Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-4, februari
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 februari: Johannes 21:1-14
Vissers moeten vissers van mensen worden. Een stukje vroeger onderwijs van Jezus (Luc.5:5) wordt voor zijn discipelen herhaald, zij het dat alles nu staat in het kader van Jezusī volbrachte werk. Het net tot barstens toe vol: teken en zegel van de Geest die komt en die mensen in het net van Jezus zal brengen door de verkondiging van Zijn dood en opstanding. Petrus trekt (ongewild?) toch weer teveel de aandacht naar zichzelf toe. Een mens ver-andert zomaar niet.

2 februari: Johannes 21:15-25
Petrus, die al weer haantje de voorste geworden is, moet toch eerst nog eens die vroegere haan horen kraaien, die van zijn drievoudige verloochening. Petrus krijgt er tranen van in zīn ogen. Toch is het zo bevrijdend, en dat voor het oog van alle discipelen: dat de Here mij enkel en alleen afrekent op het feit of ik Hem liefheb. Want dat vraagt Jezus aan Petrus en het antwoord op die vraag mag zijn verloochening stillen. Natuurlijk hou ik van deze Heiland, hoeveel zonden van mij daar ook tegen in te brengen zijn. Wie Christus liefheeft mag met zijn zondige aard, waarmee hij zīn hele leven lang strijd heeft, mee om de netten van Christus te vullen. Daarbij neemt God jou in dienst, met jouw aard, jouw karakter, jouw weg, jouw zonden ook. Johannes is geen Petrus en Petrus geen Johannes. Dat gaat zijn Heer aan. We zouden elkaar es minder moeten beoordelen, en meer moeten stimuleren tot liefde, tot het liefhebben van Christus. Die liefde is namelijk in geen boekenrij te omvatten, zo groot, zo diep, zo lang, zo breed. De gemeente van Christus is als het goed is er een klein beetje een bibliotheek van (Ef.3:18,19!), als we elkaar tenminste niet de maat nemen, maar met elkaar proberen de maat van Christus liefde te nemen en die uit te stralen.

M.A.Dronkers, Helpman

3 februari: Handelingen 1
Nadat hij in 'zijn' evangelie het optreden van Jezus heeft beschreven, vervolgt Lucas hier zijn verhaal. Wij noe-men dit boek 'Handelingen van de apostelen', maar in feite gaat Lucas gewoon verder met zijn beschrijving van de handelingen van Jťzus, maar nu zoals Jezus actief is vanuit de hemel en via zijn apostelen.
Bij zijn vertrek is Jezus' opdracht duidelijk: het evangelie moet uitgedragen worden 'in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde.' En dat is precies zoals het gegaan is, want dank zij Christus' be-stuur vanuit de hemel hebben zijn apostelen allereerst Jeruzalem het evangelie laten horen (hoofdstuk 2-7); door de vervolging die dan tegen de gemeente losbreekt, bereikt het evangelie ook Samaria en Judea (hoofdstuk 8-12), waarna algauw de grenzen van Palestina worden overschreden (11:19-30 en 13-28). Het boek sluit af met de woorden dat Paulus in Rome het evangelie doorgaf 'zonder dat hem iets in de weg werd gelegd' (28:31).
Dit dynamische optreden van de apostelen was alleen mogelijk doordat Christus hen zijn Geest wilde geven (1:8) en doordat Hij hen eerder ooggetuige had gemaakt van zijn leven op aarde (de voorwaarde om apostel te kunnen zijn, 1:21-22).
Door deze inzet van niemand minder dan Christus zelf heeft het evangelie ook Groningen bereikt. En nog steeds handelt Christus wereldwijd. We zijn bevoorrecht met zo'n Heer.

4 februari: Handelingen 2:1-21
De apostelen hadden als mens allerlei kwaliteiten, maar ze konden hun taak alleen aan door de kracht van Chris-tus' Geest. Daarom werd die Geest-kracht op de pinksterdag royaal aan Christus' volgelingen geschonken. Dat ging samen met een ongekend wonder: ze spraken een grote verscheidenheid aan talen, waardoor de toege-stroomde mensen in hun můedertaal van Gods grote daden hoorden. Door dit wonder bewees Jezus dat Hij leeft en naast God op de troon zit; ook riep Hij hierdoor de mensen op hun redding bij Hem te zoeken; ten slotte maakte Hij duidelijk dat Hij met het evangelie de hele wereld wil bereiken. Vandaar dat dit pinksterwonder in het boek Handelingen herhaald wordt als er een volgende stap gezet wordt, de wereld in: in Samaria 8:17; bij Cornelius, 10:44-47; in Efeze, 19:6. Zonder Christus en zijn Geest zijn we als christen nergens.

5 februari: Handelingen 2:22-47
We denken gauw dat het op het pinksterfeest om de Geest gaat, maar Petrus wees in zijn toespraak erop dat we in de Geest met Christus te doen hebben. Hij hoort centraal te staan in ons geloof en in ons leven. Dat hebben zijn toehoorders goed begrepen: 'Hoe kunnen wij nog gered worden, nu wij deze Jezus hebben laten kruisigen?' Petrus' antwoord hierop is zo eenvoudig als wat: ze moesten het van Jezus verwachten en zich door de doop met Hem laten verbinden; dan zouden ze vergeving ontvangen en zou de Geest ook over hen vaardig worden. Ze hoefden zich dus niet via ingewikkelde en langdurige rituelen laten inwijden in allerlei geheimen; ook hoefden ze geen lange weg te bewandelen van ascese en andere oefeningen. Ze hoefden zich alleen aan Christus vast te klampen en als bedelaars hun handen op te houden. Zo makkelijk is het evangelie, maar tegelijk: zo moeilijk, want daarmee doen we afstand van de drang onszelf te willen redden.
Die pinksterdag groeide de kleine groep volgelingen uit tot een massale gemeente, met als kenmerken: trouw aan het apostolisch onderwijs, toegewijd in het bidden en royaal tegenover wie hulp nodig hadden, en dat alles ge-drenkt in vreugde. Is dat ook het beeld van onze gemeente?

6 februari: Handelingen 3
Dat Petrus en Johannes naar de tempel gingen voor het middaggebed, was niet alleen omdat ze daar toehoorders konden vinden. In de begintijd sloten de christenen aan bij wat ze tot dan toe als gelovigen gewoon waren. Zo bleef ook Luther aanvankelijk preken in zijn monnikspij en hield hij allerlei rooms-katholieke gebruiken aan. Reformatie is altijd wat anders dan revolutie. Het is waar, het doet radicaler aan om ineens en compleet met het oude te breken. Maar daarmee stoot je mensen af die meer tijd nodig hebben. Gelukkig gunt God ons een groei-proces. Natuurlijk mag dat nooit een smoes zijn om keuzes te ontwijken en slapheid goed te praten.
In de tempel genazen ze met een beroep op Jezus een verlamde. Daarmee bewezen ze die ene persoon een ge-weldige dienst. Tegelijk gaven ze daarmee aan dat de vermoorde Jezus weer leefde en zich op aarde liet gelden. Ook gaven ze een voorproef waar het in Christus' plannen uiteindelijk op uitdraait: een nieuwe wereld waarin geen dood en verderf meer voorkomt. In zijn toespraak lichtte Petrus dit alles uitgebreid toe. Er kon zo geen misverstand over bestaan: zijn toehoorders moesten bij Christus vergeving zoeken; dan zouden zij, net als die genezen man, gezegend worden. Deze oproep is niet veranderd: zoek uw houvast bij Christus en vind zo het le-ven!

7 februari: Handelingen 4:1-22
Ondanks alle eenheid en liefde was ook toen het kerkelijk leven allerminst paradijselijk. Er waren dreigingen van binnenuit, blijkt uit Hand.5a en 6a, en er waren dreigingen van buitenaf, blijkt uit dit hoofdstuk. Hoe enthousiast de meeste mensen ook waren over het optreden van Petrus en Johannes, de joodse leiders voelden zich onge-makkelijk. Met de terechtstelling van Jezus meenden ze van Hem af te zijn, en nu werden in de naam van die-zelfde Jezus toespraken gehouden, tot op het tempelplein; ook werden in zijn naam mensen gedoopt en genezen. Dat moest afgelopen zijn. Ze zouden die plattelanders eens flink intimideren; dan zouden ze wel voorgoed in hun schulp kruipen. Maar ze kregen te doen met de kracht van Jezus' Geest. Want in plaats dat deze GalileŽrs zich lieten overdonderen door de hoge heren, droegen ze enthousiast de boodschap uit van redding door hun Heer. Je-zus had hen dat al aangekondigd: 'Als jullie voorgeleid worden, vraag je dan niet bezorgd af hoe je moet spreken. Het wordt je ingegeven' (Mat.10:18-20).
Overigens gaf God hiermee gehoor aan het gebed van zijn Zoon op Golgota: 'Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.' Bij deze gelegenheid kregen de leiders een herkansing om zich alsnog door Jezus te laten ge-zeggen. Maar ze weigerden zich gewonnen te geven en zetten de apostelen onder druk om voortaan hun mond te houden. Voor niets, want alleen al die genezen man was een tastbare reclame voor de kern van de apostolische boodschap dat Jezus leeft.

8 februari: Handelingen 4:23-37
Vrijgelaten realiseerden Petrus en Johannes zich dat ze niet door hun eigen welsprekendheid de dans waren ont-sprongen. Samen met de gemeente richtten ze zich in gebed tot God. Bij Hem zochten ze bescherming tegen de krachten die zo dreigend op hen afkwamen. Ook vroegen ze Hem om hulp, zodat ze het aandurfden om door te gaan met het uitdragen van de boodschap. In antwoord op hun gebed liet God hun plaats van samenkomst trillen en hen volschieten met de Geest. Daardoor geruggesteund gingen ze onverdroten door.
En dan volgt een tekening van de eerste gemeente die ons met weemoed vervult: wat een eendracht, wat een vergaande onderlinge hulp, wat een werfkracht. Dat is ook zo. Maar blijkens het vervolg valt er meer te zeggen. Intussen maakt dit bijbelgedeelte duidelijk waar het geheim ligt van effectieve gemeenteopbouw. Dat geheim vinden we niet allereerst in bepaalde modellen, vormen, acties. Wat in dit gedeelte naar voren komt, is: gebed, dus: je afhankelijk weten van God, maar ook: invloed van de Geest, warmlopen voor het evangelie, hart hebben voor elkaar. Daar hoort elke inzet voor gemeenteopbouw mee te beginnen.

9 februari: Psalm 112
Deze psalm biedt een uitwerking van het slot van Ps.111: 'Het begin van wijsheid is ontzag voor de Heer' (111:10), want deze psalm geeft aan wat een op-God-gericht leven concreet inhoudt. Opmerkelijk is ook dit: wat in Ps.111 over God gezegd wordt, wordt in Ps.112 over de gelovige gezegd, vergelijk 111:3b met 112:3b,9b en ook 111:5a met 112:9a. Deze dubbele parallellie vormt de sleutel voor het verstaan van Ps.112. Neem nou die rechtvaardigheid die voor altijd stand houdt (vs.3b,9b). Wat zien we daarvan in onze werkelijkheid? We zien juist dat die rechtvaardigheid vaak verwaait in de wind of in elk geval weinig of niks oplevert. En toch spreekt de dichter heel stellig, want hij vertrouwt erop dat God garant staat voor het werk van zijn kinderen: omdat zijn rechtvaardigheid zich doorzet, dŠŠrom draagt onze rechtvaardigheid vrucht.
Neem ook die andere uitspraak over de gulheid van de gelovige. De parallel met Ps.111 maakt duidelijk dat hier beslist geen sprake is van parmantigheid: 'Zie ons eens christelijk zijn'. Onze gulheid vindt z'n ontstaan in Gods royaliteit; het is dus door zijn Geest dat wij hart voor de ander hebben.
Als we Ps.112 zo lezen is het geen lied meer waarin een gelovige trots de kwaliteiten van zijn soort bezingt, maar waarin hij hoog opgeeft van wat God in het leven van zijn kinderen tot stand brengt. Het is waar, soms zien we daar niet zo veel van (vs. 6 en vs.10c bijv. kloppen vaak niet), maar uiteindelijk is het waar: met God leven is een goed leven. Vandaar dat de psalm begint met 'halleluja': God zij geloofd.

10 februari: Handelingen 5:1-16
De paradijselijke sfeer in de gemeente, getekend in het slot van hoofdstuk 4, wordt door het optreden van Ana-nias en Saffira verstoord. Ze hadden een stuk land verkocht, maar anders dan iemand als Barnabas (4:37) vol-stonden ze ermee een dťťl van de opbrengst ter beschikking van de armen te stellen. Dat was hun goed recht, blijkt uit Petrus' reactie. Maar ze deden net alsof ze de hťle opbrengst afstonden. Daarmee maakten ze voor de mensen wel goede sier, maar bedrogen ze God en zijn Geest. Het gevolg was fataal: beiden stierven ze. Hard? Inderdaad, maar de zonde was ook erg. En God wilde eens voor altijd duidelijk maken dat Hij ontrouw aan Hem hoog opneemt. We zijn dus gewaarschuwd. Doordat nu Gods reactie meestal uitblijft, kunnen we denken dat het met Gods straf wel losloopt. Het verhaal over Ananias en Saffira bindt ons op het hart: we moeten goed weten hoe wij ons in de gemeente en tegenover God opstellen: we zondigen nooit goedkoop; eens vindt de confrontatie met God plaats, onontwijkbaar.
Doordat God zo duidelijk de grenzen van de kerk had aangegeven, hielden de apostelen de ruimte voor hun he-lende en missionaire werk, met alle werfkracht van dien. Trouw zijn aan wat God opdraagt of ook verbiedt, lijkt tactisch niet aantrekkelijk, maar blijkt uiteindelijk dienstbaar aan gemeenteopbouw.

11 februari: Handelingen 5:17-42
De invloed van de apostelen werd de leiders te gortig. Ze besloten drastisch in te grijpen. Maar God zorgde er-voor dat de apostelen ongehinderd de gevangenis uit konden en hun missionaire werk konden voortzetten. In plaats dat de leiders hierdoor tot bezinning kwamen, lieten ze de apostelen ophalen om zich te verantwoorden. Die hadden ťťn onweerlegbaar tegenargument: 'Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen'; bovendien: ze konden niet om het feit heen dat Jezus leefde. Goede raad was duur, te meer omdat de massa kennelijk op de hand was van de apostelen. GamaliŽl, Paulus' leermeester, kwam met een advies: 'We moeten gewoon afwach-ten. Deze Jezus-beweging was Úf een mensenzaak en zou dan vanzelf een keer verlopen; Úf die was Gods zaak en dan konden en mochten ze die niet vernietigen.' Ogenschijnlijk heel wijs, maar daarmee weigerde de Gamali-el kleur te bekennen. De andere leiders gingen hierin mee, maar in feite kozen ze toch, want ze lieten de aposte-len geselen en legden hun een spreekverbod op.
En de apostelen? In plaats dat ze gedeprimeerd waren door deze tegenslag,, waren ze vol vreugde, want ze von-den het een voorrecht dat ze voor Jezus hadden mogen lijden; ook voelden ze zich gesterkt om gewoon door te gaan: hun hart was zo vol van het evangelie dat hun mond er wel van over můest lopen.

12 februari: Handelingen 6:1-7:16
We zijn gauw wat schrikkerig als er ruzie in de kerk ontstaat en al helemaal als de kerk door leidende personen uit de samenleving vijandig behandeld wordt. Uit dit hoofdstuk blijkt dat we daar niet vreemd van moeten opkij-ken. Vanaf het begin heeft de kerk hiermee te maken gehad.
Allereerst wordt verteld dat er onlust ontstond omdat de weduwen uit de Griekstalige groep bij de dagelijkse on-dersteuning achtergesteld werden. Bedoeld zal zijn dat zij te weinig ingeschakeld werden bij het diaconale werk. Door toedoen van de (vooral Arameestalige) apostelen werden toen zeven Griekstalige mannen aangesteld die het evenwicht in de leiding moesten herstellen. Deze zeven waren dan ook niet de eerste diakenen (zoals vaak wordt gedacht); ze traden vooral als predikers op maar moesten kennelijk er ook voor zorgen dat de Griekstalige weduwen ingeschakeld werden. Van dit eerste kerkelijke conflict valt dus veel te leren: leiders moeten delegeren en ze moeten rekening houden met de verschillende groepen in de kerk. Stefanus, een van de zeven, preekte zo aanstekelijk dat de joodse leiders hem als een gevaar begonnen te zien. De flansten een valse aanklacht in elkaar en daagden hem voor de Sanhedrin. Dat gaf hem de mogelijkheid de leiders nog ťťn keer te confronteren met Gods liefde door Christus, zoals die in het Oude Testament al zichtbaar was geworden. Zo is God: Hij zet altijd alles op alles om mensen met het evangelie te bereiken. Hoe reageren we daarop?

13 februari: Handelingen 7:17-43
Stefanus verhaalde hoe veel voorrechten God telkens weer aan zijn volk heeft gegeven. Daardoor werd hun structurele ondankbaarheid tegenover God extra pijnlijk. Neem nou IsraŽl uit Mozes' tijd. Wat hadden ze veel van God gekregen, maar wat was typerend aan hen: hun koppigheid. Hoeveel moeite had God niet moeten doen om ze achter Mozes aan te krijgen. En toen ze eenmaal in de woestijn waren, barstten ze telkens in gejammer en gemopper uit. In Kanašn aangekomen gaven ze zich telkens af met afgoden en weigerden ze te luisteren naar de waarschuwingen van de profeten. Dat is kennelijk een zwak punt bij Gods kinderen: dat ze te weinig oog hebben voor wat God hun allemaal geeft. We hebben vaak zo onze eigen wensenlijst en als God daaraan niet voldoet, hebben we niks meer met Hem, hoe veel liefde Hij ons ook bewijst. Het is goed telkens kritisch naar onszelf te kijken, hoe wij omgaan met Gods geschenken aan ons.

14 februari: Handelingen 7:44-8:3
Stefanus sloot zijn historische verhaal af met de toepassing: 'In feite zijn jullie geen haar beter dan jullie voorou-ders.' In plaats dat ze toen stil vielen en kritisch naar zichzelf gingen kijken, barstten ze in haat tegen Stefanus uit. Te midden van de chaos van hun reacties gunde God Stefanus een blik in de open hemel. Daar zag hij God zitten, terwijl Jezus aan zijn rechterhand stond (niet: zat), klaar om op te treden. Hardop sprak Stefanus uit wat hij zag, vs.56. Daarmee greep hij terug op wat Jezus tijdens zijn proces zei: 'Vanaf nu zal de Mensenzoon geze-ten zijn aan de rechterhand van de Almachtige' (Luc.22:69). In feite zei Stefanus tegen z'n toehoorders: 'Toen hebben jullie Jezus niet willen geloven, maar nu zie ik Hem in de hemel zoals Hij heeft aangekondigd.'
Via Stefanus' woorden strekte God nog eenmaal zijn armen naar hen uit, gedachtig aan het gebed van zijn Zoon: 'Vader, vergeef het hun, ze weten niet wat ze doen.' Daarmee rekenend gaf God hen bij deze gelegenheid nog eens een kans. Maar ze weigerden zijn uitgestoken hand te grijpen en stenigden Stefanus. Stervend sprak Stefa-nus zijn meester nog eens na: 'Reken hun deze zonde niet aan.' Ook naar dit gebed heeft God geluisterd, want een van de deelnemers, een zekere Saulus, die op de mantels paste, werd een belangrijk apostel van Jezus. Zo is God: hoe koppig mensen zich ook tegen Hem afzetten, Hij kan langs ongedachte wegen hun hart bereiken.

15 februari: Handelingen 8:4-40
Na Stefanus' terechtstelling barstte er een vervolging los tegen de gemeente, waardoor de gelovigen overal heen zwierven. De zaak van Jezus van Nazaret leek op niets uit te lopen. Maar zo groot is Christus' macht (om met art.13 van de Ned. Geloofsbelijdenis te spreken) dat Hij in staat is zijn werk zeer goed en rechtvaardig te be-schikken, ook al handelen de duivelen en de goddelozen onrechtvaardig. Want wat gebeurde er? Juist doordat de gelovigen overal verspreid werden, werd ook het evangelie van Christus overal doorgegeven. Zo bleek het evan-gelie aan te slaan in Samaria. Een geweldig wonder. Allereerst omdat Samaritanen erg negatief tegenover joden stonden. Bovendien hadden ze lang in de ban geleefd van een magiŽr. Maar Christus' Geest wist de harten te be-reiken, terwijl de magiŽr onschadelijk werd gemaakt. Daarnaast werd het evangelie door Filippus (een collega van Stefanus) verteld aan een Ethiopische minister, die van een verblijf in Jeruzalem naar zijn land terugkeerde. Hij was erg geÔnteresseerd in het Oude Testament, maar om z'n handicap (hij was een eunuch) had hij geen toe-gang gekregen in de tempelvoorhof (Deut.23:1). Uitgerekend deze ontmande werd gedoopt, waarmee een profe-tie uit Jes.56:3-5 werd vervuld, want hij hoorde zonder enige beperking bij Christus. Geen wonder dat de man na zijn doop z'n weg naar huis vol vreugde vervolgde. Wat heb je nog meer te wensen als je helemaal aanvaard bent door Gods Zoon, onze Heer Jezus Christus?

16 februari: Psalm 113
Laaiend van enthousiasme bezingt de dichter zijn God. Hij is diep onder de indruk van het glorieuze van God: met niets en niemand is Hij te vergelijken. Daarom moet God altijd en overal geprezen worden. Speciaal is de dichter erdoor geraakt dat God vaak de helpende hand biedt aan wie onderaan de sociale ladder staat: een thema dat ook in de lofzangen van Hanna (1Sam.2:8) en Maria (Luc.1:52b) bezongen wordt. En Christus heeft daarbij aangesloten met zijn herhaalde uitspraak: 'Vele laatsten zullen de eersten zijn'. Een variatie op dit thema is dat God soms tot verrassing van alle betrokkenen de onvruchtbaar-geachte vrouw tot moeder maakt, waarbij we kunnen denken aan Sara, Hanna en Elisabet. Wij moeten dus nooit denken dat wij kinderen 'maken'. Zelfs nu wij over veel medische kennis en vaardigheden beschikken, hebben we nog altijd geen controle over onze vrucht-baarheid. God schenkt kinderen al naar gelang Hij dat wil. Dat maakt ons bescheiden en brengt ons diep onder de indruk van wat God kan en doet. Vandaar als laatste woord: 'Halleluja', God zij geprezen.

C. van der Leest, Groningen-Oost

17 februari: Handelingen 9:1-31
De kerk is niet van ons. Zij is eigendom van Jezus Christus. Als Saulus dan ook de leden van de kerk vervolgt, zegt Jezus tegen hem: Saul, Saul waarom vervolg je mij? God bewerkt in het leven van Paulus een niet te gelo-ven ommekeer. Van vervolger van Christus wordt hij verkondiger van Christus. Andere christenen kost het moeite om in dit wonder te geloven. Maar geloven blijft altijd een wonder.

18 februari: Handelingen 9: 32-10: 16
De zendingsactiviteit van de apostelen wordt begeleid met wonderen. Maar het zijn geen mogelijkheden waar-over de apostelen beschikken. Dat hoort ook de verlamde Aeneas. Zelfs de dood verliest tegenover de Here alle macht. Dat ervaart Dorcas. Bij alles wat ze doen, zitten de apostelen ook nog in de leerschool van Jezus: ze moe-ten leren dat ze met het evangelie niet alleen naar hun volksgenoten toe moeten. Petrus ervaart dit wel op een heel bijzondere manier.

19 februari: Handelingen10: 17-48
Petrus krijgt als antwoord op een visioen, mensen aan de deur die hem vragen om bij de niet jood Cornelius bin-nen te gaan. Cornelius leert dat je in de kerk nooit mensen moet vereren. Petrus houdt een echte Christuspreek . En het raakt de toehoorders en de Geest valt op hen. Zij geloven, en zij worden gedoopt.

20 februari: Handelingen 11
Petrus moet zich in de broederkring verdedigen. Met wat hij heeft meegemaakt, maakt hij duidelijk dat God geen exclusieve rechten meer laat gelden voor de gelovigen uit de joden. Ondertussen groeit de kerk. Tegen de ver-drukking in. Of zoals wordt gezegd: het bloed van de martelaren is het zaad van de kerk. Hier was martelaar uit de vroege kerk: de trouwe diaken Stefanus. Mensen trekken naar veiliger plekken maar zo breidt de kerk zich als een olievlek uit. Barnabas en Paulus worden zendelingen. Aan de mensen in de stad AntochiŽ hebben we het te danken dat volgelingen van Christus voor het eerst de naam christen hebben gekregen,.

21 februari: Psalm 114.
Water is levensbedreigend.Denk aan de tsunami die eind 2004 grote delen van ZO AziŽ overspoelde. Water heeft eens de hele mensenwereld overspoeld. Water betekent in de bijbel vaak: dreiging, scheiding, je kunt niet verder. Twee keer maakte het volk IsraŽl het mee. Toen het uit Egypte trok en toen het Kanašn in wilde. Beide keren maakte God een weg. Hij is de almachtige.

22 februari: Handelingen 12: 1-13:12
Petrus lijkt na Stefanus de volgende leider van de kerk te Jeruzalem te worden die wordt gedood. Maar God heeft hem nu nog op aarde nodig. Petrus ontkomt door goddelijk ingrijpen. De mensen die ervan horen kunnen het eerst niet geloven terwijl ze bijeen in gebed waren en zeker om zijn vrijlating gebeden zullen hebben. Hero-des denkt machtig te zijn, maar komt op het toppunt van zijn roem ten val. Het woord van God zette door en bracht veel mensen tot geloof. Zo wies het woord.

23 februari: Handelingen 13: 13-52
Paulus maakt aan zijn volksgenoten duidelijk dat de Here Jezus er op dezelfde wijze is voor joden en niet joden. Nogal wat joden hadden het er erg moeilijk mee. In Perge opent Paulus hun de ogen door hen de kerkgeschiede-nis voor te houden. Dat Jezus de macht over de dood heeft, raakt de mensen diep. Maar afkerige joden komen in verzet en lasteren de zendelingen.

24 februari: Handelingen 14
Ook in Ikonium bezoekt Paulus eerst weer zijn volksgenoten in de synagoge. Ook hier komt strijd. Het leven van de zendelingen loopt gevaar en daarom wijken ze uit naar Lystra. Zij doen er een wonder met als gevolg dat de mensen hen als goden zien. Joden van elders zetten de mensen tegen hen op zodat het tot een steniging komt maar Paulus blijft leven. Vervolgens gaan Gods boodschappers weer terug langs de eerdere plekken waar vol-waardige kerken worden gesticht door ouderlingen aan te stellen.

25 februari: Handelingen 15: 1-35
Een snelgroeiende kerk brengt veel mensen samen met diverse meningen.En dat geeft gemakkelijk spanning. Hier gaat het vooral om de verschillen tussen gelovigen uit de joden en uit de kring van de niet-joden. De joden dachten: je zet toch niet zomaar allerlei vaste gebruiken aan de kant. De spanningen liepen hoog op in de stad AntochiŽ, naar aanleiding van de besnijdenis. In Jeruzalem wordt vervolgens een eerste synode gehouden. Men besluit onder de leiding van de Heilige Geest van welke dingen de gelovigen uit de heidenen zich zullen onthou-den. De besluiten worden ook schriftelijk aan AntochiŽ overgebracht.

26 februari: Handelingen 15: 36-16: 15
De bijbel toont ons de realiteit van het kerkelijke leven uit de vroege kerk. Het is niet allemaal mooi. Wat een vervelend moment: de ruzie tussen Paulus en Barnabas. Er is sprake van verbittering. Toch gaat het zendings-werk wel door. En nu nog meer uitgebreid. God gebruikt deze kromme weg van mensen voor een sterkere uit-breiding van zijn kerk. De besluiten van Jeruzalem worden telkens in de gemeenten die worden bezocht, doorge-geven. Paulus en zijn vriend Silas weten niet wat er precies aan de hand is als de Heilige Geest hun weg zo leidt dat ze tenslotte bij de zeekust terecht komen. Het blijkt Gods bedoeling te zijn dat de boodschap nog veel verder gaat: Europa in.

27 februari: Handelingen 16: 16-40
In de stad Philippi gebeuren de meest wonderlijke dingen. De stroom van waarzeggende boodschappen houdt op. Dure toverboeken kunnen in het vuur; deze zijn waardeloos geworden. De gevangenbewaarder wordt gevangen door God de Here en met heel zijn huis gedoopt. Paulus weet ook van wanten als het gaat om de rechten die hij heeft als Romeins burger.

28 februari: Handelingen 17
In Thessalonica komt weer een scherpe tegenstelling tot uiting onder hen die God kennen, maar vervolgens wel of niet in Jezus als de beloofde Messias geloven. Er wordt een lastercampagne opgezet doordat men zegt dat Paulus en de zijnen met een nieuwe koning op de proppen komen en dat zou een concurrent van de Romeinse keizer kunnen zijn. Ook in de plaats Berea weten de lasteraars hen te vinden. En dus moeten ze ook hier ook weer vandaan, naar Athene en spreekt Paulus voor hooggeleerde mensen. Met als gevolg dat het evangelie van Jezus in een hoge versnelling de wereld rondgaat.
In Athene knappen de meesten af op het voor hen gloednieuwe idee dat er een opstanding van dode lichamen zal plaatsvinden.

A.H. Driest, Groningen zuid