Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-4, juli
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 juli: Jakobus 1
Jakobus, een broer van Jezus, schreef deze brief aan 'de twaalf stammen in de diaspora' (vs.1). Daarmee doelde hij op de joden-christenen die uit Jeruzalem en Judea gevlucht waren naar Samaria en SyriŽ (Hand.8:1; 11:19); dat was na de dood van Stefanus en in reactie op de vervolging die hierna losbarstte. Berooid als ze waren hadden ze het niet makkelijk; ook hadden ze te maken met rijke volksgenoten, die hen vaak slecht behandelden. Met z'n brief wil Jakobus z'n lezers daarom een hart onder de riem te steken. Maar hij is ook kritisch, want het christelijk geloof blijkt onvoldoende een stempel te zetten op hun gedrag. Jakobus' brief heeft hierdoor een praktische inhoud.
Hij begint met de opmerkelijke uitspraak: 'Het moet u tot grote blijdschap stemmen als u allerlei beproevingen ondergaat.' Als we dit tegenwoordig van een pastor te horen zouden krijgen, zouden we vast steigeren. Toch is het goed het van de apostel aan te nemen dat moeiten vormend kunnen zijn. Maar dan is het wel nodig dat we die moeiten in ons gebed aan God voorleggen. Dan begrijpen we ook dat God ons beproeft om ons vŤrder te brengen. Dat betekent meteen dat verlťidingen niet van God komen, want die zijn altijd destructief. Hoofdstuk 1 sluit af met een hoofdthema van de brief: ons geloof in Christus moet een tastbaar effect krijgen op ons gedrag.

2 juli: Jakobus 2:1-13
Ons geloof moet zichtbaar worden in ons gedrag. Daarvan geeft Jakobus een heel treffend voorbeeld: het kan zomaar voorkomen dat je bij een rijke in het gevlei wilt komen en dat je een arme negeert, tot in het kerkgebouw toe. Dat acht de apostel onbestaanbaar. Allereerst omdat God er niet van houdt dat we op het uiterlijk afgaan. Bovendien vergeten z'n lezers dan dat ze door hun voortrekken van de rijken soms heulen met de vijand, want de 'bonzen' die ze naar de ogen kijken zijn soms uitgerekend de mensen die zich ten koste van hen laten gelden. 'Trappen naar beneden en likken naar boven' heet dat tegenwoordig; zo hoor je niet met elkaar om te gaan. Waar God wel van houdt, is: barmhartig zijn; daardoor komen mensen en verhoudingen tot bloei.

3 juli: Jakobus 2:14-26
Geloof en handelen horen hand in hand te gaan (vs.22). Soms zien bijbellezers op dit punt een tegenstelling tussen Jakobus en Paulus. Immers, Paulus zegt in Rom.3:28: 'Een mens wordt vrijgesproken door te geloven en niet door de wet na te leven'; als voorbeeld haalt Paulus Abraham aan: God heeft hem niet op grond van zijn daden maar door zijn geloof rechtvaardig verklaard (Rom.4:2-5). Jakobus zegt het anders: 'Geloof zonder daden is nutteloos' (vs.20); volgens hem bewijst Abraham het dat iemand rechtvaardig wordt verklaard om wat hij doet en niet alleen om zijn geloof' (vs.24).
Bij nader inzien is hun tegenstrijdigheid maar schijn: Paulus benadrukt dat wij niet gered worden door onze prestaties maar door ons geloof. Jakobus benadrukt dat het geloof dat ons redt, wel een lťvend geloof moet zijn; het moet ook uit ons gedrag blŪjken dat we geloven. Ons geloof moet niet alleen een zaak van ons hoofd of onze mond zijn, maar van ons hart en onze handen. Anders gezegd: Jakobus zingt de lof op de vrucht van de Geest, waar trouwens ook Paulus enthousiast over is, Gal.5:22. Dus ťťn boodschap, maar een verschillend accent.

4 juli: Jakobus 3
Uit dit hoofstuk blijkt dat het er onder de eerste christenen bepaald niet harmonieus toeging. Dat idee heb je gauw: 'Toen, in het begin, was het allemaal paradijselijk in de kerk. Er was alleen maar liefde voor Christus en voor elkaar.' Nee dus: er was sprake van betweterigheid, kwaadsprekerij, jaloezie, egoÔsme. In beeldende taal waarschuwt Jakobus voor de destructieve macht van de tong. We zeggen wel eens 'schelden doet geen zeer', maar zo iemand heeft nog niks begrepen van een ander Nederlands gezegde: 'kwade tongen snijden scherper dan zwaarden'. Hoe vaak komt het niet voor dat mensen in de kreukels raken door vernietigende uitspraken die over hen zijn gedaan, misschien zelfs al in hun jeugd. Vandaar dat Jakobus ons aanspoort onze tong in toom te houden. Daar hoort ook bij dat we ons best moeten doen om ons te realiseren: 'Wat voor onbedoeld effect hebben mijn woorden misschien op de ander?' Daarnaast spoort Jakobus aan tot wijze zachtmoedigheid, met als slotuitspraak: 'waar in vrede wordt gezaaid, brengt gerechtigheid haar vruchten voort.'

5 juli: Jakobus 4
Soms komt misschien wel eens de gedachte bij ons op: 'Wat een vrede zou er heersen in de kerken als er geen (liturgische) veranderingen meer plaatsvonden.' Een ijdele gedachte, want al door de eerste christenen werd er fiks geruzied. Als oorzaak daarvoor wijst Jakobus niet op allerlei uiterlijke zaken maar op het innerlijk van z'n lezers. Gedoe in de kerk begint in ons hart. En vrede in de kerk begin met gehoorzaamheid aan de opdracht: 'Nader tot God, verneder u voor de Heer' (vs.8,10).
Ook kwaadsprekerij - een bekende protestantse hobby voor bij de koffie na de kerkdienst - was in de eerste tijd al aanwezig. Daartegen is ťťn recept: het besef dat alleen God als rechter het oordeel toekomt.
Dit hoofdstuk eindigt met de bekende 'Jacobitische voorwaarde' 'Deo volente' (D.V.): 'als de Heer het wil'. Daarmee bestrijdt Jacobus alle hoogmoed van mensen die denken dat zij de controle hebben over hun leven en plannen. Onzinnig, want hoe kwetsbaar zijn we niet. We moeten daarom altijd bedenken dat we over de hele linie altijd afhankelijk zijn van God. We leven en handelen bij zijn gratie.

6 juli: Jakobus 5
Dit hoofdstuk begint met een fel anti-kapitalistische aanklacht van de 'dikke', vermoedelijk joodse boeren uit die tijd, die zich verrijkten ten koste van hun joods-christelijke werknemers. Ze gaan hun ondergang tegemoet: 'U hebt uzelf vetgemest voor de slachttijd'. Mogelijk wordt hier gedoeld op de ondergang van het joodse land rond het jaar 70. Een bemoedigend bijbelgedeelte voor alle mensen die ook nu nog te lijden hebben onder wreed kapitalisme: God neemt dat hoog op.
Maar Jakobus vervolgt meteen met een anti-revolutionaire aansporing van de slachtoffers. Ze mogen niet het recht in eigen hand nemen, want ze moeten geduldig wachten op Christus ingrijpen bij zijn terugkeer. Dat valt niet mee, want we willen het geluk graag hier en nu, en het liefst helemaal. Jakobus leert ons accepteren dat het complete geluk pas komt bij Christus' terugkeer.
De brief sluit af met een passage over het gebed. Er wordt vaak getwist over de precieze betekenis en reikwijdte van dit bijbelgedeelte. Maar zoveel kan duidelijk zijn: in situaties van ziekte of van zonde moeten we de waarde van het gebed niet onderschatten. God kan ons vragen heel verrassend verhoren, zodat iemand toch weer beter wordt of toch tot inkeer komt. Geen wonder, we hebben in Christus immers te doen met Hem die over alle macht beschikt in de hemel en op de aarde.

7 juli: Psalm125
De gelovigen uit deze psalm lijden onder 'de scepter van het kwaad' (vs.3a). Daarbij valt te denken aan vijandige bezetters met hun heidense opvattingen en onrechtvaardige optreden. Hoe vaak heeft Gods volk niet zo'n situatie meegemaakt? Dan zijn er altijd overlopers, mensen die 'een dwaalweg gaan' (vs.5a), gelovigen die met de vijand heulen, met als argument: 'Nu deze bezetting een voldongen feit is, kun je je maar beter aanpassen: je wilt jezelf toch handhaven of zelfs vooruitkomen?' Voor ons, in een andere wereld, heel herkenbaar: 'Waarom zou ik nog geloven? Wat word ik daar wijzer van? Laat ik gewoon maar meedoen met de meerderheid die andere keuzes maakt.'
De dichter vraagt God dat die hem voor deze ontrouw bewaart. En hij is er gerust op, want wie op God vertrouwt, wie z'n toevlucht bij Christus zoekt, is onaantastbaar en bij Hem geborgen (vs.1-2). Daarom staat het voor deze 'oprechte van hart' vast: de verleiding van het kwaad zal niet blijvend zijn. Eens wordt de macht daarvan uitgeschakeld en zal er vrede zijn. God heeft nog veel voor ons in petto!

8 juli: 1 Johannes 1:1-2:11
Aan het einde van zijn leven, toen hij in Efeze woonde, richtte de apostel Johannes zich nog eenmaal tot de gelovigen in Klein-AziŽ. Een tijdje terug waren uit hun midden mensen vertrokken die er afwijkende ideeŽn op nahielden. Ze stonden negatief tegenover de geschapen wereld en konden het daarom niet aanvaarden dat Gods Zoon een echt mens was geworden (zie vooral 4:2-3). Zich daartegen afzettend begint Johannes z'n brief heel nadrukkelijk met: 'Wat wij gehoord hebben, wat onze eigen ogen gezien hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij' (1:1).
Zoals altijd stond ook deze dwaling niet op zichzelf. Met dat ze afbreuk deden aan de betekenis van Christus, verloren ze ook het zicht op de invloed van de zonde. Volgens hen konden gelovigen zondeloos leven: een gevaarlijke opvatting, want dan gebeurt het zomaar dat de zonde juist veel vat op je krijgt. Dit betekent niet dat Johannes pessimisme bepleit, wel nuchterheid: altijd blijven we last houden van de zonde. Tegelijk wijst de apostel op het perspectief: we kunnen met onze vraag om vergeving terecht bij de Vader, bij Christus, onze pleitbezorger. Maar wie verbonden leeft met Christus, het licht voor de wereld, zal zelf ook in het licht leven. Hij is gehoorzaam aan de geboden en geeft liefde.

9 juli: 1 Johannes 2:12-27
Johannes spoort z'n lezers aan God toegewijd te zijn en zich niet door het slechte in de wereld op sleeptouw te laten nemen. Hij realiseert zich dat ze het daarbij niet makkelijk zullen hebben, alleen al door het optreden van dwaalleraars. Hij betitelt die mensen hier als 'antichrist'. Een scherpe typering uit de mond van de apostel die verderop zo uitvoerig over de liefde schrijft. Daar kunnen wij wat van leren. Terecht letten we tegenwoordig vůůr alles op wat ons met andere christenen verbindt. Maar er zijn situaties dat je het niet mag verbloemen dat er een onoverbrugbare kloof gaapt tussen gelovigen.
Om te kunnen onderscheiden tussen waarheid en leugen zijn wij niet afhankelijk van deskundigen of geestelijken. Nee, zegt Johannes, jullie allemaal zijn door Christus' Geest gezalfd en zijn daardoor terzake kundig inzake de waarheid. Dus moeten we ons door niemand wat wijs te laten maken. Intussen moeten we nooit vergeten dat het geheim van onze weerbaarheid tegenover de leugen, de duisternis ligt in onze verbondenheid met Christus.

10 juli: 1 Johannes 2:28-3:10
Om z'n lezers ermee te helpen trouw te blijven, wijst Johannes met nadruk op hun unieke positie: dank zij Gods liefde zijn ze kinderen van God. Maar dan moeten ze ook in overeenstemming met hun positie leven, toegewijd aan Hem. En dan volgen die opmerkelijke woorden: 'Ieder die in Christus blijft, zondigt niet' (3:6). Kiest Johannes daarmee de kant van de dwaalleraars die hij in 1:8-10 zo scherp afwees? Hij bedoelt hiermee wat anders dan zij: wie verbonden is met Christus lťťft niet in zonde, kiťst daar niet voor. Natuurlijk, nooit lukt het een gelovige zich vrij te houden van de zonde, maar hij leeft niet in Úpstand tegen God. In Johannes' brief heeft de term 'zondigen' dus twee verschillende betekenissen; vroeger gebruikten we daarvoor deze uitdrukkingen:
- Liggen in zonde: dan ben je in het spraakgebruik van onze bijbelvertaling een echte zondaar, een volgeling van de duivel; dan leef je in de duisternis, hoeveel goede kanten je ook mag hebben. Je kunt daarvoor kiezen vanuit de gedachte dat de mogelijkheid tot vergeving je alle ruimte geeft er maar op los te zondigen; nee, zegt Johannes, wie dat doet, stapt in feite bij Christus vandaan.
- Vallen in zonde: dan ben je in het bijbels spraakgebruik nog geen zondaar, maar blijf je volgeling van Christus; dan leef je in het licht, hoeveel fouten je ook hebt en doet. De serieuze gelovige moet zich dus niet onzeker laten maken door de zonde, want wie 'valt in zonde' is daarmee de verbinding met Christus nog niet kwijt en kan voor vergeving bij Hem terecht.

11 juli: 1 Johannes 3:11-24
Hier schrijft Johannes uitvoerig over de noodzaak om de naaste in de gemeente lief te hebben. Die opdracht geeft hij in een situatie dat loyaliteit aan medechristenen allerlei problemen kan oproepen. Hij maakt er immers melding van dat de wereld-zonder-Christus de volgelingen van Christus haat. In zo'n situatie kun je toch beter je mede-christenen op een afstand houden, zelfs als die in de problemen zitten; in onze termen gesproken: je houdt je christelijk geloof beperkt tot je binnenkamer. Daarmee voorkom je een hoop gezeur van je niet-gelovige omgeving. Zo'n opstelling kan niet, verklaart Johannes. Nu je gedragen wordt door de liefde van God is het vanzelfsprekend dat je ook je mede-christenen je liefde toont, desnoods door je leven voor hen te geven. We zijn toch navolgers van Christus?! Hij heeft zijn leven voor de ander gegeven. Dan kunnen wij niet achterblijven. En gelukkig wil God met zijn Geest in ons werken zodat we ook in stŠŠt zijn tot deze daadwerkelijke liefde.

12 juli: 1 Johannes 4
Christenen moeten niet naÔef in de wereld staan. Het kan gebeuren dat je in eerste instantie diep onder de indruk bent van de gelovigheid van iemand, terwijl je later ontdekt dat diezelfde persoon er absoluut foute ideeŽn op nahoudt. Natuurlijk, we hoeven ons niet druk te maken over elk afwijkend idee. Maar soms ondergraven zogenaamd vrome mensen met hun ideeŽn de kern van het Evangelie; zulke mensen kunnen buitengewoon sympathiek aandoen terwijl ze in feite antichrist zijn. Het is erg lastig voor ons in confrontatie met mensen zo zwart-wit tussen leugen en waarheid te onderscheiden. Toch is het noodzakelijk in onze contacten met gelovigen er alert op te zijn of we al of niet gestimuleerd worden in onze verbondenheid met God. Want daar draait het om.
In dat verband gebruikt Johannes de uitdrukking: 'God is liefde'. Daarop is vaak gereageerd: 'Als God liefde is, waarom gebeurt er dan zoveel verschrikkelijks?' Die vraag is nooit afdoende te beantwoorden, want Gods bestuur is vaak ondoorgrondelijk; bovendien hebben de zonde van de mens en de haat van Satan daarin ook een plaats. Intussen wordt hier duidelijk hoe we zicht krijgen op Gods liefde: door naar Christus te kijken. Hij heeft met zijn plaatsvervangend lijden Gods liefde tastbaar gemaakt. Als we ons door deze goddelijke liefde-door-Christus gedragen weten, kijken we niet meer angstig naar Gods eindoordeel over ons. Integendeel, zijn liefde voor ons stimuleert ons tot liefde voor Hem. Maar daar hoort weer bij: onze liefde voor onze mede-gelovigen.

13 juli: 1 Johannes 5
Nog eens benadrukt Johannes dat we de mens Jezus als Gods Zoon moeten erkennen en dat we God en elkaar moeten liefhebben. Vervolgens wijst hij erop dat Jezus' leven op aarde bepaald is door water (zijn doop door Johannes, toen Hij zijn taak op zich nam) en door bloed (zijn dood door de kruisiging, toen hij zijn taak voltooide). Op die manier heeft God voor ons de weg gebaand naar het leven. Wie echt en blijvend wil leven, moet dan ook geloven in Christus, de weg en het leven. Van dat leven kunnen we nu al profiteren, want we kunnen ons tot God richten in het vertrouwen dat Hij naar ons luistert. Een geweldig geschenk: kleine, schuldige mensen mogen als kinderen omgaan met Hem die troont boven alles en ieder. Tot Hem kunnen we ook bidden voor mensen die dreigen af te haken.
Johannes sluit z'n brief af door weer over het thema zondigen te spreken: wie bij Christus hoort, zijn Vader echt kent, die staat niet aan de kant van de zonde. Dat neemt niet weg dat we wel op onze hoede moeten zijn, want we kunnen zomaar de band met God laten verslappen.

14 juli: 2-3 Johannes
In deze twee brieven noemt Johannes zich 'dŤ oudste' omdat hij de leidende oudste in zijn omgeving is en mogelijk ook omdat hij de laatste apostel is die nog in leven is.
De eerste brief is gericht tot 'de uitverkoren vrouw en haar kinderen'; daarmee doelt Johannes vast op de gemeente met haar leden. Hij spoort zijn lezers aan tot onderlinge liefde. Ook prijst hij hen omdat ze voor de waarheid, voor Christus blijven kiezen. Net als in 1 Joh. waarschuwt hij hen voor dwaalleraars die ontkennen dat Gods Zoon voluit mens is geworden. Ze moeten zulke antichristen niet eens de kans geven hun boodschap uit te dragen, want anders maken ze zichzelf medeplichtig aan de verspreiding van dwaalleer. Wij kunnen dit zo toepassen dat we goed moeten weten wat voor boeken we in huis halen en op wat voor sites we surfen. Wie op het gebied van lectuur en site-bezoek argeloos rijp en groen op zich af laat komen, kan zichzelf flink in de nesten werken.
Johannes' derde brief is gericht tot Gajus, een leidend lid van een huisgemeente. De apostel is er blij mee hoe toegewijd Gajus is aan de waarheid en hoe gastvrij hij is voor gelovigen op doorreis. Heel anders is Diotrefes, een ander leidend gemeentelid; die weigert gastvrij te zijn en probeert het gezag van Johannes onderuit te halen. Gajus moet zich daardoor niet van de wijs laten brengen, maar gewoon zijn eigen goede spoor blijven volgen.

15 juli: Judas
Judas, net als Jakobus een broer van Jezus, wil met zijn brief zijn joods-christelijke lezers oproepen trouw te blijven in de strijd voor het geloof. Onder hen zijn namelijk mensen naar voren gekomen die zich verzetten tegen het gezag van Christus en die zich goddeloos gedragen. Door verschillende momenten uit het Oude Testament op te halen maakt Judas duidelijk dat God ontrouw aan Hem hoog opneemt. Niemand moet denken dat hij z'n gang kan gaan omdat God toch niet reageert. Integendeel, zijn vroegere optreden tegen ontrouwe engelen en mensen bewijst dat God op een gegeven moment straffend ingrijpt. Daarom moeten de gelovigen zich door zulke mensen niet in verwarring laten brengen en dat temeer niet omdat ze voor hen al zijn gewaarschuwd door Christus en zijn apostelen.
Judas sluit zijn brief af met de aansporing te blijven bij het fundament van hun geloof: de leiding van de Geest, de liefde van God, Christus' barmhartigheid. Tegelijk moeten ze omzien naar mede-gelovigen die dreigen weg te dwalen. Overigens moet hun betrokkenheid bij deze mede-gelovigen er niet toe leiden dat ze ook maar iets met de zonde meegaan. Een leerzame brief die duidelijk maakt dat je in een gemeente niet altijd harmonieus met elkaar kunt omgaan: soms moeten harde dingen gezegd worden.

16 juli: Psalm126
Jaren en jaren hadden de joden in ballingschap geleefd: een verschrikkelijke tijd. Ze waren als het ware ondergedompeld in Gods boosheid. Maar nu zijn ze teruggekeerd. Er worden weer verzoenende offers gebracht; begonnen wordt met het herstel van de tempel en later van de muren. Iets van de oude glorie van Jeruzalem herleeft. Geen wonder dat dit lied begint met vreugdevolle dankbaarheid. Ze leven weer in Gods land en genieten Gods vergeving: haast te mooi om waar te zijn (vs.1-3). Ook wij hebben alle reden om enthousiast te zijn over wat God ons geeft: allereerst zijn liefde door Christus, maar daarnaast nog zoveel meer. We mogen immers leven in Vaders wereld en kunnen genieten van allerlei cadeaus die Hij ons geeft: relaties, materiŽle zaken, en noem maar op. Kortom: restanten van het paradijs.
Maar dan verandert de toon van de psalm. De dichter voelt pijn als hij let op wat er allemaal nog mankeert. Heel begrijpelijk, want de eerste tijd na hun terugkeer hebben Gods kinderen het niet makkelijk: ze moeten letterlijk ŗlles opbouwen, hun oogst mislukt, er zijn vijandige buren en wat zijn ze maar met een klein groepje. Al dat gemis roept bij de dichter een heftig verlangen op dat God zijn bevrijdend werk afmaakt (vs.4). Intussen heeft hij er alle vertrouwen in dat deze omslag gaat plaatsvinden: ze mogen nu nog in tranen zaaien, ze zullen met gejuich oogsten (vs.5-6).
Kijkend naar alle ellende in ons eigen leven en in de wereld om ons heen gaan ook wij haast automatisch verlangen naar de toekomst. Wat zal het mooi zijn als het nieuwe paradijs aanbreekt. Eens is het zo ver en kennen Gods kinderen geen huilen meer maar alleen gejuich.

C. van der Leest, Groningen-Oost

17 juli: Jeremia 14
Het koren op de akkers is dit jaar niet of nauwelijks opgekomen. Het gras in de weilanden wel, maar het is schraal en bruingeel. De kranten staan bol van de pessimistische berichten. Grote kans, dat een flink aantal boeren failliet zal gaan. Stel, dat zoiets ooit gebeurt. En ga er dan ook nog eens vanuit, dat vrijwel de hele economie op de landbouw en de veelteelt steunt.
In IsraŽl was dat laatste het geval. En al een paar jaar lang werd men geteisterd door grote droogte. Het was echt verschrikkelijk.
De profeet Jeremia maakt zich tot spreekbuis van zijn volk en hij spaart God niet. Wij herkennen daar wel wat in. Soms vragen ook wij ons af, of God wel echt bij ons betrokken is. En misschien is er ook wel eens iemand, die denkt dat God ook machteloos kan staan. Maar dat is in IsraŽl de oorzaak niet. God is gewoon ontzettend kwaad op zijn volk. Dat kan dus, dat je God heel erg kwaad maakt.

18 juli: Jeremia 15
Jeremia durft wel wat te zeggen tegen God. "U hebt mij teleurgesteld als een beek die drooggevallen is." Het is hoogzomer en je bent al lange tijd onderweg. Je dorst is hevig.
Maar gelukkig, straks kom je bij een beek waar altijd water in zit. Nog een paar stappen en je ziet de beek al vůůr je liggen. Niet te geloven: de beek is droog! En daarmee vergelijkt Jeremia God.
Wij proberen in ons gebed altijd netjes te blijven. We zullen zelden schelden op de Schepper.
Misschien doen we het toch wel, diep in ons hart.
God laat Jeremia uitspreken. Maar daarna zegt Hij wel, wat Hij ervan vindt. "Als je bij mij terugkeert en ik je aanneem, zul je mij weer dienen. Als je waardige woorden spreekt, niets onwaardigs, zul je weer mijn zegsman zijn. Laat dit volk zich naar jou richten, jij mag je niet richten naar hen."
Het is goed om eerlijk te zijn, zelfs, ja juist, tegenover God. Hij weet natuurlijk ook best, wat wij denken. Maar God is ook eerlijk.

19 juli: Jeremia 16
Een profeet die niet trouwt en geen kinderen krijgt, dat is in IsraŽl, zeker in Jeremia' s tijd, ongehoord. Het wekt opzien. Er worden vragen gesteld. 'Beste Jeremia, waarom doe jij zo?'
De reden is duidelijk. Over niet al te lange tijd zullen de kinderen in IsraŽl bij massa's sterven. Zoveel zelfs, dat er geen beginnen aan is om ze te begraven. Trouwens, veel volwassenen die hen kunnen begraven zullen er ook niet zijn.
Je kunt je dan wel iets voorstellen bij dat verbod dat God aan Jeremia geeft.
Aan de andere kant: hoelang duurt het nog voordat het onheil daar is? En is het echt zeker, dat de kinderen van Jeremia dan bij de doden zullen zijn?
Belangrijk is natuurlijk vooral, dat Jeremia fungeert als een levend symbool. Maar je zult dat maar moeten zijn! Profeet zijn is geen eenvoudige roeping.
Ook wij gaan wel eens onder een opdracht gebukt. Dat hoort er dan bij. God kan je ook een moeilijke taak geven. Maar Hij vertrouwt er dan dus ook op, dat je het kunt.

20 juli: Jeremia 17
In hoeverre lijkt onze op de Joodse sabbat? Daar wordt verschillend over gedacht.
In het IsraŽl van Jeremia was er van verschil van inzicht geen sprake. 'De sabbat is de heilige dag van de Heer. Op die dag werk je niet en je koopt en verkoopt niet.' Maar dat wilde niet zeggen, dat men zich er ook aan hield. Als de betekenis van de vast staat, betekent dat dus nog niet dat alle problemen zijn opgelost.
Wat vandaag betreft zou ik zeggen: 'Maak, in biddend opzien tot God, je keus. Kies onder leiding van Woord en Geest, hoe je de in wilt vullen. Maar houd je daar dan ook aan. Want in feite maakte je een afspraak met God. En of je zoiets nu een gebod wilt noemen of niet, het gaat om Hťm. Hij is niet zomaar iemand.

21 juli: Psalm 127
"Als de Heer het huis niet bouwt, vergeefs zwoegen de bouwers; als de Heer de stad niet bewaakt, vergeefs doet de wachter zijn ronde." Maar wie bouwt er nu, de bouwvakkers of God? En wie let er nu op of alles veilig is, doen de stadswachten dat of de Heer God?
Voor een IsraŽliet is dat geen vraag. Overdag steekt hij de handen uit de mouwen en voor de nacht regelt men met elkaar, dat er voldoende goede wachters zijn. Tegelijk weet men zich afhankelijk van God. Dat huis, het komt van Hem. En dat je gegarandeerd veilig bent, dat heb je ook aan Hem te danken. Een lied om van harte mee te zingen! En hoe de verhouding ligt tussen wat God doet en wat wij doen: och, is dat nu zo belangrijk?

22 juli: Jeremia 18
Sommige predikanten zijn goed in het geven van aanschouwelijk onderwijs. Zelfs de volwassenen vergeten het niet gauw.
Maar God doet er ook aan. Hij stuurt Jeremia naar een pottenbakker toe. Pas als Jeremia ter plekke is, steekt de Heer van wal.
God vergelijkt zijn volk, maar ook ieder ander volk, met een pottenbakkerskruik. Hij is natuurlijk ook de machtige Schepper. Hij mag, ook met ons, doen wat Hij wil.
Betekent dat nu, dat God willekeurig is, dat er in wat Hij doet geen lijn zit?
Lees in vs. 8 en vs. 10: "maar als dat volk met zijn kwalijke praktijken breekt, dan zie ik af van het onheil waarmee ik het wilde treffen" en "maar luistert dat volk daarna niet naar mij en doet het wat slecht is in mijn ogen, dan zie ik af van al het goede dat ik had beloofd te doen."
God is niet willekeurig, maar eerlijk. Maar Hij is ook niet partijdig. Als Gods volk er dus niets van maakt, kan echt het moment komen dat het afgelopen is. Hij is de machtige en alleen maar verantwoording schuldig aan zichzelf.

23 juli: Jeremia 19
In het Hinnom-dal gooit de profeet Jeremia, in aanwezigheid van enkele oudsten en priesters, een aarden kruik met kracht op de grond. De kruik breekt aan stukken en de scherven vliegen alle kanten uit. De nabije poort wordt nog lang daarna de Schervenpoort genoemd.
Het is even stil. Dan klinkt de stem van de profeet: "Dit zegt de Heer van de hemelse machten: 'Zo zal ik dit volk en deze stad stukslaan. Zo zal ik Tofet treffen. Omdat er nergens anders plaats meer is, zullen ze hun doden zelfs in dit dal begraven.'"
Tofet: in dat dal werden kinderoffers aan de god Moloch gebracht. Je moet soms wat doen om de aandacht van een afgod te trekken, zoals vandaag zoveel mensen onmenselijke offers brengen aan de god die CarriŤre heet. Maar het is duidelijk, wat God daarvan vindt.

24 juli: Jeremia 20
Profeet zijn is een gevaarlijk beroep. Zo bevindt Jeremia zich op een dag opeens in een cel van de hoge Benjaminpoort, een stadspoort die dichtbij de tempel staat. Zijn voeten zitten in het blok. Daar zit hij letterlijk vast. Het zal je maar overkomen.
De volgende dag komt Paschur, de priester die hem heeft laten opsluiten, hem persoonlijk bevrijden. Gelukkig. Die ellende is voorbij. Maar Jeremia is niet op z'n mondje gevallen. 'De Heer noemt jou niet langer Paschur', zo zegt de profeet,'maar Magor-Missabib.' Dat is Hebreeuws en het betekent 'overal paniek.' Je moet maar lef hebben als profeet. Is het niet wat onvoorzichtig?
Natuurlijk hoeven wij Jeremia niet na te doen. God vertelt ons in de bijbel niet allereerst over het lot van zijn profeten met de bedoeling, dat wij hen zullen imiteren. Maar leren kunnen we er natuurlijk wel van. Tactisch zijn is nog iets anders dan bang zijn. En bang moet je niet zijn, als je een goed instrument wilt zijn van God.

25 juli: Jeremia 21
'Wie de stad verlaat en zich overgeeft aan de Chaldese belegeraars zal zijn leven behouden.'
Dat is een gevaarlijke uitspraak. Zeker, als je stad al even belegerd is. Dan komt het erop aan. Interne zwakheid kun je dan niet dulden. Zo'n uitspraak als van Jeremia kan hem zijn leven kosten. Zeker als je let op wat die beide koninklijke gezanten tegen hem zeggen: 'Wij willen u vragen de Heer voor ons te raadplegen. Misschien zal hij opnieuw wonderdaden verrichten en zal de vijand het beleg opbreken.'
Jeremia praat ze niet naar de mond. Je kunt als christen teveel zware woorden gebruiken. Dan doe je tekort aan de glans van het evangelie. Maar als er voor een ernstig woord reden bestaat, moet je het niet nalaten.

26 juli: Jeremia 22: 1-12
Het ziet er voor Jeruzalem niet best uit. Het duurt niet lang meer, dan zal deze stad een puinhoop zijn. Het zal de mensen die eraan voorbijtrekken, opvallen. Misschien hebt u het zelf wel eens gezien, zo'n ontluisterde stad. Onwillekeurig vraag je jezelf af, wat daar in vredesnaam gebeurd is.
In de tijd van Jeremia denkt men op zo'n moment ook aan de God van IsraŽl. Blijkbaar heeft deze God zijn stad in de steek gelaten. Anders was dit niet gebeurd. Daar moet Hij dan ook wel een reden voor hebben gehad. Welke?
Dat de mensen van Juda het verbond met hun God verbroken hebben, dat ze hebben neergeknield voor andere goden en die vereerd. DŠt is de reden.
Het verbond met je God verbreken: dat kun je vandaag ook en dat moet je dus nooit doen.

27 juli: Jeremia 22: 13-30
In Juda maakt men zich schuldig aan afgoderij. Met andere goden steekt men God de ogen uit. Maar de koningen gaan zich bovendien aan vreselijke corruptie te buiten. Stuk voor stuk krijgen ze hun loon. Sallum, oftewel Joahaz, zoon van Josia nog wel, wordt weggevoerd naar Egypte. Het is erg om in de vreemde te sterven. Dat wil niemand. Het overkomt hem. Wat er met Jojakim is gebeurd, is niet zeker. Mogelijk heeft zijn lijk, gehaat als hij was bij het volk, een tijd lang onbegraven gelegen buiten de poorten van Jeruzalem. Jojachin tenslotte zal samen met zijn invloedrijke moeder en al de leiders van het volk op transport gaan naar Babel. Dat is allemaal nog eens wat anders dan een plechtige uitvaartdienst in de Nieuwe Kerk in Delft.

28 juli: Jeremia 23: 1-22
Ook in zijn tijd wist Jeremia al, dat er ooit iemand komen zou die wel een prima koning zou zijn. God had het hem verteld en hij vertelde het weer door. "De dag zal komen - spreekt de Heer - dat ik aan Davids stam een rechtmatige telg laat ontspruiten, die als koning een wijs beleid zal voeren en die in het land recht en gerechtigheid zal handhaven." Wij weten inmiddels wie dat is, Jezus!
Natuurlijk heeft dit niet als bedoeling om al het slechte dat de koningen in IsraŽl deden, trouwens ook wat leiders vandaag doen, te relativeren. Zo van: mensen zijn natuurlijk slecht, maar gelukkig hebben we ook nog een goede koning, Jezus. Want zo natuurlijk is het niet, dat mensen slecht zijn. Maar als je veel moeite hebt met het slechte om je heen ťn in jezelf, is dit wel een geruststelling. Gelukkig, er is ťťn koning die alles goed doet.

29 juli: Jeremia 23: 23-40
'Welke last geeft de Heer ons met zijn woorden te dragen?' Met deze spottende woorden werd Jeremia vaak benaderd. Het was een ironische woordspeling. Het Hebreeuwse woord voor 'Godsspraak' is namelijk hetzelfde als het woord dat 'last' betekent.
Als je iemand niet mag, kun je dat wel eens laten blijken door hem na te bauwen. Nu moet je dat bij mensen niet doen, maar zeker niet als het om God gaat. God verdient ons heilig respect.
God laat ook niet met zich spotten. 'Jullie zelf zijn die last', zegt de Heer, 'maar ik zal jullie afwerpen.'

30 juli: Jeremia 24
Je zult maar met een mand met bedorven vijgen worden vergeleken, of, wat Hollandser, met een mand met rotte appels. En dat ook nog 'en plein publique'. In Jeruzalem werden ze door Jeremia op het tempelplein neergezet.
Maar het bijzondere was, dat met de bedorven vijgen juist hen werden bedoeld van wie men dat niet verwachtte. De mensen die waren weggevoerd: ja, juist aan hen zou je denken als het om bedorven vijgen ging. Maar het was juist andersom.
Verkijk je niet op de werkelijkheid. Als het iemand uiterlijk goed gaat, wil dat nog niet zeggen dat God hem of haar ook zegent.

31 juli: Psalm 128
"Je vrouw als een vruchtbare wijnstok in het midden van je huis, je kinderen als jonge olijfbomen in een kring om je tafel." Het is dat het in de bijbel staat, maar het klinkt ons vreemd in de oren. En als we Psalm 128 zingen, slaan we vers 2 maar over. Alsof een vrouw er alleen maar is om kinderen te baren. En dan zijn er ook nog vrouwen, die geen kinderen krijgen kunnen. Inderdaad. Best moeilijk.
En toch: het is wel heel mooi, een zwangere vrouw, een echo waarop je het kind al zien kunt, kinderen aan de etenstafel. Al zijn het er niet zoveel als het er in IsraŽl vaak waren, de Schepper is nog steeds een goede Schepper en als het gaat om het ter wereld brengen van kinderen, dan is er allereerst reden om aandacht te geven aan de vrouw en moeder. 'Wat een prachtig stel kinderen heb je!' Maar daarna mag natuurlijk ook de vader worden genoemd.

T. S. Huttenga, studentenpredikant Groningen