Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-4, november
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

31 oktober: Zacharia 1: 1-17
Een aantal ballingen is weer terug in IsraŽl. Ze wonen in en om Jeruzalem. Een nieuw begin na die lange, uitzichtloze tijd in Babel. Nieuwe verwachtingen!
Maar al gauw valt het tegen. Het lukt bijvoorbeeld steeds niet om de tempel te herbouwen. Naburige volken werken zozeer tegen, dat de IsraŽlieten het er maar bij laten zitten. Maar wie weet grijpt God binnenkort in. Hij is toch veel sterker dan de Ammonieten, Moabieten enzovoort.
Maar ook dat valt tegen. Zacharia ziet dat in een visioen. Hij ziet een man op een voskleurig paard. Die man is de engel van de HEER. Die engel is een symbool van de HEER zelf. ĎGodí, zo kun je zeggen, Ďtreedt op als zijn eigen gezant.í Zo betrokken is God bij het wel en wee van zijn volk. In Zacharia is Hij het, die voor zijn volk vecht.
De engel heeft zijn engelen erop uitgestuurd om de aarde te verkennen. Inmiddels zijn ze weer terug en brengen rapport uit. Teleurgesteld! ďOveral is het vredig en stil.Ē Dat betekent, dat het in de omgeving van IsraŽl nog steeds zo is als altijd. Geen enkele verandering dus wat betreft de macht en de houding van de naburige volken.
Maar daar neemt de engel van de HEER geen genoegen mee. ĎHeer van de hemelse machtení, zo roept hij uit, Ďhoe lang zal het nog duren voor u erbarmen toont met Jeruzalem.í
God hoort en Zacharia mag het zeggen: ĎDit zegt de HEER van de hemelse machten: Brandend van liefde neem ik het op voor Jeruzalem.í Laat het dan lang duren, maar God vergeet zijn volk niet.
Vandaag is het Hervormingsdag. Hervorming: een nieuw begin. Maar stel, dat Luther en Calvijn nog leefden. Zouden ze niet schrikken? Maar God is nog steeds dezelfde: Brandend van liefde neemt Hij het op voor ieder die in Hem gelooft.

1 november: Zacharia 2: 1-17
Een stad zonder muur: wij weten niet anders. Een stad of stadje met muren is een bezienswaardigheid. Maar in IsraŽl is een stad zonder muren een vergissing. Muren heb je in die tijd nodig. Ze helpen ook. Jeruzalem heeft ook muren nodig, al zijn ze er nog niet. Helaas!
Toch komt er een tijd, zo hoort Zacharia zeggen, dat zelfs Jeruzalem geen muren heeft. Ondoenlijk ook. De bevolking groeit zo snel, dat je wel kunt blijven bouwen aan de muren. Maar ook niet nodig. Want de Heer zal zelf rondom de stad een muur van vuur zijn.
Steden met muren kennen wij niet, maar huizen met muren wel. Bovendien hebben we onze dievenklemmen en andere veiligheidssloten. God zelf is ons goed beveiligd huis. In Hem hoef je niet bang te zijn.

2 november: Zacharia 3
Je kunt je soms voor God diep schamen. ĎHij ziet mij aankomení, denk je. ĎVoor de zoveelste keer vraag ik vergeving voor dezelfde fout.í Zoals je jezelf schaamt voor kleren, die je nog steeds niet schoon hebt kunnen krijgen. Die doe je dan ook weg.
Zacharia ziet de hogepriester Jozua in een vuil ambtsgewaad. Dat is een symbool voor de vuilheid van IsraŽl. Jozua presenteert IsraŽl aan God.
Rechts van Jozua staat de satan en hij vaart fel tegen hem uit. Heel herkenbaar. Niet, dat wij bij zonde altijd aan de satan denken. Maar wij pleiten wel tegen onszelf.
God echter denkt hier anders over. ĎTrek hem die vuile kleren uití, zo zegt Hij, ik kleed je in een feestelijk gewaad.
Hoezo? Kan dat zomaar? Niet zomaar, al wordt de reden hier niet meegedeeld. Het is vooral ook een geweldig wonder. Als je bij vergeving telkens de reden daarvan noemt, kan het wonder ervan zomaar verdwijnen. Zo van: ĎGod vergeeft ons onze zonden, omdat Jezus voor ons gestorven is. Zo zit dat.í Dat is natuurlijk wel zo. Maar daarmee is het grote geheim van de vergeving niet uitputtend verklaard. Het blijft iets om stil van te worden.
Waarschijnlijk werd Zacharia dat ook. In elk geval liet hij zich volledig overtuigen. Dat blijkt uit zijn reactie: ĎZe zouden hem een nieuwe tulband moeten omdoen.í De tulband, met de woorden ĎHeilig aan de HEERí is het belangrijkste teken van de priesterlijke waardigheid. Als God vergeeft, betekent dat volledig herstel.

3 november: Zacharia 4
Een bijzonder beeld. Wat zag de profeet precies?
Vergelijk het maar met een bokaal van goud, maar dan in het groot. Op de ronde, bovenste rand bevinden zich 7 olielampen. Rechts en links van deze bijzondere kandelaar staan olijfbomen, waarvan een tak via een buis voortdurend olijfolie in de bokaal laat vloeien. Gevolg: de 7 lampen gaan niet uit.
De kandelaar is het beeld van IsraŽl. Hij stond al in de tabernakel vůůr het voorhangsel. Het volk van God is het licht van de wereld en het schijnt ter ere van God. Dat mag ook van IsraŽl worden verwacht in die tijd van na de ballingschap, al valt dat tegen, want de IsraŽlieten kunnen dus niet eens meer de moed opbrengen om het huis van God af te maken. Ook vandaag valt het wel eens tegen, als het erom gaat wat kinderen van God overhebben voor Hem. Wat doe je daaraan?
De boodschap die Zacharia brengen moet is duidelijk: ďNiet door eigen kracht of macht zal hij (Zerubbabel) slagen, maar met de hulp van mijn geest.Ē Wat je moet doen is: rustig doorgaan, zeggen wat je van God zeggen moet, het goede voorbeeld geven en verder het aan God overgeven, bidden om zijn zegen.

4 november: Zacharia 5
Twee bijzondere visioenen. Ik kies voor dat van het meelvat. Er zit een loden deksel op, dat open gaat. Er komt een vrouw uit, maar de engel die aan Zacharia uitleg geeft, duwt haar terug op de bodem van het vat. De vrouw staat symbool voor de verdorvenheid. Maar die verdorvenheid krijgt dus in IsraŽl geen kans. De verdorvenheid wordt zelfs ver weggevierd. Engelen komen aanzweven. Ze pakken het vat op en nemen het met zich mee, hoog de lucht in. In Sinear, het land waar een groot aantal IsraŽlieten in ballingschap heeft gezeten, wordt het in een tempel op een voetstuk gezet.
Ging het vandaag maar zo gemakkelijk met de zonde in de kerk. In ieder geval kan God hetzelfde ook vandaag doen. Het is van groot belang, dat we veel van Hem verwachten.

5 november: Zacharia 6
Er zijn in Jeruzalem ballingen uit Babel op bezoek. De belangrijkste heten Cheldai, Tobia en Jedaja. Ze hebben geschenken meegenomen: veel goud en veel zilver. ĎVan dat goud en dat zilver moet je een kroon laten makení, zegt God tegen de profeet Zacharia.
Kan dat geschenk niet beter worden besteed? Er zijn toch genoeg armen in Jeruzalem?
Ik moet nu denken aan de tempel van Salomo, waar ook heel veel in geÔnvesteerd is en aan kerkgebouwen vandaag die veel geld kosten. Als het om God gaat, kan het niet gauw genoeg zijn. Daarmee geef je aan, hoeveel Hij je waard is en hoe hoog je de dienst aan Hem waardeert.
De kroon van zilver en goud, die de hogepriester Jozua krijgt opgezet, is symbool van de Messias, die priester ťn koning zal zijn. Je mag er best veel voor over hebben, dat mensen hun hoop richten op Hem.

6 november: Zacharia 7
Een afvaardiging van Betel komt in Jeruzalem met een vraag. Alhoewel, eerst worden er offers gebracht om de weg te plaveien. Maar dan wordt toch ook de vraag zelf gesteld: ĎAl jarenlang wordt er bij ons in de vijfde maand getreurd en gevast. Is het werkelijk nodig dat we dat blijven doen?í
De vraag is duidelijk. Het treuren en vasten heeft te maken met de val van Jeruzalem door de verovering door Nebukadnessar. Inmiddels is een groot aantal ballingen weer terug in IsraŽl en vordert de tempelbouw.
God geeft evenwel geen antwoord op deze vraag. Hij stelt een tegenvraag: ďWanneer jullie in de vijfde en de zevende maand rouwen en vasten, nu al zeventig jaar lang, doe je dat dan werkelijk voor mij?Ē God komt ook met een opmerking: ďSpreek eerlijk recht, wees goed en zorgzaam voor elkaar, onderdruk geen weduwen en wezen en ook geen vreemdelingen en armen, en wees er niet op uit om een ander kwaad te doen.Ē
Ook dat is duidelijk. Wat heeft vasten en treuren voor zin, als het geen effect heeft in een handelen naar de geboden van God? Er is dus op dat moment een veel belangrijker vraag om over na te denken, hoe belangrijk overigens de gestelde vraag ook is.
Ik moest even denken aan de tweede kerkdienst, die langzamerhand leger wordt. Een belangrijke vraag is: wat moeten wij daarmee? Moeten we de wegblijvers vermanen, moeten we de tweede dienst een ander karakter geven, aantrekkelijk maken enzovoort.
Maar een veel belangrijker vraag is: hoe zitten wij in de kerk, Šls we er zijn en wat doen we in ons dagelijks leven met wat wij in de kerk te horen krijgen?

7 november: Zacharia 8: 1-13
Zullen er op de nieuwe aarde ook oude mannen zijn, die bovendien een stok nodig hebben om op te leunen? Of heeft iedereen daar de gezegende leeftijd van een jaar of 30? En zijn er dan dus ook geen kinderen?
Als het om Gods nieuwe wereld gaat, is het moeilijk om je daar een idee van te vormen. Er is zoín groot verschil tussen deze wereld en die! Het enige wat we kunnen doen is, aansluiten bij vandaag en van daaruit ons de meest ideale wereld voor de geest halen die we ons denken kunnen. Zo sluit God aan bij de voorstellingen van de IsraŽlieten. Het mooiste wat zij zich in de tijd van Zacharia kunnen voorstellen is: een grote rijkdom aan kinderen en dus toekomst voor het volk ťn daarvan tot op hoge ouderdom genieten.
Maar de belangrijkste vraag is of wij als christen nog idealen hebben. Verwachten wij ook iets van God, als het gaat om de kerk en om de invloed daarvan in de maatschappij?

8 november: Zacharia 8: 14-23
Idealen, ja die worden in Zacharia aan het volk IsraŽl voorgehouden.
Alle vastendagen veranderen in feestdagen. Waarom? Omdat IsraŽl een heel bijzonder volk wordt, een volk dat wordt geŽerd. Uit allerlei landen en steden komen mensen op dit volk af. Ze nemen elkaar mee naar Jeruzalem. ďGa met ons mee. Wij zijn op weg om eer te bewijzen aan de HEER van de hemelse machten en zijn gunst af te smeken.Ē Onvoorstelbaar!
Maar als de IsraŽlieten in die tijd eens geweten hadden, dat talloze mensen uit de hele wereld, groter nog dan de hun bekende wereld, in hun God zouden gaan geloven; ze zouden het niet hebben kunnen geloven. Toch is het gebeurd.
Als dat gebeurd is, wat kan er dan allemaal niet nog meer gebeuren! Gewoon doorgaan, vertellen van God, antwoord geven op vragen, getuigen van je geloof. God kan echt veel meer dan je denkt.

9 november: Zacharia 9: 1-10
God is sterk. Toch zou je dat niet altijd zeggen.
Denk eens aan de Messias. Hij is nederig, doet zich niet gelden, rijdt niet op een paard, maar op een ezel. Het is eeuwen van tevoren voorspeld en het kwam eeuwen daarna precies uit, toen Jezus intocht hield in Jeruzalem.
Maar denk ook aan wat het volgen van deze Jezus inhoudt. Dan gaat het niet om spectaculaire dingen, om een explosieve groei van de kerk bijvoorbeeld, al kan die er best een keer zijn. Het zit hem in het eenvoudige, er zijn voor de ander, in liefde, in trouw en in groot geduld. Bij Jezusíintocht in Jeruzalem zie je God in zijn kracht. Als je deze Jezus volgt, mag je veel verwachten. Zo komt er vrede op aarde.

10 november: Zacharia 9: 11-17
Er wordt wat afgevochten in het Oude Testament!
Ook nu weer: ďZe zullen de vijand verslinden en zijn slingerstenen verbrijzelen, ze zullen zijn bloed drinken tot ze dronken zijn, tot ze ervan overlopen als een plengschaal en met bloed besmeurd zijn als de hoeken van een altaar.Ē Gruwelijk!
Maar in de wereld van die tijd ontkom je er niet aan: je moet een keus maken. Als je vůůr de ťťn kiest, moet je tegen de ander kiezen. Er wordt nu eenmaal flink gevochten in die tijd.
Mooi is wel, hoe trots God is op Juda, EfraÔm en Sion. Stel eens, dat Hij dat van ons zei: ĎPieter, Annemarie, Johan en Corien: zij zijn instrumenten waar Ik iets mee kan!í

11 november: Psalm 143
Vijanden, de psalmen staan er vol van. Echte doodsvijanden. Het kan heel wel zijn, dat door hen het einde van je leven nadert. In ieder geval dompelen ze je in diepe ellende of ze maken je naam te schande.
Dat laatste kunnen we ons nog een beetje voorstellen, maar de andere mogelijkheden niet. Zo gaat geen mens met ons om. Wij zitten met heel andere problemen.
Maar problemen zijn er wel. En de God die betrokken is, als Hij ziet hoe het leven van zijn kind letterlijk wordt belaagd, is net zo goed betrokken als Hij merkt hoe ellendig een kind van Hem het heeft door de omstandigheden waarin het leeft.
Je mag dus altijd een beroep doen op God. In bescheidenheid. Je beseft, dat je niet volmaakt bent. In bereidheid om je te laten leiden door de Geest van God. Maar toch!

12 november: Zacharia 10
God kan trots zijn op zijn volk en Hij vergeet dan al het kwaad dat men heeft gedaan. ďDe HEER van de hemelse machten zal zich ontfermen over het volk van Juda, zijn kudde, en het tot zijn prachtig strijdros maken.Ē Zo kan God vandaag ook trots zijn op zijn kerk. Al maakt Hij wel onderscheid. Als daar reden voor is, wordt Hij zelfs woedend, woedend op ieder die zijn macht misbruikt, zoals de slechte leiders van IsraŽl. Maar ook vandaag kun je kerklid zijn of zelfs voorganger of leidinggevende ťn misbruik maken van je macht. Dan deel je dus niet in Gods trots op zijn volk.

13 november: Zacharia 11
God ziet zijn volk als ťťn geheel. Zo kan Hij verontwaardigd zijn over IsraŽl. Hij kan zich ook ontfermen over IsraŽl. God kan vandaag ook kwaad zijn op een hele gemeente. Je realiseert je als lid van die gemeente ook, dat de sfeer in de kerk in kwestie niet goed is en dat je daar in feite allemaal debet aan bent. Niemand kan de schuld op een ander schuiven. Als je je dan met elkaar verootmoedigt en je ervaart daarna de genade van God, dan ervaar je die ook met elkaar.
Maar er kan in een gemeente ook groot onderling verschil zijn. De ťťn heeft macht en de ander is het slachtoffer. Zo is het in IsraŽl ook vaak geweest. Dan scheert God niet ieder over ťťn kam, maar Hij komt op voor de zwakken. ďWeid de schapen, die voor de slacht bestemd zijn.Ē Weid ze. Kom voor ze op. Doe niet alsof je niets ziet.

14 november: Zacharia 12
ďOp de dag dat alle volken op aarde tegen Jeruzalem oprukken, zal Ik van de stad een zware steen maken die de omringende volken bedwelmt.Ē
Een heel bekende tekst, waarbij tegenwoordig ook vaak naar het huidige IsraŽl gekeken wordt. Zijn er inderdaad geen momenten waarop dat land van alle kanten wordt bedreigd?
We moeten ons echter realiseren, wanneer deze profetie gesproken is. In een tijd waarin God nog maar ťťn volk had, in een tijd waarin vooral bloedig gevochten werd, in een tijd waarin het soms zelfs gebeurde dat ieder tegen IsraŽl was. Dan komt God daarvoor op. Dan is het inderdaad een steen, waaraan men zich vertilt.
Intussen is de geschiedenis verder gegaan. Jezus is gekomen. God richtte zich tot alle volken en heeft over heel de wereld zijn kinderen.
Toch blijft Hij dezelfde. En als je als christen of als christenen in ene bepaalde omgeving je opeens het mikpunt ziet worden van spot: het zal blijken dat men zich aan jou vertilt.

T.S. Huttenga, studentenpredikant Groningen

15 november: Zacharia 13
Zacharia 13 bestaat uit twee gedeelten: 1-6 en 7-9. (zo ook aangeduid bij NBG 1951; ook NBV heeft terecht tussen vers 6 en 7 een spatie).
1-6: Voor valse profeten is geen toekomst; wel voor het brengen van het evangelie van verzoening. Die zal God Zelf ontsluiten (1). Voor vandaag kan gedacht aan het werk van Jezus, de Christus. Hem hebben we te belijden (Zie HC. vraag/ antwoord 32)
7-9: Lees hierbij Marcus 14:27(vgl. Mat. 26:31). DŤ vervulling zien we in wat Jezus is overkomen. Hij is de Herder, die geslagen moest worden vanwege onze zonden. Hier blijkt meteen zijn ware aard: altijd zorgzaam voor zijn schapen (Marcus 14:28). Hij gaat ons voor. Het komt voor ons op volgen aan. Dŗn behoren we tot Gods volk.

16 november: Zacharia 14:1-7
Wie zal erin slagen om deze profetische woorden helemaal te doorgronden? Hoe zal, wat hier staat, zich allemaal in de tijd voltrekken?
Eťn ding is zeker: eens komt door ís HEREN ingrijpen de eindbeslissing. Geen mens kan Hem tegenhouden. Beven zullen de mens. Even machteloos als bij een aardbeving zal hij zich voelen (5; zie Amos 1:1). De grond valt onder onze voeten weg. Onheilspellend is die grote lange dag (7) voor wie op eigen benen dacht te kunnen staan (overweeg hierbij Amos 5:18-20). Toch gloort iets van licht (slot 7). Dŗt is nu typerend voor Gods handelen. Het Evangelie houdt altijd de boventoon. Lees alvast maar even door na vers 7.

17 november: Zacharia 14:8-21
Lees dit bijbelgedeelte eens via meerdere vertalingen, bijv. NBG '51 en NBV. Dan vallen nogal wat verschillen op! De 'Kanašniet' (vers 21) bij de NBG is een 'handelaar' geworden bij de NBV!
Centraal in dit fascinerende bijbelgedeelte - laat het maar eens tot u/ jou doordringen - is dat de nieuwe wereld een andere zal zijn dan de nu bestaande. Zelfs het wereldse strijdpaard wordt aan God gewijd. Het wordt even heilig als de hogepriester (zie Ex. 28: 30). Kan het sterker gezegd? Deze nieuwe wereld is helemaal voor God. Eens wordt 'God alles in allen' (1 Kor. 15:28) aan Hem alleen de eer. Het leven wordt dan ook een compleet feest.
De profeet Zacharia wijst daarom naar de top van IsraŽls feesten: het loofhuttenfeest (16vv.). De oogst is dan helemaal binnen. Wat is God goed voor ons. Heerlijk is het om te mogen leven van zijn bescherming (zie Ps. 27:5). Dit feest is ook het feest van de verzoening (de grote Verzoendag valt in dezelfde maand).
Wij mogen de lijn doortrekken naar Jezus die op het Loofhuttenfeest eens sprak: 'Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke!' (Joh. 7:37). Wereldwijd mag nu deze uitnodiging klinken. En van alle einden van de aarde zullen mensen de HERE der heerscharen aanbidden.
U/ jij drinkt toch ook uit de Bron van Levend water (Joh. 4:14)?

18 november: Psalm 144
Zeker bij deze psalm blijkt dat er samenhang is tussen de 150 liederen die wij ontvangen hebben. Vooral Psalm 8 en 18 klinken mee (8 zie 144:3; 18 zie 144:1,2,6).
De dichter zit in grote moeite (11). Zonder Gods hulp klaart hij het niet. Daarom smeekt hij om Gods bijstand. Hij beseft dat hij dat niet verdiend heeft (3v.). Toch nadert hij tot de Machtige Rots (10). Ja, hij is zeker van Gods hulp. Hij zingt alvast van de komende overwinning (9). Over vertrouwen op God gesproken!
Het komt weer goed tot voor het eigen huisgezin (12), voor het land (13a) en het vee (13b, 14a). De strijd heeft eens een einde. Wat is een mens gelukkig met de hulp van deze Machtige! Gezang 28 (Gereformeerd Kerkboek) kan met overtuiging gezongen.

19 november: Ezra 7
Er gebeuren wonderen. Stelt u zich voor: vanuit Den Haag komt de opdracht ťn de financiŽle ondersteuning om een royaal kerkgebouw neer te zetten. Eindelijk uit de rode cijfers. Het is nog sterker. Ze sturen een gelovige en deskundige onderwijzer mee. Meteen is de predikantsvacature vervuld. Zoiets staat beschreven in Ezra 7.
Door koning Arthahsata, ook wel genoemd Artaxerxes, wordt priester-schriftgeleerde Ezra rond 460 v. Chr. naar Jeruzalem gestuurd. Deze bekwame man moet daar orde op zaken stellen (25). Gods wet moet weer gekend en bemind worden (10) Hij wordt bepaald niet met lege handen gezonden (15vv.). Hij krijgt de vrije hand om het goud en zilver een passende bestemming te geven (20vv.) De tempeldienst moet volgens Gods regels kunnen verlopen. DŤ God van de hemel (23) moet geŽerd.
Ezra is vol dankbare verwondering over Gods goede hand, die zo duidelijk zichtbaar is.
Dat de erediensten in Nederland nog geregeld kunnen doorgaan, hoort ons ook tot het prijzen van God te brengen.

20 november: Ezra 8: 1-20
Ezra gaat niet alleen terug. Uit allerlei families gaan mannen mee (1-20). Alleen bij inspectie - Ezra is een secure man - blijkt dat er geen Levieten onder de reizigers zijn. Dat kan niet, want 'voor de tempel van onze God' zijn Levieten onmisbaar.
We zien hier wat voor Ezra het meest wezenlijke is. Het gaat hem niet slechts om weer een bestaan te veroveren in het land van de vaderen, maar om daar vooral samen de God van de vaderen te dienen in zijn tempel. Nodig is daarvoor het door God gekozen dienstpersoneel uit de stam van Levi.
Door Gods goede hand (18) worden de juiste mensen gevonden.

21 november: Ezra 8:21-36
Ezra heeft een groot vertrouwen in God. De risicovolle reis naar Jeruzalem behoeft geen militaire escorte. Wel is volledige aanhankelijkheid ten opzichte van God vereist. Daarom eerst vasten en gebed voor Gods bescherming onderweg.
Deze houding past christenen nog steeds. Joh. 15:5!
Ze gaan met schatten beladen (24-30) naar Jeruzalem. Bewakers hiervan worden aangesteld. De reis kan nu beginnen en omgeven door Gods beschermende hand komen ze allemaal heelhuids aan op de plaats van bestemming.
Na drie dagen rust gaan ze aan de slag. Het goud en zilver vinden een plek in de tempel. Offers worden gebracht. Dat is temeer nodig omdat ze uit een onrein land komen.
De bevelschriften van koning Athaxerxes maken indruk (36). De plaatselijke autoriteiten geven hun volle medewerking. Wŗt zal dit Ezra c.a. bemoedigd hebben!

22 november: Ezra 9:1-10:6
Ezra krijgt een vreselijke mededeling te horen. Van hoog tot laag is het volk IsraŽl ontrouw geweest. Ze hebben meisjes uit Kanašn tot vrouw genomen. Dit was absoluut tegen Gods wil (Deut. 7:3,4). Totale afval bedreigt nu het hele volk. De kerk glijdt op deze wijze af naar de wereld.
Ezra is verbijsterd. Hij schaamt zich diep voor deze volkszonde. Hij durft amper tot God te spreken. Wŗt hebben we - hij plaatst er zichzelf niet buiten - erg gezondigd. Er was wonderlijke genade bij God. Toch mochten nog velen terug uit ballingschap komen en nu onder die teruggekeerden deze zware misdaad. Komt dit ooit weer goed?
Zijn bittere klacht maakt bij velen indruk. Een zekere Sechanja erkent namens het volk dat ze vreselijk de fout zijn ingegaan. Hij ziet maar ťťn uitweg: die vrouwen met al hun kinderen wegzenden. Ezra, neemt u s.v.p. het initiatief. Deze geschokte man heeft nog tijd van inkeer en bezinning nodig (6). Eerst moet bij heel het volk de ernst van hun zonde helder voor de aandacht komen.

23 november: Ezra 10:7-44
Het volk komt zelf in actie! Midden in de tijd van de winterregens staan ze rillend en trillend op het tempelplein. Ze voelen tot in hun botten dat het ernst is.
Ezra is ook volstrekt duidelijk. Er is trouwbreuk gepleegd. Die vrouwen van Kanašn mochten ze niet huwen. Dat was door de HERE verboden. Daarom moeten die weggezonden.
Het volk beaamt dat ze op grote schaal fouten hebben begaan (13). Precies moet uitgezocht wie zich hebben misgaan. Veel komt aan het licht. Tot binnen de hogepriesterlijke familie is op dit punt gezondigd.
Noem vandaag die Ezra geen fanatiekeling. Trouwen met een ongelovige blijft verkeerd in Gods ogen (2 Kor.6:14). Gods kinderen leven wel in de wereld, maar mogen zich niet verbinden met de wereld.

24 november: Ester 1
Het boek bijbelboek Ester is meer dan een spannend verhaal. Houd Genesis 3:15 bij het lezen steeds voor de aandacht. Gods volk van toen werd aangevallen door de duivel en zijn handlangers. Maar God houdt zijn belofte!
Koning Ahasveros richt een feestmaal aan voor zijn hoge functionarissen. Als de wijn royaal heeft gevloeid, moet koningin Wasti maar eens laten zien hoe mooi ze is. Begrijpelijk dat ze dit weigert. De koning voelt zich genomen. Zoín koningin geeft een slecht voorbeeld aan de andere vrouwen. Dus moet ze vernederd. De man zal haar heer en meester blijven (22).
Maar gaat het dan wel goed?

25 november: Ester 2 :1-11
Koning Ahasveros ontwaakt uit zijn roes en ontdekt dat hij Wasti onherroepelijk kwijt is als koningin. Hier moet wat aan gedaan. Mooie meisjes worden geronseld. Zo ging dat toen in PerziŽÖ Onder hen is Hadassa, de pleegdochter van de Jood MordechaÔ.
God heeft dat meisje gezegend met uiterlijke schoonheid. Die gaat ergens toe dienen. Het volk IsraŽl is een bijzonder volk. Via deze natie gaan Gods heilsbeloften schitteren. Lees maar door.
MordechaÔ is in staat de stand van zaken rond het koninklijke hof te volgen. Wat gaat er met zijn mooie 'mirt' (betekenis van de naam Hadassa) gebeuren? Hoe gaat de God van IsraŽl hier handelen?

26 november: Ester 2: 12-23
Hadassa of te wel Ester (=ster) - die naam zal ze aan het hof gekregen hebben - maakt indruk op de koning. Ze straalt van nature (zie het slot van vers 15). Zij ontvangt de kroon en mag de plaats van Wasti innemen. Zo leidt God haar levensweg. De betekenis daarvan komt later aan het licht.
MordechaÔ ontdekt een samenzwering. Vorsten hadden toen veel vijanden. Rijkdom en macht wekken altijd afgunst. Hij slaagt erin om dat verraderlijke plan door te geven aan Ester. ZÚ komt de koning het te weten. De twee samenzweerders - Bigtan en Teres, behorend tot de paleiswacht - worden ter dood veroordeeld. De kronieken leggen het vast voor later.

27 november: Psalm 145:1-8
Deze psalm is van a tot z (het Hebreeuwse alfabet komt letter na letter aan de orde; zie maar eens de Statenvertaling) een loflied. Soms is het echt tijd om alleen maar God te loven. De vragen en de klachten zet je buiten de deur. Je bent vol dank. Volledig onder de indruk van Gods trouw (vers 8 NBV).
Het is waard om dit eens echt tot je te laten doordringen. Het is toch een compleet wonder dat God het volhoudt met ons mensen? Dat Hij geduldig ons blijft roepen, daar kun je toch helemaal niet bij. Dat is toch echt niet te doorgronden (3) voor een mens. Maar het is waar. Denk maar even aan Golgota, aan Jezus, die daar aan dat vreselijke kruis hing voor ons zondige mensen. En Hij maakte het goed. Er is een volkomen verzoening voor al onze zonden! Voor die Koning ga je toch door de knieŽn? Kom laat ons op deze God loven en beloven om daar alle dagen van de week werk van te maken.

28 november: Psalm 148:9-21
In de NBV staat bij vers 13 een interessante notitie: 'De veertiende letter (noen) ontbreekt echter in de MT. Een Qumran-handschrift en sommige oude vertalingen lezen aanvullend: 'Betrouwbaar is de HEER in alles wat hij zegt, heel zijn schepping blijft hij trouw'.
Voor deze aanvulling valt veel te zeggen. Het past ook bij het geheel van de psalm. Omdat God trouw blijft heeft de schepping toekomst. De mens die dit beaamt mag horen onder Gods getrouwen (10). Je bent toch dwaas wanneer je deze trouwe God maar laat spreken?
Er is alle reden om God te loven en anderen daartoe op te roepen (12 en 21). Al zo velen zijn door Hem opgericht. Dat kan mensen vandaag ook overkomen. 'Allen die hem aanroepen is de HEER nabij, die hem roepen in vast vertrouwen' (18). Dat zei Jezus eens tot een Samaritaanse (Joh. 4:24). Velen volgden haar in de erkenning van 'de redder van de wereld' (Joh. 4:42). Stem daarmee in.

29 november: Ester 3
Hamans ster aan het koninklijke hof stijgt. De koning zet hem boven alle anderen. Voor hem moet ieder knielen. MordechaÔ weigert. Waarom? Dat niet knielen valt natuurlijk op en komt ook Haman ter ore. De man kan dat niet hebben en zint op wraak. Buigt die Jood MordechaÔ niet voor mij, nu dan zal ik heel dat vreemde volk (8) treffen.
Hier komt de duivel naar voren sluipen. Dat aparte volk moet weg van de aardboden. DŤ Redder uit die natie mag er niet komen (Gen. 3:15!).
De plannen worden gesmeed. Na heel wat geharrewar - Haman moet bijna een vol jaar zijn woede inhouden - wordt bepaald dat het eindvonnis over heel het joodse volk op de 13 de van de 12 de maand zal uitgevoerd worden. Er dreigt groot onheil. Geen wonder dat de stad Susan waar veel Joden wonen in rep in roer raakt.

30 november: Ester 4
De spanning stijgt. MordechaÔ ziet de ernst van de tijd. Ester moet met spoed op de hoogte gebracht. Het vreselijke plan van Haman raakt ook haar! Ze komt secuur alles aan de weet (5vv.). MordechaÔ draagt haar op om de koning om genade te smeken. Ester beseft daarvan het risico. Geen mens mag ongeroepen bij de koning komen. Alleen als de vorst bij zoín plotselinge ontmoeting je de gouden scepter toe steekt, overleef je dat. O, wat spannend.
Dan zegt MordechaÔ: 'Wie weet ben je juist koningin geworden met het oog op een tijd als deze' (14).
Dit geeft Ester Ėen ons!- te denken. AlleenÖ het gaat langs het scherp van de schede.
Vasten past zeker hier. Omkeer tot God is echt nodig.

M. H. de Boer, Hoogkerk