Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-4, juni
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 juni: Psalm 120
Het eerste pelgrimslied uit de rij van 15 (120-134). Niet de leukste. Het is een psalm vol onmacht, moedeloosheid, boosheid, en daaronder een diep verlangen naar echte vrede bij God. Soms ben je zo ongelooflijk zat van alle gekonkel, geklets, schone schijn, mooie praat zonder inhoud, reclametaal, politieke smoesjes, dat je maar één kant op kunt: op naar Jeruzalem waar God woont.

2 juni: Jesaja 61
Aan welke periode zal de profeet zelf gedacht hebben toen hij deze profetie mocht uitspreken? Misschien aan de tijd na terug keer uit de ballingschap? Voor christenen is de figuur van Christus zeer herkenbaar: zie ook Lucas 4:16-21. Gezalfd met de Geest van God maakt hij nu alles weer helemaal in orde. Vol zijn van de Geest van God is voor Christus (en voor ons ook!) iets waar vooral anderen beter van worden.

J.W. Roosenbrand, Groningen-Oost

3 juni: Jesaja.62
Opnieuw komt eruit, waarom het rondom het lot van Jeruzalem allemaal zo geladen en emotioneel toegaat in het boek Jesaja. Dat komt omdat er liefde in het spel is. Jeruzalem heeft met z´n politieke en religieuze manoeuvres maar niet wat verdragsregels naar Jahwe geschonden. Vaak wordt godsdienst wel zo opgevat: ik doe wat voor jou en jij voor mij, een balans van zakelijk opportunisme tussen een mens en een god. Baälisme. Juist daarin is Jahwe de gans Andere en de enige ware God: Hij houdt van Israël zoals een jongen van z´n meisje en een man van z´n vrouw. Daarom noemt God in zijn verlossing zijn volk ´mijn Verlangen´(vert. NBV) en het land waar ze wonen ´mijn Bruid´ (NBV). God is liefde, zal Johannes later zeggen. Het diepste wat over God te zeggen is in OT en NT, dat is dat Hij liefde is, en dat zowel naar zijn beminnende als verterende kant.

4 juni: Jesaja 63
Vers 8 is ontroerend: zoals God daarin zijn vertrouwen in zijn volk uitspreekt: natúúrlijk zijn ze m´n kinderen, natuurlijk zijn ze te vertrouwen´. Dus niet. Opnieuw balanceert alles op het scherp van de snede, van huwelijksontrouw en dat God daar in het OT de doodstraf op had gezet. God bindt de strijd met zijn volk aan. Dan is er nog maar één uitweg: op je knieën en God aanroepen en oproepen om zijn heilige Geheugen te raadplegen, de dag dat Hij Israël als het enige volk van de wereld trouwde door het uit Egypte weg te halen met Mozes als de grote Vriend van de Bruidegom, op weg naar Kana (Joh.2). Kijk toch naar beneden Jahwe, vanuit uw heilige hemel!

5 juni: Jesaja 64
De worsteling van het gebed maakt diepe indruk hier. Het hartverscheurende roepen van Jesaja gaat heen en weer tussen lofprijzing, aanbidding (´er zou es wat gebeuren, Jahwe, als U van de hemel zou neerdalen en het voor ons zou opnemen!´) en anderzijds het besef van eigen zondigheid. ´Wij allen zijn onrein geworden, als de kleren van een vrouw die haar maandelijkse periode heeft´. Vruchtbaarheid die als onvruchtbaarheid wegvloeit. Tegelijk wordt God op zijn eer aangesproken: alle heilige plaatsen zijn ontwijd en verwoest. Het is de verbundeling van deze liturgische elementen die God uiteindelijk de hemel doen scheuren in de volheid van de tijd wanneer Hij zijn Zoon neerzendt om ons verloren en verzondigde bestaan aan te nemen.

6 juni: Jesaja 65:1-16
Scheiding van schapen en bokken (Matth.25). Van ´Gods dienaren´ en ´zij die de tafel van hun leven dekten voor de god van het geluk en zich vol lieten lopen voor de god van het fortuin´: zie de reclames van elke dag. Genade is nooit goedkoop (Bonhoeffer). Alleen wie Gods geboden doet kan ook Gods genade leren kennen, omdat die beide de twee kanten zijn van één en dezelfde munt: die van het Koninkrijk.

7 juni: Jesaja 65:17-25
Ineens verwijden de perspectieven zich enorm. De blik van de Profetie wordt ver vooruit geslagen. En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, zal Johannes later op Patmos zeggen (Opb.21). In beeldmateriaal van de dagen waarin Jesaja en zijn profetenschool leefden worden kind en zuigeling geschetst in hun onvergankelijkheid: daar komt om de hoek wat wij later in Christus het eeuwige leven zijn gaan noemen. Kenmerk daarvan is wat onder andere in vers 21vv. staat: dat je een huis bouwt en dat je er zelf in wonen zult: dat is in uiterste consequentie dus vooral van toepassing op het huis dat je eigen leven is, je levenshuis; en dus de ´opstanding van het lichaam en een eeuwig leven (daarin)´. En wat elkaar nu nog voortdurend bijt en bedreigt (vs.25), zal in harmonie zijn. Geen yin en yang meer (want dat is heidendom, dat het goede altijd het kwade nodig heeft), maar Gods harmonie die de aarde en haar bewoners vervullen zal.

8 juni: Jesaja 66
Een groots afsluitend apocalyptisch visioen. Centraal daarin staat, hoe door Gods kracht en genade ´een land in één dag wordt gebaard en een volk in één keer geboren´. De profeet refereert daarin aan de barensnood van de belofte van God zoals die tot Abraham, de stamvader kwam: in jou zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden. Blut- en Bodentheorie voor Israël is het dus niet meer (alsof 1948 hier aangeduid zou worden, het ontstaan van de staat Israël), maar wel dat God zijn Zoon geboren laat worden als Redder voor heel de wereld (Joh.3:16). Daarin wordt de barensnood van de wereld vervuld en met Rom.8:22,23 staan we als de zonen van God die de Geest als eerste gave ontvangen hebben op de uitkijk: Jezus komt weer, dan worden hemel en aarde nieuw en onze levenshuizen voorgoed opgewekt. De keerzijde van dat perspectief is de huiveringwekkende gedachte, dat er achter Gods rug de worm zal zijn die niet zal sterven en het vuur dat niet zal doven. Gods liefde is nu eenmaal: alles of niets. Dat is het kenmerk van liefde. God is liefde. Dat is de boodschap van het boek Jesaja.

9 juni: Psalm 121
De sleutel tot het juist begrijpen van deze psalm ligt in het bovenschrift: dat het een pelgrimslied is. Paulus zal later ook zeggen: wij zijn op weg, ons vaderland ligt daar waar Christus is, wij zijn burgers van een rijk in de hemelen. Zo ook psalm 121. Hier wordt niet in het wilde weg beloofd, dat God ons in dit leven voor welke tegenslag ook maar zal sparen. Dat ware de belofte die de afgoden afgeven (en vervolgens niet waar maken), dat is Baälisme. Maar de gang naar de tempel, het áánkomen bij God in je leven, dat zegt God zonder reserve toe. Klop en je zal open worden gedaan. Dan kunnen er bergen zijn in het leven, en er is voortdurende in- en uitgang, dus: dat de dingen vluchtig zijn -wat je hebt moet je altijd ooit weer loslaten-, maar dit leven mondt in Jezus Christus uit bij God, dat we bij Hem zullen aankomen, en dat er in zijn Vaderhuis ook een woning voor ons is. Daarom zingen we onderweg.

10 juni: Jeremia 1
De toon wordt gelijk gezet. Jeremia is een jonge man, een bevend riet in de wind, nu hij zich tegen de gevestigde politieke orde moet gaan richten met profetieën die hem niet in dank afgenomen zullen gaan worden. Maar de kracht van het Woord van God ligt nooit in de mens die dat woord spreken gaat. Niet in Jeremia als spreker dus. Vreemd dat dat altijd weer de verleiding is, ook in vrijgemaakt domineesland. Dat de mensen kijken naar wie er preekt. Dat er zelfs een top-tien van dominees ontstaat. Wij zijn, ook in de kerk, op zoek naar sterke en gebekte mannen. Dat er geshopt en achternagelopen wordt. Paulus was al een slecht spreker, geen favoriete dominee dus. Maar daardoor wordt nu des te duidelijker, dat God in menselijke zwakheid Zíjn kracht, lees: de kracht van Zíjn Woord volbrengt. Zo ook Jeremia. Hij is geen partij tegen het bolwerk van priesters en koningen uit zijn tijd. Maar hij heeft het Woord van God aan z´n kant. Dát maakt, dat hij, kleine man, ´gezag heeft over koninkrijken en volken, om ze uit te rukken en te verwoesten, op te bouwen en te planten´(vs.10). Alleen wie een ziener is, heeft dat door.

11 juni: Jeremia 2:1-25
Weer die diepe klacht van de HERE. Jeruzalem is zijn bruid. Liefde is in het spel. Maar het volk van God is zijn voorrechten vergeten. Een huwelijk kan zo maar grijs worden. Dan wordt er geflirt, gelonkt, en van het één komt het ander: ze gaan achter de Baäls aan: de goden van vruchtbaarheid in de meest brede zin van het woord. De HERE heft zijn klacht aan: ´Heeft ooit een volk zijn goden ingeruild? En goden, dat zijn het niet eens...!´(vs.11). Je bent een hitsige kameel, een tochtige ezelin. Er is niets nieuws onder de zon.

12 juni: Jeremia 2:26-3:5
Er is wel een zogenaamde bekering tot God in het spel bij Israël. Dat is de bekering die bestaat in het verwijt aan God: kijk nou toch eens Heer, hoe wij van alle kanten geplunderd worden als uw volk, en waar bent u nou, nu wij U opnieuw zoeken en aanroepen? Vaak is dat het herkenbare patroon: eerst wordt God vergeten, en vervolgens begint men te protesteren, dat God hén vergeet. Dat is ook de aanklacht van de geseculariseerde mens van vandaag tegen God: hoe kán Hij het toelaten, zoveel ellende en leed. Eerst de Baäls achterna lopen, God inruilen voor de goden van het genot en het jezelf tot god zijn. En dan God ter verantwoording roepen. Alsof Israël de godsverduistering niet zelf over zich afgeroepen heeft. Alsof het Gods-vacuüm in onze tijd niet gewoon de spiegel is van ons goddeloos geworden gedrag in Nederland en het Westen.

13 juni: Jeremia 3:6-4:4
Prachtig hoe vanaf vers 22 God beschrijft hoe Hij zijn volk terugneemt. Feitelijk behoort dat tot de onmogelijkheden, zoiets doet men niet, zo´n kraakpand van een vrouw, uitgewoond tot op het bot, terugnemen (3:1). Maar God doet het. De schuldbelijdenis vanaf vers 22 is onthullend. Toegegeven wordt hoe afgoden een mens verslinden en opvreten zoals de kanker dat doet, van afgoderij hoe zoet ook word je altijd slechter. De HEER staat klaar als de Vader uit de gelijkenis van de verloren zoon: ´wanneer je op je schreden terugkeert, keer dan terug naar Mij!´(4:1). God gaf dáárvoor zijn Zoon: om overspeligen als u en mij opnieuw te kunnen trouwen.

14 juni: Jeremia 4:5-31
Er valt alleen maar te huiveren bij dit hoofdstuk. Als God eenmaal zijn oordeel doorzet is er geen houden meer aan. En toch: we nemen de gok, dat het allemaal nog wel een beetje los zal lopen en vooral dat het vandaag en ook morgen nog niet gebeurt. Dan overvalt het Israël en Juda als de weeën een zwangere vrouw. Zo was het al in de dagen van Noach: men at en dronk en huwde... Zo zal het ook zijn bij de komst van de Zoon des mensen, zei Jezus. Waak dan en wees bereid, permanent klaar om Christus te ontvangen.

15 juni: Jeremia 5
Pas het eens op jezelf toe: de elementen die in dit hoofdstuk voorbij komen. Bijv. vers 3: dat Gods tuchtiging niet echt helpt, je schrikt wel even, maar echt bekeren doe je je niet. Of vers 7, het tegenovergestelde: God geeft voorspoed in je leven, maar dat pak je nou niet echt op om de Here (er mee) lief te hebben. Of vers 12: dat we tegen elkaar zeggen (en ook zo leven): God meent het zo zwaar niet, ons zal geen onheil treffen. Vers 23: koppig, wat een steekwoord, tegen beter weten in toch doorgaan met je eigen weg. Vers 31: zelfs de leiders gaan erin voorop om alles met de mantel van de liefde en de slapheid te bedekken. Er is niets nieuws onder de zon.

16 juni: Psalm 122
Hartverwarmend, deze psalm, na de mineur van de afgelopen dagen. Blíjdschap om naar de HERE toe te gaan. Sámen. Jeruzalem: ´hecht en dicht opeen´. Je staat en zit zij-aan-zij wanneer je samen voor God verschijnt. Wat een eendracht. Niet omdat we uit onszelf zo van elkaar houden. Maar omdat het ´staan voor Gods ogen´ ons verbindt. Kijk, God zíet ons, Hij ziet mij en ook jou, ons allemaal. Van dat gezien-worden door God word je één. Je gaat ook als uit één mond zingen, dat is ´de plicht´, de eervolle taak van het volk van God (vs.4). De meest mensen moeten leven alsof niemand hen ziet, maar zo is dat in het huis van de HEER niet!
En het recht is er. Waar God zetelt, daar zetelt zijn koning, daar zetelt David, daar zetelt Salomo, daar zetelt de koning van psalm 72, Jezus Christus dus uiteindelijk, Hij die de tranen van de kleinen ziet en hoort wie zonder helper is. Voor zo´n stad en zo´n gemeenschap, voor zo´n volk-met-zijn-God vraag je vrede. Voor altijd. Daar wordt, in de kerk, het komende Koninkrijk al uitgebeeld, moge dat beeld van God zelf op ons netvlies blijven branden, van nu aan tot in eeuwigheid, moge dat het centrum van de toekomstige wereld worden, de Troon van waaruit alles gezien en verlicht wordt.

M.A.Dronkers, Helpman

Hoe zat het ook alweer met de profeet Jeremia? God stelde hem - zo jong als hij was - aan "om uit te rukken en af te breken, om te verdelgen en te verwoesten, om te bouwen en te planten." Als dat geen zware missie is! Want hoe zal op zijn woord (= Gods woord), worden gereageerd? "Wees voor niemand bang," zei God, "want ik ben met je, om je te redden." En dus gaat Jeremia ervoor, tijdens de regering van de laatste koningen van Juda. Als God roept, moet je horen. Maar gelukkig, Hij is er zelf bij: Immanuel.

17 juni: Jeremia 6:1-15
Donkere wolken komen opzetten in het Noorden: Babel is op oorlogspad. Het rukt op - via Assur - en komt almaar dichterbij. Nog even, dan breekt het geweld los over die knappe en door God altijd zo verwende dochter van Sion. Dan is het afgelopen met haar leugens en bedrog. Jeruzalem zal veranderen in een onbewoond land. Anderen zullen de lege plaatsen innemen. Vreselijk! De beelden waarin Jeremia spreekt, zijn overduidelijk. De vrede is ver te zoeken. Had Sion maar naar haar Vader geluisterd! Gehoorzaamheid, dat is altijd - toen en nu - levensreddend.

18 juni: Jeremia 6:16-30
Gods volk heeft eigenlijk nooit willen luisteren. Een overbekend woord: "vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg is, opdat u die gaat en rust vindt voor uw ziel." Maar nee, op Gods wegen hebben zij nog nooit willen gaan, naar de signalen van zijn gidsen/wachters nog nooit willen luisteren. Ze gaan gewoon hun eigen gang. Tja, dan moet het wel fout aflopen. Eigen wegen lopen altijd dood. Dus raken ze hopeloos verdwaald. Ze struikelen. Groot onheil doemt op voor hen, vader en zoon. Bij het zien van de meedogenloze vijand uit het Noorden zakken ze door hun knikkende knieën en hangen hun armen slap langs het lichaam. Eigen schuld. De HERE heeft hen afgekeurd. Alleen over Gods weg - Jezus Christus - bereikt ieder zijn bestemming.

19 juni: Jeremia 7:1-20
Maar er is nog een kans voor Juda! Het zou de HERE ook niet zijn, als hij zijn volk niet genadig was! Als ze nu luisteren naar het Woord van de HERE en hun ´handel en wandel´ beteren, dan is er redding. Kort gezegd: bekering! Op stel en sprong rechtsomkeert maken op die doodlopende weg. Niet denken dat de tempel de plek is waar je automatisch wel veilig bent, ook al leef je nog zo wetteloos - dat is nu juist heidense magie - maar in je hele manier van leven echt een ander mens worden. Door al die afgoden te blijven vereren, NB zelfs in Gods tempel - een roversnest hebben ze ervan gemaakt - halen ze Gods straf over zich. Daarom: nu luisteren! Zo niet, dan wordt Sion net als Silo: een puinhoop waar Gods Naam niet meer woont. Daarom: kom van je eigen wegen af, ga op die van God.

20 juni: Jeremia 7:21-34
Oei, Jeremia mag niet meer voor Juda en Jeruzalem bidden. Natuurlijk deed hij dat zonder ophouden. Het gaat je als Gods dienaar toch aan het hart, als zijn volk naar de knoppen gaat? Je wilt zo graag dat ze gered worden. Maar God zegt: "Houd maar op, Jeremia. Je kunt praten wat je wilt, Ik luister niet." Het is inderdaad ook meer dan bar wat Gods volk presteert aan wangedrag. Ze minachten de HERE door de zon te aanbidden. Gods kinderen, het zijn allemaal zonaanbidders. Ze liggen, nee niet op hun rug, zo goed als in hun blootje, om maar lekker bruin te worden, maar voorover in aanbidding, met offers van wijn en koeken. Uit Egypte hebben ze die vervloekte afgoderij meegenomen. Maar het vuur van Gods toorn zal nog vele keren heter zijn dan de ergste zonnebrand. Laten ze liever luisteren naar Gods stem en op zijn wegen gaan. Tot nu toe hebben ze met hun harde kop niet willen horen naar God zelf of zijn profeten. Daarom: ga maar vast in de rouw, zing een klaaglied, want er zal geen vrolijkheid en gelach meer zijn. Moorddal: er is geen plek genoeg voor alle lijken.

21 juni: Jeremia 8:1-23
In plaats van het leven regeert de dood: het land ligt bezaaid met botten (vgl Ezech. 37). Het is toch normaal dat iemand die valt, weer opstaat. Maar Juda doet dat niet. Ze hebben geen berouw. Ze kiezen bewust voor de ondergang. Hoe durven ze te zeggen: "Wij zijn wijs, wij hebben de wet van de HERE bij ons," terwijl ze voortdurend tegen God rebelleren. Ooievaars en zwaluwen volgen Gods wetten, maar Gods volk kent het recht van de HERE niet eens, terwijl ze er zoveel over gehoord hebben. Het is diep en diep treurig. Zelfs de profeten en de priesters - de voorgangers, de identificatiefiguren van Gods volk - plegen bedrog zonder blikken of blozen. Waarom? Waarom? God maakt gedane zaak: in de verte is de vijand al te horen. Alles wat hem in de weg staat, wordt door hem verslonden. Jeremia is in zak en as: "Niet te lenigen is mijn kommer, mijn hart is zo ziek!" Als je ziet hoe Gods volk met haar leiders steeds verder van God afraakt, dan raakt je dat tot in het diepst van je hart.

22 juni: Jeremia 9:1-15
Jeremia kan dag en nacht wel huilen. Hij zou wel willen weggaan, naar een bivak ergens in de woestijn, om al dat kwaad maar niet langer te hoeven aanzien. Juda blijft maar weigeren God te erkennen. Het gaat bij hen van kwaad tot erger. Het bedrog stapelt zich steeds meer op. "Zou Ik aan een volk als dit Mij niet wreken?" vraagt God zich af. Wat een vreselijke teleurstelling moet dit voor Hem zijn. Hij gaat ze verstrooien, omdat ze zich aan zijn wetten niet hebben gehouden, terwijl ze dat wel hadden beloofd. Er is geen andere oplossing.

23 juni: Jeremia 9:16-25
Hoor! Uit Sion klinken klaagzangen. De klaagvrouwen zingen met felle uithalen, de inwoners huilen tranen met tuiten. Het is alsof een tsunami huis gehouden heeft: het volk is weg, de huizen zijn verwoest. Het is overal dood en verderf. Dit zegt de HERE: "Wil iemand zich op iets beroemen, laat hij zich erop beroemen dat hij Mij kent." Eigen wijsheid, eigen kracht, eigen rijkdom, ja daaraan klemmen mensen zich altijd vast. Maar het is zinloos. Liefde, recht, gerechtigheid, die komen van niemand anders dan de HERE. Ben je besneden? Kind van God dus, met het teken van zijn verbond in/op je lichaam? Maar als je Hem niet erkent, redt jou dat niet, hoor. Je kunt naar de tempel gaan, Gods Woord aanhoren, besneden zijn, maar wanneer jouw leven haaks staat op Gods wil, dan ben je gewoon een 'onbesnedene'.

24 juni: Psalm 123
Een psalm voor onderweg, waarin je je afhankelijkheid van God belijdt. Gods volk is in nood. De dichter roept tot God om hulp (vgl Ps. 121): "Wees mij genadig, HEER!" Al tijden worden ze bespot en geminacht door eigenwijze opscheppers ("overmoedigen") en onverschillige ruzieschoppers ("hovaardigen"). "Geloof jij in God? Wat stom!" Ze worden gepest en uitgelachen. Hun huizen worden beklad en vernield, hun tuinen leeggeplunderd, hun vee gestolen. "Als God bestond, zou Hij dit toch wel voorkomen?" Het gaat maar door. Het is niet meer te verdragen: vandalisme, holocaust, tsunami, oorlog, ruzie, droogte.
En dan uit te spreken dat je je afhankelijk weet van de hand van God. Die hand van God is het symbool van zijn 'voorzienigheid' (zie HC 10: "Vaderhand"). Alles wat Hij je toedeelt in dit leven aan goed en kwaad, Hij doet het meewerken ten goede. De slaaf is volstrekt afhankelijk van de hand van zijn heer, de slavin van die van de meesteres. Wij leven onder de hand van God. Gelukkig maar. Want nu is het goed, wat er ook gebeurt. We zijn in veilige handen.

25 juni: Jeremia 10
Nou, nou, worden die even afgeserveerd! Schitterend zoals Jeremia in zijn profetie al die afgoden te kijk zet. Je kunt er toch niet bij dat Israël, het volk van de levende God, op die hele santekraam van stomme goden vertrouwde? Je neerbuigen voor een stuk versierd brandhout, je redding verwachten van een bewerkt stuk steen. Zie je jezelf al in aanbidding neervallen voor een vogelverschrikker tussen de komkommers? Om het uit te gieren toch? (vgl 1 Sam. 5 en 1 Kon. 18; lees of zing Ps. 115 en 135). Daarom: "Niemand is U gelijk, HERE! Groot bent U en groot is uw naam in kracht. Niemand is aan U gelijk, Koning van de volkeren." Al die goden: bespottelijke nullen! De HERE: de levende God, de Formeerder van alles. Zo, die zit! En als je het nu toch nog verwacht van die producten van je eigen fantasie, dan wacht je verstrooiing en verwoesting. Dan moet je het maar voelen: het geraas uit het Noorderland komt steeds dichterbij. Wat een prachtprofeet, die Jeremia: hij blijft pleiten voor Israel en bidt God dat Deze zich in zijn straf over Israel niet door Zijn boosheid laat meevoeren, maar door recht: "HERE, let toch ook op al die volken die U niet kennen en die uw volk verslinden. Want Israel is toch wel uw volk, ook al zijn ze nog zo ongehoorzaam!"

26 juni: Jeremia 11
Jeremia moet tot Gods volk spreken, met als thema de oproep: "Hoort naar mijn stem!" Waarom zouden zij dat moeten doen? Omdat Hij hun Vader is en zij zijn kinderen. Eeuwen geleden al heeft God zijn verbond met hen gesloten. Hij heeft er een eed bij gezworen. En Hij heeft zich altijd - echt altijd! - aan zijn beloften gehouden: van Egypte heeft Hij hen naar het beloofde land gebracht. Maar zij houden zich niet aan hún beloften. Ook nu doen ze dat niet. Zij hebben Gods verbond verbroken door andere goden te dienen. Ze willen zelfs Jeremia's profetie niet eens horen: "Profeteer niet in de naam van de HEER, of we maken je eigenhandig een kopje kleiner." Dat zal je maar gezegd worden. Het is de omgekeerde wereld: wie luistert naar God wordt de mond gesnoerd (Jeremia), wie zich tegen Hem verzet krijgt applaus (de hooligans van Anatot). Maar nu is het afgelopen: het onheil is over hen besloten. De olijfboom Juda - eerder fris groen en vol vrucht - zal veranderen in een door Gods bliksem getroffen dorre, kale stronk. Symbool van Gods straf.

27 juni: Jeremia 12
Bekende woorden! Lees maar Psalm 73. "Waarom is de weg van de goddelozen voorspoedig, en zijn zonder zorg allen die zich trouweloos gedragen?" Natuurlijk, God heeft het recht aan zijn kant, maar toch vraagt Jeremia zich af waarom hijzelf zo hard wordt aangepakt en al die opstandige volksgenoten, die hem kwaad willen doen, niet. Wat hemzelf betreft krijgt Jeremia van God te horen, dat dit nog maar het begin is: het zal nog veel erger worden. Zelfs zijn eigen familie zal hem laten vallen. Laat Jeremia zijn borst maar nat maken! En over Juda en Jeruzalem en ook over de buurvolken die het komen verwoesten zegt God, dat de boosdoeners hun straf echt niet zullen ontgaan. Maar er is ook ontferming, voor Juda en voor de volken: "daarna zal ik mij opnieuw over hen ontfermen en ieder naar zijn eigen land en eigen bezit laten terugkeren." Als ze maar wel belijden: "zo waar de HERE leeft." Laten al die volken dat van Gods volk leren. Ja, laat Gods volk nu eens het goede voorbeeld geven in plaats van de wereld na te apen. Dan komt voor de dood het leven in de plaats.

28 juni: Jeremia 13:1-14
Een serie van vijf waarschuwingen in de vorm van symbolische acties en gelijkenissen. Vandaag de eerste twee, in proza:
1 (1-11) Juda/Jeruzalem is als een prachtige gordel, gemaakt van linnen (priesterkleding > Gods volk een volk van priesters, vgl Ex. 19:6, 1 Petr 2:9). Deze gordel past precies om Gods middel. Werkelijk een sieraad, waarop de eigenaar trots is. Je hoort de verraste uitroepen:"He, wat heb jij een mooie riem om, zeg!" Maar de gordel is bedorven, ook al heeft de eigenaar hem goed bewaard op een droge plek. Hij is niet meer te gebruiken. Daarom: weg ermee, in de vuilnisbak.
2 (12-14) De inwoners van Juda/Jeruzalem, speciaal de leiders: een partij wijnflessen die allemaal gevuld worden met dronkenschap (wijn in z'n uitwerking). Dan worden die flessen tegen elkaar gesmeten: ze barsten in stukken uit elkaar. Zo slaat God zijn volk stuk, vaders en zonen, onverbiddelijk. Scherven brengen … ongeluk.

29 juni: Jeremia 13:15-27
Er volgen nog drie waarschuwingen, in dichtvorm:
3 (15-17) Denk aan een kudde geiten in de bergen. Ze willen maar niet wil doorlopen. Wanneer het dan donker wordt - en in het veld kan het echt aardedonker zijn - moet de herder bivak maken. Er zit niets anders op. Anders zou de kudde in het ravijn storten. Israel, kudde van God: kom tot inzicht en eer de HEER voordat Hij het donker laat worden. Anders zullen de tranen vloeien omdat de kudde verdwenen is.
4 (18-19) Voor de koning en zijn moeder (Jojachin en Nechusta, 597vChr?) is het uit: kom maar van jullie hoge troon af; jullie kroon - symbool van vorstelijke waardigheid - zal vallen. Hoezo? Nu, wat moet je nog met troon en kroon als er geen onderdanen meer zijn. Juda wordt in zijn geheel weggevoerd. En een koning zonder volk, dat is toch onzin?
5 (20-27) Jeremia spreekt tot Jeruzalem, de vrouw van God: Kijk daar komt je vriendje uit het noorden aan. Hij komt over je heersen, je uitkleden en te kijk zetten. Ja, dat komt nu van die ontelbare misstappen van je. Je bent onverbeterlijk, vergroeid met het kwaad: net als een neger die zijn vel niet van kleur kan laten veranderen, of als een panter die zijn vlekken niet kan weghalen. De HEER zegt: Je ben bent mij ontrouw geworden, Jeruzalem. Ikzelf zal je poedelnaakt uitkleden. Dan zullen ze allemaal je overspel en je hoererij zien. Hoe zou je ooit nog rein worden? Er is maar één mogelijkheid: "Wees mij genadig, HEER!" (Ps 123/124).

30 juni: Psalm 124
Nog een psalm voor onderweg: een pelgrimslied over bevrijding. Opnieuw spreekt Israel haar afhankelijkheid uit van God. En de kerk doet het nog elke keer, wanneer ze in eredienst bijeen komt: "Onze hulp is in de naam van de HEER, die hemel en aarde gemaakt heeft." Tegen een overmacht van vijanden die als een plotselinge tsunami over je heen komt, kan niemand op. Je bent reddeloos verloren. Behalve als de HEER je beschermt. Juist dat doet Hij: je was al gevangen in het net, maar Hij laat je ontsnappen. Een prachtig lied over verlossing: met Christus begraven door de doop in de dood, maar met Hem opgestaan tot een nieuw leven!

H. Venema, Onnen