zo goed. Toen hoorden ze naar de stem van de HERE. En ze begon-nen het werk (1: 14). Dat was een goede reactie. Maar blijkbaar zette die reactie niet door. Het kan een tijd duren voordat nieuwe gehoorzaamheid goed doorzet! Met overtuiging en bezieling! Vaak is dat er niet in ťťn keer en moet het stukje bij beetje groeien!
Maar nu beginnen ze met de bouw zelf! Eindelijk start na alle voorbereidingen de bouw van de muren. 'Vanaf deze dag zal Ik zegenen', zegt de HERE. Hij zal zegenen met goede oogsten. Het wordt heel anders dan in de af-gelopen jaren. Toen was het armoe troef. Je dacht dat je aardig wat koren binnengehaald had maar het resultaat viel erg tegen. Geen flinke korenhoop van twintig maten, maar de helft: tien maten en meer niet. Wat ten teleur-stelling! En dat niet alleen bij de graanoogst. Bij de wijnoogst wat het net zo.
Dat deed Ik, zegt de HERE. Ik sloeg het ene gewas na het andere. Maar daar dachten jullie niet aan: er was bij u geen gedachte aan Mij, luidt het woord van de HERE. Je moet de dingen overwegen in het licht van Gods woor-den. Ook beproevingen. En dan zo overwegen dat je bij zelfbeproeving uitkomt. Met als resultaat dat je bij God uitkomt. Dat miste de HERE in de tijd van HaggaÔ. En dat ziet de Here zo graag: kinderen die met hun zelfbe-proeving bij Hem uitkomen. Die zegent Hij. Gehoorzaam geloof blijft nooit zonder vrucht!

30 oktober: Psalm 142
David zit in een uitzichtloze situatie. Hij is gezalfd tot koning. Saul komt erachter en David moet vluchten. Hij vlucht naar het land van de Filistijnen, maar het koninklijk hof daar is niet erg op hem gesteld. Uiteindelijk zet-ten ze hem als ongewenste vreemdeling het land uit. Zo komt hij in de spelonk van Adullam. Zijn familie en wat uitschot van de maatschappij voegen zich bij hem. Wat een leven van angst! Luid roept hij tot de HERE. Hij stort zijn klacht uit en maakt de HERE deelgenoot van zijn benauwdheid. Mensen zorgen slechts voor verborgen strikken op zijn pad. Niemand helpt.
Maar David belijdt dat de HERE zijn schuilplaats is. Een spelonk mag dan veilig lijken, wanneer die omsingeld wordt, is er geen ontkomen meer aan; dan kan alleen God de situatie scheppen om te ontsnappen.
David staat tegenover een overmacht. Op niets en niemand hoeft hij te rekenen. Zelf is hij heel zwak, gering, hulpeloos. Alleen de HERE kan hem helpen. Daarom Hem ook alle lof wanneer Hij met zijn hulp komt.
Loof de HERE dat je altijd bij Hem mag schuilen. Hij zal je uit alle nood verlossen!

J.M.A. Groeneveld, Bedum