Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-4, maart
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 maart: Ps. 115
Het gaat de schrijver vooral om de eer van God, Hij vraagt de Here dat de gelovigen niet in de positie komen dat ongelovigen zouden kunnen gaan zeggen: waar is toch hun God? Onze God is absoluut niet af te beelden. Hij is een God waar de goden van hout en steen niet bij in de schaduw kunnen staan. Die kunnen niet spreken, niet luisteren en niets doen.

2 maart: Handelingen 18
In de stad Korinthe oefent Paulus een tijdlang zijn oude vak weer uit. Maar als zijn medewerkers bij hem komen gaat hij weer vol voor de prediking.
Ook hier stuit zijn prediking bij de joden op verzet. Als hij niet meer in de synagoge mag komen, krijgt hij elders onderdak.Opvallend is wel dat de overste van de synagoge met heel zijn huis tot geloof komt. Op last van de Here moet Paulus hier langer blijven want er zijn in deze stad veel mensen die in God gaan geloven. Een poging van de joden om de landvoogd voor hun karretje te spannen mislukt finaal. Van Korinthe gaat het naar de overkant van de zee, naar Efeze. En na een kort verblijf zet Paulus koers naar Caesarea. In Efeze is een evangelist heel actief die tegelijk ook nog verder onderwijs nodig heeft.

3 maart: Handelingen 19: 1-20
Paulus, weer terug in Efeze, moet uitleg geven over het verschil tussen de doop van Johannes en de doop van Jezus. Krachten van de Geest breken los als mensen de christelijke doop ontvangen. Drie maanden lang is prediking in de synagoge mogelijk. Maar dan is het gebeurd. De prediking over Jezus wordt heel opvallend 'de weg' genoemd en doet denken aan Jezus' uitspraak: Ik ben de weg. God versterkt de prediking door het laten gebeuren van wonderen. Het doet boze geesten op de vlucht gaan en doet mensen een vuur onsteken om hun goddeloze toverboeken te verbranden.

4 maart: Handelingen 19: 21-40
In Efeze zijn de verkopers van Artemis tempeltjes de wanhoop nabij.
De prediking van Paulus was de dood voor deze handel. De wereldse overheid komt de kerk te hulp als massa's mensen schreeuwend in het theater roepen dat Artemis groot is . De secretaris van de stad waarschuwt de mensen. Voor je het weet zal de Romeinse overheid de stad kunnen beschuldigen van oproer.

A.H. Driest, Groningen-Zuid

5 maart: Handelingen 20:1-16
Paulus' dienstjaren in Efeze waren wel de zwaarste van zijn leven. Zou hij tijdens zijn drie zendingsreizen ooit zoveel tegenstand ontmoet hebben als daar? Toch heeft hij zich vol liefde en zelfopoffering gegeven voor de opbouw van een christelijke gemeente in die stad. Lees daarover ook zijn brieven 1 Timotheus en Efeziers.
Halverwege zijn werkperiode in Efeze heeft Paulus al een reis naar Achaje en MacedoniŽ gemaakt. Na zijn afscheid van Efeze reist hij opnieuw via diezelfde regio's, maar nu is hij op weg naar Jeruzalem (19:21). Hij bezoekt de gemeenten en spreekt de gelovigen moed in. Zo ook in Troas waar Paulus enkele dagen na het Paasfeest (gevierd in Filippi) aankomt en een week blijft. Na de zondagse kerkdienst waarin ook het Avondmaal wordt gevierd, spreekt Paulus de gemeente toe. Dit duurt tot na middernacht (ja, ja, dat waren nog eens tijden!). Het is laat, de vergaderzaal zit propvol en het is er warm door de vele lampen. In ťťn woord: slaapverwekkend. Eutychus valt uit het venster. Hij is op slag dood, maar wordt opgewekt door Paulus. Die gaat gewoon weer verder met zijn toespraak: tot de morgen. Maar de christenen in Troas gingen opgewekt naar huis. Paulus had ze buitengewoon bemoedigd, door zijn woorden en zijn daden. Wie levert daarvoor niet graag zijn nachtrust een keertje in?!

6 maart: Handelingen 20:17-38
Paulus wil graag het Pinksterfeest in Jeruzalem doorbrengen. Daarom gaat hij met zijn gezelschap per schip verder. Om geen tijd te verliezen passeren ze Efeze en maken een stop in Milete (zie de kaart van Paulus' zendingsreizen). Per bode vraagt hij de ouderlingen van Efeze om hem daar te ontmoeten. Dat doen ze met liefde.
We zijn als bijbellezers getuige van een van de meest ontroerende momenten in Handelingen: het afscheid tussen Paulus en de ouderlingen van Efeze. Ze zullen elkaar niet meer zien. Beide partijen staan moeilijke tijden te wachten. Er is alle reden om tranen met tuiten te huilen (zendelingen weten ervan mee te praten). Behalve een moeilijk afscheid, is het ook een fijn afscheid: Paulus spreekt over zijn dienen van Christus; hij spreekt de ouderlingen moed in en hij spoort ze aan om de Here trouw te blijven ondanks verzet en vijandschap (dat was in Efeze niet gering). En dan bidden ze samen. Schitterend! Belangrijk ook voor ouderlingen vandaag. (Tip: lees dit gedeelte langzaam en laat elke zin een poosje op je inwerken.)
"En zij deden hem uitgeleide naar het schip." Ze scheuren zich van elkaar los en zullen nog wel lang naar elkaar gezwaaid hebben. Weg uit het oog, maar dichtbij in het hart!

7 maart: Handelingen 21:1-26
Via-via komt Paulus in Tyrus aan. Daar blijft hij een week. Ook daar is weer een afscheid met gebed! Dan komt het gezelschap in Caesarea en logeert "verscheidene dagen" bij evangelist Filippus en zijn vier dochters-profetessen. Had men in Tyrus Paulus al afgeraden - door de Geest! - om naar Jeruzalem te gaan, in Caesarea wordt er zwaar geschut in stelling gebracht: Agabus uit Judea profeteert met handen en voeten de gevangenneming van Paulus, opnieuw door de Geest! Maar Paulus is niet te vermurwen: hij is bereid om zelfs te sterven voor de naam van Jezus. De enig mogelijke reactie: "Laat de wil van de Here gebeuren!"
In Jeruzalem worden Paulus en zijn reisgenoten hartelijk welkom geheten door de broeders. Ze logeren bij Mnason, maar gaan de dag na aankomst meteen Jakobus, de 'leider'van de gemeente van Jeruzalem (halfbroer van Jezus, schrijver van de Brief van Jakobus), bezoeken. De complete 'kerkenraad' is daarbij aanwezig. Men looft God om wat Hij onder de heidenen door Paulus' dienst heeft gedaan. Trouwens, ook veel Joden zijn tot geloof gekomen. Alleen, daar zit wel een probleem, want die Joodse christenen blijven zich houden aan de Joodse traditie. En dan komt er iets wat toch wel vragen oproept: Paulus wordt gevraagd om mee te werken aan een Joods ritueel. En hij stemt nog toe ook! Het lijkt wel of Paulus en Jakobus terugkomen op het kerkenraadsbesluit in Handelingen 15! Toch is dat niet zo. Ze doen juist een uiterste poging om Joden- en heidenchristenen bij elkaar te brengen. Om een lang verhaal kort te maken:
a) situatie: de gemeente van Jeruzalem zit blijkbaar in een spagaat door aanhoudend onbegrip van Joods-christelijke kant met betrekking tot Paulus' zendings-methode;
b) doel: het verzoek aan Paulus is alleen bedoeld om de kritiek van deze Joden-christenen te pareren en om ze gerust te stellen;
c) strategie: net zoals Paulus bij de heidenen de Grieken een Griek was, is hij nu de Joden een Jood; niet meer dan dat. Hand. 15 blijft dus overeind! Zendingswerk vraagt veel geduld: dat hebben wij vaak niet. God wel.

8 maart: Handelingen 21:27-22:21
Paulus wilde graag met Pinksteren in Jeruzalem zijn (20:16). Het lijkt erop dat dat gelukt is. Dat blijkt uit het feit dat Joden uit Asia (verstrooiing) hem in de tempel signaleren. Die zijn natuurlijk naar het joodse Wekenfeest gekomen. Tijdens dat feest is destijds de Heilige Geest uitgestort en daarom valt het christelijke Pinksterfeest op dezelfde dag. Maar juist deze Joden uit Asia zijn Paulus' grootste vijand. Ze trekken meteen hun (onterechte) conclusie: die Paulus heeft de tempel ontwijd. Ze grijpen hem bij de kraag en ontketenen in Jeruzalem een enorme rel. (NB: het gaat hier om Joden, niet om Jodenchristenen).
Als het Romeinse garnizoen niet ingegrepen had, was Paulus vast en zeker gelyncht. En dat op basis van een hele serie misverstanden. De commandant kan uit de heksenketel niet gewaar worden wat er aan de hand is en laat Paulus geboeid afvoeren naar de kazerne. "Weg met hem", gilt de massa, net als bij Jezus' veroordeling. Paulus krijgt permissie om de kokende menigte toe te spreken. Wonderlijk genoeg wordt het op Paulus' wenk "geheel stil." Hij verdedigt zich - in het Hebreeuws: voor alle Joden begrijpelijk - door zijn levensverhaal te vertellen (Hand. 9), en zo een krachtig pleidooi voor Christus te houden. Blijde boodschap!

9 maart: Handelingen 22:22-23:11
Op het moment dat Paulus de zwijgende menigte vertelt dat hij door de Here zelf naar de heidenen is gezonden, breekt de hel los. Deze man mag niet blijven leven. De commandant laat hem naar de kazerne brengen. Hij wil hem laten geselen en dan verhoren. Maar Paulus is een Romeins burger en mag daarom niet zonder vorm van proces veroordeeld worden (niet-Romeinen blijkbaar wel). De volgende dag laat hij Paulus voorkomen voor het Joodse Sanhedrin. Hij wil weten wat voor beschuldiging ze tegen hem hebben. De zitting duurt niet lang. Paulus speelt op een handige manier de partijen van de FarizeeŽn en de SadduceeŽn tegen elkaar uit, door te zeggen dat hij - zelf een FarizeeŽr - terecht staat in verband met zijn hoop op de opstanding uit de doden (dat is inderdaad de kwestie, zie Mat. 28:11-15, 1 Cor. 15). De Romeinse commandant laat Paulus terugbrengen naar de kazerne. Daar laat de Here hem weten dat hij zo ook in Rome van Hem moet getuigen. Hij zal toch nog in Rome komen. Op Gods tijd (19:21, Rom. 1:8-15)!

10 maart: Handelingen 23:12-35
Een komplot van meer dan 40 Joden tegen Paulus: ze vervloeken zich met de gelofte niet te zullen eten en drinken voor zij Paulus hebben gedood (dit gaat verder dan een eed - NBV). Ze vragen de Joodse Raad Paulus opnieuw te laten voorkomen. Dan zullen zij onderweg met hem afrekenen. Kennelijk gaat de Joodse overheid positief in op de plannen voor deze aanslag. Paulus' neef krijgt er weet van en licht Paulus in. Deze laat zijn neef bij de commandant brengen. Die moet dit weten. Hij neemt meteen passende maatregelen. 's Avonds laat hij Paulus onder strenge bewaking naar procurator Felix in Caesarea brengen. Per brief geeft hij de stadhouder tekst en uitleg. Hij laat duidelijk uitkomen dat volgens hem Paulus vrijspraak verdient. Opmerkelijk dit verschil in benadering tussen Joodse en Romeinse gezagsdragers, of - anders gezegd - tussen godsdienstige en wereldlijke leiders.

11 maart: Psalm 116 - 117
Psalm 116 is een van de psalmen van het Hallel, die werden gezongen op het Paasfeest. Deze psalm is daarvoor heel geschikt: redding uit doodsgevaar. De dichter verklaart zijn liefde aan de HERE, omdat Hij zijn gebed verhoord heeft. God heeft hem van de dood gered. Nu weet hij het voor altijd: "Genadig is de HERE en rechtvaardig, onze God is een ontfermer." Maar: "alle mensen zijn leugenachtig." Mensen kunnen je bedriegen, God niet. Wat kan hij nu voor de HERE terugdoen, zo vraagt hij zich af. Nu, het beste en ook het enige dat je kunt doen is: Zijn naam aanroepen, Hem danken. En voortaan doen wat je Hem belooft. In het OT de offers brengen voor je zonden, in het NT je overgeven aan Jezus Christus, het Lam van God.
Jammer dat Psalm 117 altijd een beetje als stiefkind wordt behandeld. Laat het een superkorte psalm zijn van maar twee verzen. Maar wat heeft dit liedje een grootse, wereldomvattende inhoud! Een prachtig voorspel op de zendingsopdracht van Jezus Christus, later in de tijd van het NT! Tegelijk een lied van verlossing, net zoals Psalm 116 een Hallel-psalm. Ik vraag me af of de Joden dit lied graag gezongen zullen hebben, gelet op hun houding tegenover de zendings-prediking van Paulus aan de volken (bijv Hand. 22:21-22). Ze moesten wel. De Paasliturgie schreef het voor. Laten wij het dan maar uit volle borst doen!

12 maart: Handelingen 24
Binnen een week geeft een afvaardiging van het Sanhedrin, onder leiding van hogepriester Ananias in eigen persoon, en vergezeld van een gladde advocaat - ene Tertullus - acte de prťsence. Ze dienen bij Felix een aanklacht in tegen Paulus. In aanwezigheid van Paulus houdt de advocaat zijn requisitoir. Hij begint met zoete broodjes en eindigt met leugens. Ook commandant Lysias krijgt een veeg uit de pan, omdat hij de Joodse rechtsgang met grof geweld in de weg gestaan zou hebben. (Die groep gezworenen zal intussen wel flink honger en dorst hebben, zou het niet?) Paulus is er niet van onder de indruk en verdedigt zichzelf overtuigend. Hij heeft niets uitgelokt. Er is geen enkel bewijs tegen hem. Paulus schaamt zich er niet voor om voor zijn christen zijn uit te komen ("de Weg"). Dat is de enige reden waarom de Joden hem ter dood willen veroordelen. Felix, die heel goed van "de Weg" op de hoogte is, verdaagt de zaak. Paulus wordt gevangen gehouden onder een 'mild regime'. Hij mag "uit zijn kring" bezoek en verzorging ontvangen. Felix en zijn vrouw Drusilla laten zich regelmatig nog verder informeren over het geloof in Christus. Vrijuit preekt Paulus het evangelie aan het hof (vgl Fil. 1:13). Wat een zegen van God! Maar wat zou er bij Felix eigenlijk achter zitten? Geloof? Taktiek? We horen over angst, over losgeld en over de Joden terwille willen zijn. Jammer. Met een dubbele houding komt je niks verder.

13 maart: Handelingen 25
Festus volgt Felix op. Paulus zit nog steeds gevangen. En de Joodse leiders zijn hem nog steeds niet vergeten. (Ik denk opnieuw aan die samenzweerders. Als ze zich aan hun vervloeking gehouden hebben, is geen van hen nu meer in leven, zou je zeggen. Of zouden zeÖ? Als dat zo is, hebben de Joden geen been meer om op te staan. Dan meten ze met twee maten.) De geschiedenis herhaalt zich: opnieuw zware aanklachten van de Joden zonder enig bewijs, weer een verdedigingsronde van Paulus, en een voorstel van de procurator met de bedoeling de Joden te paaien. Maar nu is het afgelopen! Paulus beroept zich op de keizer.
Dan komen Koning Agrippa en zijn vrouw Bernice Festus begroeten. Festus legt Agrippa de zaak voor. Hij geeft wel een wat gekleurd verslag, maar geeft de kern wel nauwkeurig weer: het gaat over "een zekere Jezus die dood is, van wie Paulus beweerde dat hij leeft". Agrippa wil die Paulus wel eens horen. Wellicht kan hij Festus dan adviseren over de inhoud van de brief aan de keizer. Want wat moet hij schrijven over deze onschuldige? Je kunt hem toch niet om zijn geloof in Jezus veroordelen?

14 maart: Handelingen 26
Paulus volgt de gebruikelijke retoriek: eerst prijst hij Koning Agrippa om zijn kennis van het jodendom. Hij zal Paulus vast en zeker begrijpen. Paulus' samenvatting van de eeuwenlange hoop van Israel en zijn eigen levensverhaal vloeien door elkaar. Opnieuw benadrukt hij dat Christus zelf hem gezonden heeft naar de heidenen "om hun ogen te openen ter bekering uit de duisternis tot het licht en van de macht van de satan tot God, opdat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden zouden ontvangen door het geloof in Mij" (vs 18). Paulus heeft gehoorzaam die opdracht uitgevoerd en Joden en heidenen opgeroepen om zich te bekeren. Maar nu willen de Joden hem hierom veroordelen! Hij heeft toch niets anders gezegd dan Mozes en de profeten. Het enige verschil is dat het toen belofte was en dat die belofte nu vervuld is.
Als je hierover nadenkt, is het toch wel te zot voor woorden dat mensen gaan oordelen over Gods werk. De mens op Gods stoel. Hiermee zijn we echt terug bij af: de zondeval in Gen. 3! De Joden gaan God narekenen Ö en met Hem afrekenen (eerder ook al: Hand. 4/5). Festus kan het allemaal niet meer volgen, maar Agrippa weet drommels goed waar Paulus het over heeft. Hij kent immers zelf de profeten. Maar - opnieuw: jammer - wanneer Paulus hem te dicht op de huid komt, laat hij de zitting beŽindigen. Maar de beide hoogheden zijn het erover eens dat Paulus onschuldig is. Als hij zich niet op de keizer had beroepen, zou hij nu vrij zijn. Wonderlijk: mensen proberen Gods werk te stoppen, maar het breidt zich alleen maar uit (vgl 8:1 en 4). God is er zelf bij! Bij zendingswerk is het altijd: Immanuel.

15 maart: Handelingen 27:1-26
Varen, varen over de woeste baren: Lukas schrijft een spannend verhaal over Paulus' reis naar ItaliŽ. In Jeruzalem was hij bijna door de Joden vermoord, op zee dreigt het schip waarop hij reist met man en muis te vergaan. Je houdt soms de adem in. Maar zoals altijd: God beschermt Paulus en zijn reisgenoten. Paulus' werk is immers nog niet klaar. De reis moet dus wel goed aflopen! (Tip: Lees het verhaal in ťťn ruk uit en pak er een kaart bij.)
Is het je opgevallen? Paulus functioneert ongevraagd als loods. Helaas luistert de schipper niet naar de wijze adviezen van deze door God geÔnspireerde landrot. Ze vertrekken van Goede Rede (Gronings: Schierhoavens) op Kreta. Het weer lijkt goed, maar dat duurt niet lang: de zgn Eurakylon jaagt de golven op. Die beuken de ronddobberende boot. Het is noodweer. Paulus stelt de mensen gerust met de openbaring die hij van God gekregen heeft: niemand zal omkomen. Als je dat nu maar gelooft! God heeft nog nooit gelogen.

16 maart: Handelingen 27:27-28:10
Wat zullen al die mensen (276 man) bang geweest zijn. Ondanks Paulus geruststellende woorden. Wat zullen ze voor hun leven gevochten hebben. Wat zullen ze moe geweest zijn. En hongerig. Wie heeft er nu zin in eten in zulke omstandigheden? Toch gaan ze eten, op aandringen van Paulus. En dan komt de landing op Malta: er valt niet ťťn slachtoffer. God doet wat Hij via Paulus heeft beloofd. Wat een geweldige God. En de reactie van al die geredde mensen op deze wonderlijke redding? Onbekend!
De schipbreukelingen worden door de Maltezers hartelijk verwelkomd en opgevangen. Ze stoken een groot vuur tegen de kou. Daarbij gebeurt er iets waardoor de positie van Paulus meteen helder wordt. Hij wordt door een gifslang gebeten - conclusie van het heidendom: straf van de wraakgodin DikŤ - maar er overkomt hem niets ongewoons - nieuwe conclusie van het heidendom: hij is zelf een god. Ook dat is niet zo, maar Paulus is wel door de Geest in staat om grote wonderen te doen tot eer van de levende God. Die naam mag hij op Malta verkondigen in woord en daad.

17 maart: Handelingen 28:11-31
Via Puteoli waar Paulus en de zijnen een week lang bij broeders en zusters logeren (een fijne verrassing) arriveren zij in Rome. Ze worden ingehaald door christenen die al op de hoogte zijn van de recente gebeurtenissen. "Toen Paulus hen zag, dankte hij God en greep moed." Hij krijgt een eigen woning, met een soldaat als bewaker.
Paulus is nu eindelijk in Rome. Hij ontmoet er de gemeente aan wie hij enkele jaren geleden al een brief geschreven heeft. Deze gemeente is gesticht door en bestaat uit niet-Joodse christenen. Dat blijkt al uit de brief van Paulus aan de Romeinen. Het blijkt ook uit wat er enkele dagen na Paulus' aankomst gebeurt: hij zoekt contact met de Joodse leiders. Dezen zijn niet op de hoogte van Paulus' "belevenissen" en stellen zich neutraal op. Ze willen graag Paulus' denkbeelden vernemen. Tot nu toe hebben ze zich blijkbaar niet met de kerk in Rome bemoeid. Ze weten alleen dat deze 'secte' overal tegenspraak vindt. Wanneer Paulus de Joden het evangelie verkondigt, geven sommigen wel gehoor, maar anderen blijven ongelovig. Na een ernstige vermaning van Paulus, vertrekken zij al ruziŽnd.
Twee jaar lang verblijft Paulus in Rome. Zonder angst en zonder belemmering verkondigt hij het Koninkrijk van God en geeft onderwijs over de Here Jezus Christus. Hoe het verder met hem gegaan is, wij weten het niet. Wel is duidelijk dat hij in Rome een spilfunctie vervulde voor de prediking van het evangelie in het Romeinse rijk. Vanuit de hoofdstad gaat het evangelie in alle richtingen tot aan de einden van de aarde (1:8).

18 maart: Psalm 118:1-18
Psalm 118 is het slotakkoord van het Hallel, jaarlijks gereciteerd / gezongen op het Paasfeest. Het is ťťn groot refrein van Halleluja, Immanuel en "Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid." Dit lied past bij het gejubel van de engelen, toen zij Jezus'geboorte aan de herders berichten (Luk. 2:13-14). Heel Gods volk Israel wordt aangespoord tot zingen; vervolgens in het bijzonder de priesters ("huis van Ašron"), die altijd de offers brengen in de tempel; tenslotte iedereen die de HERE vreest, die naar de tempel komt om God te dienen. Iedere Paasfeestvierder looft de HERE om zijn redding uit de dood. "Hij is mij tot heil geweest."

19 maart: Psalm 118:19-29
Omdat God redding gegeven heeft, is ieder die gelooft nu 'rechtvaardig'. Iedereen mag nu binnengaan en bij God komen. Wonderlijk! Te groot voor ons verstand! Hoe kan dit? Dit kan alleen maar omdat God zelf het initiatief heeft genomen tot redding. Hij heeft de hoeksteen - het fundament - gelegd voor ons leven: Christus (1 Petr 2:1-10). Door het werk van Gods Zoon behoort elke gelovig nu tot Gods heilige natie. Voor altijd klinkt nu: "Looft de HERE, want Hij is goed."

H. Venema, Onnen

20 maart: Jesaja 1
Bij de profeet Jesaja denken we aan mooie teksten zoals: "Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven" of "Er zal een rijsje voortkomen uit de tronk van IsaÔ." of "Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode." Maar als je begint te lezen in hoofdstuk 1 en je leest door tot en met hoofdstuk 10, dan weet je niet wat je allemaal tegenkomt. Er blijft van Juda niet veel heel. Harde oordeelswoorden en scherpe kritiek vormen de boventoon. Wat moeten wij daarmee?
Het is een heel andere sfeer dan die wij vandaag ademen in de kerk. In Jeruzalem en Juda werden zelfs mensen vermoord (zie vs. 15b, vs. 21b).
Toch kunnen we er wel iets van leren. Dat wij er niet aan denken om iemand te vermoorden, heeft heel veel te maken met de Nederlandse rechtsstaat die zoiets absoluut niet tolereert.
Hoever gaan wij, als onze agressie alle ruimte zou krijgen?

21 maart: Jesaja 2
"Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen."
Stel je voor, dat al het wapentuig van over heel de wereld zou worden omgesmeed tot landbouwwerktuigen en ander gereedschap. Het is wel een heel bijzonder visioen, dat Jesaja voorhoudt aan Juda en in feite ook aan ons. Maar let vooral op de conclusie, die hij hieraan verbindt. "Nakomelingen van Jakob, kom mee, laten wij leven in het licht van de HEER."
'Het ijveren voor vrede', zo voorspelt Jesaja, 'zullen de volken van de wereld leren van het volk van God.' Als dat onze roeping is, moet onze eigen stijl van leven daar helemaal bij passen.
Wat kan de ander van ons als christenen leren? Wordt men door ons voorbeeld gestimuleerd tot inzet voor vrede en harmonie?

22 maart: Jesaja 3: 1-15
'Jeruzalem.' Die naam doet je iets. De stad van David en Salomo, de stad met de tempel. Ieder die IsraŽl bezoekt, wil en moet Jeruzalem zien.
In Jesaja 3 lijkt deze stad onherkenbaar geworden. Je denkt aan Amsterdam in de hongerwinter. Ja erger nog. Niemand neemt de leiding. De chaos is compleet.
Wij vragen ons in zo'n situatie vandaag af, of God dit niet voorkomen kan.
Maar Jesaja brengt in geding, of IsraŽl dit niet had kunnen voorkomen. Zijn antwoord is duidelijk.
Niet altijd is de verbinding tussen oorzaak en gevolg zů duidelijk. Toch is het van belang, dat we aan onze verantwoordelijkheid denken. Als wij van iets kwaads de oorzaak zijn, is God daar ook boos over. Laten we het dan eerlijk onder ogen zien. Genade is er immers ook!

23 maart: Jesaja 3: 16- 4: 6
Bijna discriminerend, zou je denken. Alsof vrouwen eerder tot kwaad verleiden dan mannen. Maar de mannen werden al herhaalde malen onder het mes van Jesaja' s kritiek gelegd. En behalve slechte mannen zijn er ook slechte vrouwen. God is daar evengoed heel boos over. Zonde moet je nooit goedpraten. Ook al weet je dan van genade.
Gelukkig echter is die er ook. "Wanneer de HEER het vuil van Sions vrouwen heeft weggewassen en het bloed van Jeruzalem heeft afgespoeld Ö, dan zal hij boven de plaats waar de Sion ligt Ö een wolk scheppen voor overdag en een lichtend vuur met rook en vlammen voor de nacht. Zijn luister zal alles overdekken."
Dat is niet om het kwade te verdoezelen. Slecht is slecht. Maar de genade van God is ook echt. Daardoor komt alles goed.

24 maart: Jesaja 5: 1-7
Een ontroerend lied. Jesaja zingt over een vriend van hem. Met die vriend heeft Jesaja echt te doen. De vriend had een prachtige wijngaard en hij heeft er alles aan gedaan. Maar het enige wat de wijngaard opbracht waren wrange druiven.
Al lezende krijgen we in de gaten, dat het geen letterlijke wijngaard is. De wijngaard staat voor het volk van God. Het was niet best met Juda, maar dat lag absoluut niet aan God.
Soms voelen wij ons diep teleurgesteld. Dan hebben we ons ingezet tot en met, voor ons werk of voor de kerk. Maar wat heeft het opgeleverd?!
Probeer je eens in te denken, hoe God vaak naar zijn kinderen kijkt, naar wat zij en wij ervan maken.

25 maart: Jesaja 5: 8-30
'Wee!' En dat zes keer achter elkaar. 'Nu weten we het wel', zijn we geneigd te zeggen. 'Het was daar een puinhoop in Juda.
Maar als u of jij, terecht, heel erg kwaad bent, dan ben je ook niet in ťťn keer uitgesproken. Je hebt erg veel woorden nodig. Grote kans ook, dat je het daarna nog een paar keer herhaalt.
Zo is dat met God ook.
Van belang is om dat serieus te nemen. Blijkbaar kun je als mens, zelfs als je het goed weten kunt, heel ver gaan. Neem dan goed de tijd om de boosheid van God tot je door te laten dringen.

26 maart: Jesaja 6
Wij weten over het algemeen best iets te zeggen tegen en over God, thuis, op de vereniging en soms zelfs tegen iemand die geen christen is.
Jesaja beseft vlak vůůr zijn roeping, dat er momenten zijn waarop je beter je mond kunt houden. Kijk, als je alleen maar te maken hebt met mensen die netzo gebrekkig zijn als jij en u, dan valt wat je zelf zegt en doet alleen maar mee. Maar Jesaja wordt op een indrukwekkende manier geconfronteerd met de heiligheid van God.
Ik moet even denken aan een moreel hoogstaand iemand. In zijn aanwezigheid schaam je je voor je oppervlakkige praat en ben je stil. Jesaja' s beleving was nog veel en veel sterker.
Eigenlijk zou je een engel moeten zijn om God echt recht te kunnen doen.
Maar God kan je reinigen en tot zijn woordvoerder maken.

27 maart: Jesaja 7
Midden in een moeilijke tijd blinkt toch een lichtpunt.
Het Tienstammenrijk en SyriŽ vallen samen Juda aan om het te dwingen mee te doen met het complot tegen AssyriŽ. Dan blijkt, dat God behalve rechtvaardig ook barmhartig is. Zijn boosheid was dus geen blijk van haat.
Maar Achaz heeft zelfs dan geen behoefte aan God.
Nu krijgt hij het volgende teken: "de jonge vrouw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem ImmanuŽl noemen."
De jonge vrouw is - volgens mij - ťťn van de vrouwen van Achaz. Misschien loopt ze op dat moment wel met de koning mee. Zij verwacht een kind en als het kind geboren is, geeft ze hem een naam van hoop, ImmanuŽl. Dit zou best Hizkia geweest kunnen zijn. 'Hizkia' betekent : 'Jahwe is mijn kracht' en 'ImmanuŽl' : 'God staat aan onze kant.' Het is precies hetzelfde.
Maar hoe dan ook: ook al is God Achaz onverschillig, dat geldt absoluut niet voor zijn vrouw en Achaz kan niet verhinderen, dat door zij eigen kind in zijn eigen huis het Godsvertrouwen klinkt.
Een paar eeuwen daarna gebeurde er nog een veel groter wonder. Het kind van Betlehem, nakomeling van Achaz, werd de garantie dat God aan de kant staat van wie vertrouwen op Hem alleen.

28 maart: Jesaja 8: 1-18
Je zult maar profeet zijn. Dan sta je echt helemaal in dienst van God. Zelfs je kinderen met de namen die ze dragen. 'Sear-Jasub', zo heet het jongentje dat met zijn vader Jesaja meeloopt, als hij door God op Achaz wordt afgestuurd. 'Een rest keert weer', wil dit zeggen. 'Maher-Salal Chas Baz', zo heet het kind dat ruim een jaar later geboren wordt. 'Haastige buit, spoedige roof', dat betekent deze naam. En het komt allemaal uit. Zo sterk is God. 'Noem je zoon zus, noem de andere zo. Ik de HEER doe wat Ik van plan ben.'
Vandaag gaat het wat anders. Ook predikanten hebben een privť-leven. Ze hebben dat ook nodig.
En toch: als God je tot iets roept, moet je er zijn. Dat geldt trouwens voor ons allemaal.
Als je dichtbij God leeft en zijn signalen op wilt vangen, zie je steeds duidelijker wat Hij van jou en van u persoonlijk verlangt.

29 maart: Jesaja 8: 19-9:6
Het was voor Juda een vreselijk moeilijke tijd. Maar ook voor het Tienstammenrijk. AssyriŽ kwam het land binnen. Vooral de noordelijke stammen zoals Zebulon en Naftali hadden er erg onder te lijden. Het doet ons bijna aan de Tweede Wereldoorlog denken: "Iedere laars die dreunend stampte en elke mantel waar bloed aan kleeft, Ö"
Maar in diezelfde tijd biedt God perspectief. "Het volk dat in duisternis ronddoolt ziet een schitterend licht."
Wat is de reden daarvan? Het is de geboorte van een koningszoon. Hizkia?
Wij denken als vanzelf aan dat andere Koningskind, Jezus. Je leven kan tot een puinhoop worden, maar nooit zo dat Jezus er geen licht in kan brengen. Echt: Hij is de sterkste!

30 maart: Jesaja 9: 7- 10: 4
Dat God uitzicht biedt, wil niet zeggen dat Hij nooit meer boos zal worden. Soms kun je dat denken. God is een God van genade. Dat is mooi. Laten we het daarover hebben en niet over zijn toorn.
Maar God heeft een levende relatie met ons. Met als gevolg, dat Hij blij over ons kan zijn, maar ook kwaad op ons, heel erg kwaad zelfs.
In dit gedeelte van Jesaja is het wel heel erg. Als een refrein klinkt het telkens weer: "Maar nog is zijn woede niet bekoeld, nog is zijn hand tegen hen opgeheven."
Dat wij mensen Hem zo boos kunnen maken!

31 maart: Psalm 119: 1-16
Vandaag beginnen we aan het langste lied, dat in de bijbel staat. Achtereenvolgens wordt het hele Hebreeuwse alfabet afgewerkt. Telkens 8 verzen die met de volgende Hebreeuwse letter beginnen. Een goede geheugensteun bij zo'n lang lied.
Deze keer is het de liefde voor de wet, die de auteur spraakzaam maakt. Er speelde in IsraŽl dus ook nog wel wat anders dan de brutale onwil, waar de profeten Gods verontwaardiging over moesten laten horen.
Ik denk aan wat de Here tegen Jesaja zei blijkens Jesaja 8: 16: "Bewaar mijn getuigenis zorgvuldig, verzegel dit onderricht in mijn leerlingen." Er waren zelfs toen kinderen van God, die het machtig mooi vonden om Gods aanwijzingen te volgen: "Ik verheug mij in uw wetten, uw woord zal ik niet vergeten."

T.S. Huttenga, studentenpredikant Groningen