Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-4, december
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 december: Ester 5, Een riskant etentje
Ester raapt alle moed bij elkaar, kleedt zich in koninklijke statie en begeeft zich naar de binnenste voorhof van het koninklijk paleis. Daar wacht ze met bonzend hart tot Koning Ahasveros haar ziet, met in haar gedachten de woorden van Oom Mordechai: "Wie weet ben je juist koningin geworden met het oog op een tijd als deze" (4:14). Ze weet dat alle Joden in Susa met haar meeleven. Ze is bereid om voor haar volk te sterven, als het moet (4:16-17). Het gaat om de redding van haar volk uit de handen van Haman, de Amalekiet. En: de HERE zelf is met haar! Ook al wordt zijn Naam in het hele boek niet genoemd, Hij is voortdurend aanwezig. Dat geeft haar moed.
De koning is in een goede bui (uit de algemene geschiedenis weten we dat deze man heel nukkig kon zijn en er niet voor terugschrok om wie ook maar hem in de weg stond zonder vorm van proces te laten ombrengen). Hij is blij Ester te zien en wil haar alles wel geven. Op haar uitnodiging om bij haar te komen eten, samen met Haman, gaat hij meteen positief in. Hij heeft natuurlijk wel door dat Ester ergens heel erg mee zit. Maar, als zij er nog niet aan toe is om hem dat te vertellen, neemt hij ook de tweede uitnodiging aan. Morgen zal Ahasveros het horen. Afgesproken. En Haman, jodelend van plezier gaat hij naar huis en blaast zichzelf nog wat extra op. Alleen, die vervelende Mordechai vergalt hem zijn vreugde. Hangen zal hij. Ester slaakt een zucht van verlichting: tot zover is alles goed gegaan.

Vrijdag 2 december: Ester 6, Koninklijke eer voor Ö Mordechai
Zou Ahasveros zich ongerust maken over zijn vrouw Ester? Hoe dan ook, hij kan niet slapen en laat zich voorlezen uit de koninklijke annalen. Hoe komt het zo uit: de koning hoort hoe Mordechai eens zijn leven heeft gered en hij wil hem daarvoor alsnog onderscheiden. En dat terwijl Haman zich juist bij hem aandient om hem toestemming te vragen voor Mordechai's executie. Het kan toch niet anders: God zelf heeft de regie van dit spel in handen. Hij gaat nu definitief afrekenen met Amalek, dat altijd al zijn verbondsvolk met de dood bedreigde.
"Wat moet er gedaan worden als de koning iemand eer wil bewijzen?" Haman - in de waan dat hij natuurlijk de man is die die koninklijke eer gaat krijgen - schildert spontaan de koning - en zichzelf! - een prachtig evenement voor ogen. Hij haalt echt alles uit de kast en ziet zichzelf al rondrijden als de koning zelf, helaas maar voor even. Maar dan komt de vreselijke dreun: "Doe dat met de Jood Mordechai!" Met nadruk zegt de koning: "Laat niets van wat u hebt voorgesteld achterwege." O, wat een ontstellende vernedering voor Haman. Zijn aartsvijand krijgt koninklijke eer. En hij is zijn dienaar. "Je zult het volledig van hem verliezen," voorspellen zijn vrienden hem. Hij hoeft nu natuurlijk niet meer bij de koning aan te komen met zijn moordplan. En voor het feestmaal bij Ester is hij echt niet meer in de stemming.

3 december: Ester 7, De executie van Haman
Weer eten Ahasveros en Haman bij Koningin Ester. Ahasveros ontspannen en vrolijk, bereid om Ester te plezieren; Haman boos en bitter, tot in het diepst van zijn ziel vernederd; Ester, hypernerveus maar vastberaden. Wanneer de koning opnieuw vraagt wat haar wens is, stort Ester haar hart uit, zonder angst voor de mogelijke gevolgen: "Mijn volk en ik zijn ten dode opgeschreven." Hoe dit voor haarzelf afloopt, het deert haar niet. Als haar volk maar gered wordt.
"Wie is die man?" vraagt de koning. Ester, zonder vrees, geeft antwoord: "Die ellendeling daar, Haman!" De koning loopt de tuin in om na te denken. Zou hij zich echt niet meer herinneren hoe hij Haman vrij spel gegeven had tegen het volk van Ester (3:10-11)? Maar hoe kan hij nu Hamans misdadige plan verijdelen? Als hij bij terugkomst Haman aan Esters voeten ziet liggen, gaat hij door het lint. Het is afgelopen met Haman: hij wordt opgehangen aan de paal die voor Mordechai bestemd was. In een paar uur tijd is een eind gekomen aan een eeuwenlange strijd van Amalek tegen Israel: Gods profetie is vervuld.

4 december: Ester 8:1-8, Onherroepelijke ommekeer
Ineens zijn de rollen omgekeerd: Ester krijgt van de koning Hamans bezittingen cadeau, Mordechai ontvangt Hamans positie. Met de zegelring van de koning aan zijn vinger heeft hij nu het hele koninkrijk in zijn hand en kan hij zijn volk redden van de ondergang. De koning zelf geeft zijn fiat: "Wat geschreven is in naam van de koning en verzegeld met de zegelring van de koning, kan niet worden herroepen." Dat gold voor de uitroeiÔngswet van Haman. En dat zal ook gelden voor het tegenbevel van Mordechai. Zo laat God de kansen keren voor zijn volk IsraŽl. Na vroeger de redding uit Egypte, nu de redding van Amalek. Redding uit de klauwen van de duivel (beide landen zijn symbool van de slang).
NB, de positie van Haman als adviseur van de koning moet niet worden onderschat (vgl Achitofel en Husai, adviseurs van David; ook: de wijzen van de farao in Mozes' dagen). Haman kan worden beschouwd als sacraal leider, tovenaar, hogepriester, die het contact met de goden onderhoudt. Het zou me niet verbazen, als hij - immers in PerziŽ - een expert in de astrologie is geweest. In de plaats van deze 'heiden' komt nu de Jood Mordechai, lid van Gods verbondsvolk. Inderdaad een grote ommekeer, alleen al in sfeer en instelling. Ahasveros was er op zijn minst tevreden mee.

5 december: Ester 8:9-17, Redding voor de Joden en de volken
Mordechai laat er geen gras over groeien. Meteen na de grote verandering laat hij een bevelschrift schrijven en per expresse toesturen aan alle 127 provincies van het Perzische rijk, in ieders eigen schrift en taal (net als destijds dat van Haman). Het bevel is niet voor misverstand vatbaar en er is niemand die het niet ontvangt. Ook de Joden, het doelwit van Hamans wet, krijgen het apart bezorgd (zij wonen immers verstrooid tussen de andere volken, behalve dan de Joden die naar Juda en Jeruzalem zijn teruggekeerd en daar de tempel hebben herbouwd). Zo roept Mordechai in naam van Koning Ahasveros de dreigende holocaust een halt toe. De Joden mogen zich met alle middelen verdedigen. Ze mogen - op 13 Adar - hun vijanden tot de laatste man doden en hun bezittingen buitmaken, uit zelfverdediging.
Mordechai krijgt de hoogste eer. De stad Susa is opgetogen. De Joden zijn uitgelaten. Overal wordt feest gevierd. Meer nog: als gevolg van het tegenbevel van Ahasveros sluiten velen uit de andere volken zich bij de Joden aan. Ze zijn bang voor hun hachje. Om de dans te ontspringen worden zij Jood. De redding van de Joden betekent ook hun redding. Laat angst de volken drijven, het is God die dit allemaal bewerkt. Zo bereidt Hij de wereld van die dagen voor op de redding van de wereld die zal komen door zijn Zoon, de Heiland van de wereld.

6 december: Ester 9:1-19, Rust!
Op 13 Nisan (1e maand) - NB de dag voor Pesach, het feest van IsraŽls verlossing! - had Haman zijn dodelijke wet uitgevaardigd. Op 23 Siwan (3e maand) liet Mordechai het tegenbevel uitgaan. De maand Adar breekt aan (12e maand). De spanning stijgt ten top. Nog enkele dagen, dan gaat het gebeuren. Het? Wat?
13 Adar, de fatale datum voor Gods volk. Tenminste, dat is de bedoeling. Maar nee, het omgekeerde gebeurt: "het waren juist de Joden die hun belagers in hun macht kregen." De hele natie is bang, van laag tot hoog. De gouverneurs, de ambtenaren, ze steunen de Joden. Ze zijn allemaal beducht voor de invloed van Mordechai. Alle tegenstanders, onder wie de zonen van Haman, worden gedood. In totaal 75.000 mensen. De dag erna worden in de burcht van Susa nog meer tegenstanders geŽxecuteerd, met de instemming van Koning Ahasveros. Hij staat volledig achter Ester en Mordechai en steunt de redding van hun volk, Gods volk.
14 Adar, net als 14 Nisan: een dag van rust, van feestmalen en feestvreugde (voor de Joden in Susa: 15 Adar). Het wordt een jaarlijkse gedenkdag. Elk jaar weer vieren de Joden feest en sturen elkaar lekkernijen toe, omdat op 13 Adar God hun leven redde. Nee, dat was geen dag van brute wraak en grove plundering: alleen de misdadigers die nog steeds achter Haman stonden werden gedood. Hun bezittingen werden met geen vinger aangeraakt. Het ging alleen maar om redding, niet om verovering.

7 december: Ester 9:20-10:3, Feest!
Droefheid is veranderd in vreugde, rouw in feest. Op bevel van Mordechai wordt het 'feest van de rust' een vast gebruik onder de Joden. Er wordt ook een naam gekozen voor dit bevrijdingsfeest: Poerim, naar het woord poer (lot), omdat de Amalekiet Haman het lot had laten werpen om de Joden uit te roeien. Zo wordt de herinnering aan deze dagen levend gehouden, generatie op generatie. Ester zelf vindt dit zo belangrijk dat ook zij hierover 'bindende voorschriften' geeft.
God heeft naar zijn volk omgezien en de dreiging weggenomen (vgl Ex. 2:23-25). De dreiging is veranderd in het tegenovergestelde: de Joden staan in hoog aanzien en worden overal geŽerd. Mordechai, in zijn hoge positie pal onder de koning (vgl Jozef in Egypte), staat borg voor het welzijn van zijn volk. Zo wijst hij vooruit naar de Christus, de grote Pleitbezorger, die komen zal om de wereld definitief te redden van de allergrootste booswicht, de duivel zelf. Het boek Ester laat zien dat zijn dagen geteld zijn. Er is eeuwige rust op komst!
PS - Hieronder volgen nog enkele historische gegevens met betrekking tot de in het boek Ester beschreven gebeurtenissen (tip: kijk ook eens op www.bijbelencultuur.nl, onder 'Ester'):
485 - 465 vCAhasveros (= Sasta I, Xerxes) regeert over PerziŽ, in de plaats van zijn vader Darius I (die de Joden toestemming gaf om verder te bouwen aan hun tempel, klaar in 516 vC). Ahasveros is een krachtig heerser die in staat is een groot rijk onder controle te houden, en daarnaast ook nog uit te breiden (hij valt Griekenland binnen). Hij is schatrijk, houdt graag grote feesten, is impulsief en bruut. Het voorstel van Haman past bij zijn temperament.
479 vCEster wordt gekozen tot koningin in de plaats van Wasti. Uit alles blijkt dat Ahasveros haar zeer waardeerde, evenals trouwens haar oom, Mordechai (Wasti wordt later als 'koningin-moeder' in ere hersteld door Ahasveros' zoon en opvolger, Artasasta I (= Artaxerxes, 465-424 vC)).
474 vCHaman beraamt zijn plan om de Joden uit te roeien. Dit plan wordt verijdeld door Ester en Mordechai. Op 13 Adar krijgen de Joden rust: het hele volk is hun welgezind, de tegenstanders worden uitgeschakeld. Sinds deze dag wordt jaarlijks op 14 en 15 Adar het Purimfeest gevierd.
458 vCEzra gaat naar Jeruzalem (Ezra 7:6-9).
445 vCNehemia, in dienst van Koning Artasasta I, gaat naar Jeruzalem (Neh. 1-2).

8 december: Psalm 146, De HEER is trouw in de grootste moeiten
Het Psalmboek eindigt met vijf Halleluja-liederen (146 t/m 150): allemaal beginnen en eindigen ze met de uitroep 'Halleluja!', 'Loof de HEER!' Het is een en al lof voor de God van IsraŽl, die zijn naam Jahwe (HEER) waarmaakt: Hij is er altijd voor zijn volk.
Ps 146 bezingt de HEER als de God die al generaties lang - daarom heet Hij 'de God van Jakob' - voor zijn volk zorgt, levensreddend en levensgaranderend. Mensen kunnen elkaar uiteindelijk niet helpen: als de adem stokt, houdt alles op. Hoop op de levende God, de maker van alle leven. Ook al ervaar je in je leven de grootste moeite aan verdrukking, honger, gevangenschap, onrecht, of handicaps), Hij is trouw tot in eeuwigheid. Hij maakt alles nieuw. Want Hij is voor altijd koning! Dat geeft uitzicht. Loof Hem: Hij is jouw God, Jahwe!

Vrijdag 9 december: Nehemia 1:1-2:10, Nehemia op reis voor het welzijn van Israel
Notitie vooraf: Wat het boek Nehemia verhaalt, vindt plaats na de geschiedenissen van Ester en Ezra en de profetieŽn van Haggai en Zacharia. De herbouw van de tempel is al ruim 70 jaar geleden voltooid. De gebeurtenissen in het boek Ester zijn 30 jaar achter de rug. En het is intussen 12 jaar geleden dat Ezra naar Jeruzalem vertrok.
AD 445 vC - Nehemia is als schenker in dienst van Koning Artaxerxes (= Artasasta; 465-424 vC; nu zijn 20e regeringsjaar), in de burcht van Susa. Het verhaal van zijn broer Chanani over de penibele toestand in Jeruzalem - de Joden zijn het mikpunt van spot, de muur van Jeruzalem is afgebroken, de poorten zijn verbrand (krijgt Haman postuum toch nog zijn zin?) - brengt hem van de wijs. Hij barst in huilen uit, rouwt en vast dagenlang, en brengt de dagen biddend door. Hij pleit op Gods trouw, belijdt de zonden van zichzelf en alle IsraŽlieten: "Wij hebben u veel kwaad gedaan; wij hebben ons niet gehouden aan de geboden, voorschriften en rechtsregels die u aan Mozes, uw dienaar, hebt gegeven." Hij herinnert God aan zijn beloften: "Zij zijn (toch) uw volk." En hij vraagt Hem om zijn plannen te zegenen (Deo volente).
Intussen doet Nehemia gewoon zijn werk in het paleis. De koning merkt Nehemia's somberheid, en vraagt hem: "Wat mankeert eraan, Nehemia?" Nehemia vertelt wat hem dwarszit. Artaxerxes vraagt wat Nehemia wil. Nu, daarover heeft hij al veel nagedacht. Hij wil naar Jeruzalem gaan om de stad te herbouwen. De koning - met zijn lievelingsvrouw - reageert positief. Met allerlei officiŽle brieven van de koning op zak, vertrekt Nehemia en arriveert in Juda. Sanballat en Tobia zijn daarover zeer ontstemd. Zij moeten niets hebben van weldoeners voor IsraŽl. Hun motto is: 'Weg met IsraŽl!' Maar God beschermt Nehemia in de uitvoering zijn missie. Wat God wil, gebeurt altijd (inderdaad: Deo volente).

10 december: Nehemia 2:11-3:14, Inspectie, voorstel, actie!
Helemaal niemand weet al van de plannen die God Nehemia heeft ingegeven voor Jeruzalem. Zelfs de stadsbestuurders niet. In het geheim ('s nachts) maakt hij een inspectieronde langs de neergehaalde muren en verbrande poorten, om eerst zichzelf te overtuigen van de deplorabele situatie. Pas dan geeft hij opening van zaken en komt hij met zijn voorstel: "Laten we de stadsmuur weer opbouwen, zodat we niet langer het mikpunt van spot zijn." Deze aansporing hebben ze nu net nodig om zich niet langer door de tegenstanders te laten intimideren: meteen pakken ze het werk voortvarend aan. En Sanballat, Tobia en Gesem mogen opkrassen: er is in Jeruzalem niets dat aan hen herinnert.
Het werk wordt verdeeld: allerlei IsraŽlieten nemen een stuk van de muur of een van de poorten voor hun rekening. Een indrukwekkende lijst namen laat zien dat vele handen het werk licht maken. Samen gaan ze ervoor. En ze weten zich gesterkt door landvoogd Nehemia en - vooral - door de nabijheid van God. Nehemia heeft het gezegd: "Het is de God van de hemel die ons doet slagen."

11 december: Nehemia 3:15-38, Fase 1: klaar (ondanks tegenwerking)
NB, ik volg de indeling van de NBV: vs 33-38 = Neh. 4:1-6 in de NV.
Ze weten niet van ophouden, al die met name genoemde mensen. Vol ijver werkt iedereen verder aan het herstel van 'zijn' stuk muur of poort. Het mooie is (en duidelijk zichtbaar voor de buitenstaanders): zo werken ze samen in een gesloten kring rond Jeruzalem. En rond de tempel van hun God. Ze vormen als het ware een levende muur, een muur van levende stenen (vgl 1 Ptr. 2:5). Nog altijd kennen wij hun namen, een prachtige herinnering. Stones of remembrance.
Maar o wee, Sanballat, Tobia en hun trawanten laten het er niet bij zitten. Ze proberen een bres te slaan in de hechte samenwerking. Ze gaan schelden, sarren, kleineren: "Wat zielig, die gammele muurtjes!" Maar God zelf beschermt zijn volk, op hun aanhoudend gebed. In een mum van tijd is de hele muur klaar tot op halve hoogte.

12 december: Nehemia 4, Verder met de troffel in de ene, de speer in de andere hand
Sanballat en Tobia ronselen een grote groep handlangers - Arabieren, Ammonieten en Asdodieten (Filistijnen) > het zijn evenals eerder en later altijd de omliggende volken die het bestaan van IsraŽl niet willen accepteren - om met geweld verwarring te stichten. Ze voeren charges uit, met het gevolg dat een aantal Joden inderdaad bang wordt en wil afhaken. Maar Nehemia roept ze op om niet bang te zijn: "Wees niet bang voor hen, denk aan de grote en geduchte Heer."
De vijanden worden verdreven en het opbouwwerk gaat door. De ene helft is aan het bouwen, de andere helft houdt gewapend de wacht. In de ene hand houden ze de troffel, in de andere hand de speer. Het werk is beslist zwaar: "Geen ogenblik waren we uit de kleren," schrijft Nehemia. Ze zijn voortdurend op hun hoede, en laten zich niet bang maken.
Een dergelijke situatie heb ik meegemaakt in Jakarta waar ik drie jaar lang als docent de Theologische Hogeschool SETIA heb mogen dienen. Tijdens de bouw van een nieuw internaat, werd door de lokale moslims 's nachts afgebroken wat overdag was opgebouwd. Ze wilden die christenen niet bij hen op de stoep. Onder bewaking van de politie is de bouw toen voltooid.

13 december: Nehemia 5, Werk pro Deo!
Wat nu? Gemopper en geklaag! Meteen denk je terug aan IsraŽl in de woestijn: nog maar net bevrijd uit Egypte sloegen ze aan het muiten. Ze kwamen met hun eisen, of anders Ö Maar nee, dat is hier absoluut niet het geval. De klachten waarmee ze bij Nehemia komen zijn terecht. Door corruptie en uitbuiting van de kant van hun eigen volksgenoten heeft de Joodse bevolking in Juda en Jeruzalem echt geen leven. Meteen treedt Nehemia op: "Wat u doet is niet goed." Hun reactie: ze zwijgen. En ze beloven onder ede niets meer te vorderen, maar alles terug te geven. Dat doen ze. En ze loven daarbij de HEER!
Laat Nehemia hen (en ons) allemaal tot voorbeeld zijn. Niet om geprezen te worden, maar om te laten zien hoe Gods kinderen zich gedragen als 'dienaar': beter te geven dan te ontvangen (vergelijk Paulus en andere 'voorgangers'). Nooit heeft Nehemia een vergoeding verlangd voor zijn werk als gouverneur. Hij zette de schouders eronder zonder winstbejag. Nog sterker: hij betaalde uit eigen portemonnee het levensonderhoud van een grote groep medewerkers. Nehemia's werk was Pro Deo!

14 december: Nehemia 6, De muur is klaar!
Sanballat en de zijnen gooien het nu over een andere boeg. Tot vier keer toe proberen ze Nehemia over te halen voor het plegen van overleg elders (denk weer aan Paulus). Ze willen hem afzonderen en dan te grazen nemen. Maar opnieuw mislukt hun opzet. Nehemia heeft belangrijk werk te doen en gaat niet op hun verzoeken in. Dan komen ze met een volgend, toch wel gevaarlijk dreigement (met opzet in een niet-verzegelde, dat is open brief die door iedereen te lezen is): ze zullen de koning wel es even vertellen dat Nehemia verraad pleegt en zelf koning wil worden. En zo gaat het maar door. Maar Nehemia laat zich niet uit het veld slaan, ook niet door een paar ingehuurde valse profeten. Hij weet dat God met hem is.
Maar dan komt het bericht: De muur is klaar! Binnen twee maanden is de hele klus geklaard. Ondanks alle verzet en bangmakerij. En nu gebeurt het omgekeerde: de vijanden worden bang en voelen zich klein. Dat is maar goed ook. Tegen God begin je niets. Als Hij erachter staat, eindigt alle werk met succes. Zijn plannen komen uit, wat men er ook tegen begint. Dat zal iedere rebel moeten erkennen, tot eigen schade. Iedere gelovige zal het blij belijden en Gods naam grootmaken.

15 december: Psalm 147, De HEER is groot en oppermachtig
Het tweede van de vijf Halleluja-liederen ter afsluiting van het Psalmboek. In deze psalm wordt God bezongen als de Almachtige, die regeert over hemel en aarde. De God die alles gemaakt heeft en die ook alles - tot in de kleinste details - onderhoudt, bewaart en verzorgt, is jouw lieve Vader (zie Heidelbergse Catechismus, Zondagen 9 en 10). Een ster, een sneeuwvlok, een grasspriet, een regenbui, de galop van een sterk paard ontgaan Hem niet. Natuurlijk niet: ze zijn uit zijn inzicht voortgekomen. Des te meer oog heeft Hij voor zijn verbondsvolk. Hij maakt zijn woorden aan Jakob bekend, zijn wetten en voorschriften aan IsraŽl. Die machtige God heeft zich aan jou verbonden als Vader. Bij Hem ben je je leven zeker. Kun je je nu nog stil houden?! Hef voor de HEER een hymne aan. Loof Hem: Hij is jouw God, Jahwe!

H. Venema, Onnen

Vrijdag 16 december: Nehemia 7:1-38
Jeruzalem kan niet zonder poorten. Ongure figuren moet de toegang worden ontzegd. DŤze stad dient secuur verdedigd. Betrouwbare en godvrezende manschappen zijn hier voor nodig. Jeruzalem is niet zo maar een stad!
Zo past ook toezicht binnen de kerk. De wereld mag er niet domineren. Geweerd dient een ongelovige levenswandel. Gehoord en bewaard behoort het Woord. Dat gaat niet zonder ouderlingen.
Wel muren om een forse ruimte. Bouwgrond is er te over, alleen bewoners zijn er maar mondjesmaat. Dat mag niet zo blijven. Juist dŤze stad heeft inwoners nodig.
God geeft Nehemia verstand om dit te gaan regelen. Het geloof is van belang voor de alledaagse dingen. Ze vinden een register met namen van hen die enige tijd geleden uit Babel zijn teruggekeerd. Een lange rij namen volgt.

17 december: Nehemia 7:39-72
De rij gaat maar door. Samen zo'n 42.360 personen. Met hen kan Jeruzalem worden opgebouwd. Hier lezen we een namenlijst van overlevenden. Vaak hebben we op aarde te maken met een lijst van overledenen, een dodenlijst (bijvoorbeeld bij een aardbeving of als gevolg van een vliegtuigongeluk). Maar deze mensen zijn teruggekeerd. Ze wonen weer levend en wel in het beloofde land.
Er zijn ook priesters en levieten bij. De tempel kan dus weer functioneren! Er zijn 148 tempelzangers onder deze grote groep, dus het lied kan klinken! Er is voldoende kundig personeel en niet te vergeten een royale schat (69vv.).
Gods werk gaat door. De dienst van de verzoening komt echt weer op gang. Wŗt is God goed voor mensen. Voor Hem telt ieder. Daarom zijn namenlijsten in de bijbel minder saai dan wij vaak denken. En eensÖ gaat het nog veel breder worden. Psalm 87 tekent dat ook voor ons uit.

18 december: Nehemia 7:72b-8:18
De voorlezing van de wet -urenlang!- maakt veel los bij het volk. Zij ontdekken waar bij hen de fout zit. Ze hebben er diep verdriet over. O, wat hebben wij de HEER bedroefd.
Maar nu mag er feest worden gevierd. Uitbundig. Het is tijd om te genieten van Gods bescherming (zie Ps. 27:5). Die bewaring was er immers in de woestijn en die zal er blijven voor ieder die begeert te schuilen bij de Almachtige.
Ze horen lezen over het Loofhuttenfeest. Het is er precies de tijd voor. Dus maken ze loofhutten. Er is alle reden voor het vieren van het feest van Gods bescherming en van zijn gulle hand, die hen royaal heeft voorzien van alles wat ze nodig hadden. Lees Leviticus 23:39-43 en Deuteronomium 16:13-15 hier eens bij. De vervulling van het Loofhuttenfeest ligt in Christus (Openbaring 7:9-17).
Denk eens door over Johannes 7:37-39. De Heilige Geest wil ons vervullen van Jezus. Dat is het mooiste wat een mens kan overkomen.

19 december: Nehemia 9:1-21
Een mens moet tijd nemen voor inkeer en boete. Ieder heeft reden tot schuldbelijdenis. Daar kom je wel achter als de woorden van de wet gelezen worden! IsraŽl in elk geval wel. Juist dit brengt tot lofprijzing. Het is immers een groot wonder dat de HEER blijft omzien naar een schuldig en zondig volk.
Heel de historie vanaf Abraham komt in dit bijbelgedeelte tot leven. God sloot met die man een verbond en ieder moet weten dat de HEER zijn beloften gestand doet. Ze kwamen op wonderlijke wijze vrij uit Egypte en werden met krachtige hand geleid door de woestijn. Licht in de nacht en bescherming overdag. En dat ondanks eigen weerbarstigheid. Eens maakten ze immers een gouden kalf. (Ex. 32). Toch liet God hen niet vallen. Waar vindt een mens zo'n genadige Beschermer?

20 december: Nehemia 9:22-37
Dit gebed ontroert. Het is zo eerlijk over de geschiedenis. Afval wordt niet verzwegen. Deze bidder erkent ontrouw. Dat is heel wat voor een mens. Hoe eerlijk zijn wij? Zijn wij bereid onze ontrouw met ronde woorden te belijden?
Deze bidder noemt en roemt Gods genadig ingrijpen. Als een mens uit zijn ellende roept tot God, dan is de hemel niet van koper. Dan daagt hulp. De zwarte nacht gaat over in een lichte dag.
Dat is ook de hoop van deze eerlijke bidder nu het volk in grote ellende (37) leeft. Komen we er ooit weer boven uit? MaarÖ onze God is groot, sterk en geducht (32). Hij blijft barmhartig. Jezus tekent God als een Vader die op de uitkijk staat (Lucas 15:20). Vanuit de verte ziet Hij het verloren kind, dat schuld wil belijden, aankomen. Dan zijn er open armen. Nog altijd.

21 december: Nehemia 10
Geloof stelt de daad. Dat komt hier zonneklaar aan het licht. Het is de begeerte van het volk dat de tempeldienst blijft. 'Nooit zullen wij de tempel van onze God verwaarlozen' (40).
Deze verklaring wordt zwart op wit gesteld. De eerst die ondertekent is Nehemia. Oversten, priesters, levieten volgen. Ja, het hele volk stelt zich er achter (28vv.). De wet, die Mozes van God ontving, wordt regel. Zo wil men leven.
Dus: een nee tegen gemengde huwelijke (30), eerbiediging van de sabbat (31) en er zal worden gezorgd voor het onderhoud van de priesters en de levieten.
Hoe menens is het bij ons? Kan bij ons het kerkelijke leven goede doorgang vinden? Tonen we met de daad dat we ontzag voor God hebben?

22 december: Psalm 148
Halleluja van begin tot eind.
Alles en iedereen staat onder de HEER. De Schepper is hoogverheven bij wie en wat dan ook. Daarom past het dat alles Hem looft.
Dit geldt de bewoners van de hemel. Dit God prijzen past hen onderweg. Engelen waar ook naar uitgezonden hebben dit goed voor hun aandacht te houden. Ze staan immers in dienst van de Allerhoogste.
Ja, echt de Allerhoogste. Heel het heelal -met zon, maan en sterren- dient Hem hulde te bewijzen. Dit raakt ook de schepselen op aarde. Dieren en planten. Heel de schepping is er tot vreugde van God en doet zijn geweldigheid aan het licht komen (lees eens artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis!). Vanzelfsprekend kan het schepsel naar Gods beeld niet achterblijven. Die dient zelfs voorop te gaan in het Halleluja. Daar vaart de mens voor altijd wel bij. Soli Deo Gloria.

Vrijdag 23 december: Nehemia 11
Jeruzalem is de heilige stad (1,18). 'Holy City', zo klinkt het vandaag nog in vele liederen. Waarom? Omdat het er zo ideaal wonen is? Dat kon je zeker vroeger niet zeggen. Liever woonden ze op het platteland. Daar was immers hun eigen grond. Daar kon je zitten onder eigen wijnstok en vijgenboom. Jeruzalem was vol huizen en had weinig akkergrond. De woestijn reikte tot aan de poort.
Toch raakte de stad vol. Toch verlangden velen om juist daar te wonen. Waarom?
Het was de plek die God had uitgekozen. Hij begeerde Sion tot zijn woning (Psalm 132:18). Op de berg Sion, het hoogste punt van Jeruzalem verrees de tempel. Daar kwam de verzoening tot stand. Je kunt toch nergens beter wonen? Je bent nergens op aarde zo dicht bij de HEER van de hemelse machten (Psalm 84).
Verlangen wij ook om dicht bij God te leven? Dat kan nu overal in de wereld (lees maar Joh. 4:21vv. waar Jezus dat zelf zegt). God zoekt bidders vanuit de dagelijkse werkplek en graag hoort Hij hun lied.

24 december: Nehemia 12:1-43
Een hoofdstuk vol namen. Het valt voor ons snelle Westerlingen niet mee om de aandacht erbij te houden. Wat hebben wij nu aan zo'n bijbelgedeelte? Het zijn toch allemaal onbekenden voor ons?
Toch is het minder saai dan wij denken. Overal koren en muziek. De mensen zijn zÚ blij als de muur van Jeruzalem er eindelijk staat. Tot ver buiten de muren is de feestvreugde te horen. (43). Het wil ook de eeuwen doorklinken. De koren en de mensen komen immers in het huis Gods. God wil wonen bij de mensen! Geweldig! ImmmanuŽl = God met ons.
Heilige Abend zeggen onze Oosterburen. Morgen is het Kerstfeest. God komt ons verlossend nabij.

25 december: Nehemia 12:44-13:14
Eťn zinnetje kan je treffen: 'Juda schepte namelijk vreugde in de priesters en de levieten die dienst deden' (44b). Wanneer wij blij zijn over de voortgang van de kerk, komt het met de bijdragen voor de kerk wel in orde. Wie Jezus als zijn Heer en Heiland erkent, is zorgzaam voor de werkers in Jezus' naam.
Maar het kan met ons mensen snel weer mis gaan. Kerkmensen verkleinen soms de afstand tot de wereld (1-3) of gaan zichzelf op een voetstuk zetten (4,5). Als Nehemia dat ontdekt, handelt hij resoluut. De tempel is Gods heilig huis! Dat moet ook in de gemeente van Christus bedacht. Wij leven in de kerk op heilige grond.
Wat goed dat wij zondige mensen weer terecht kunnen komen door de komst van Gods Zoon in het vlees. Lees vandaag op de eerste Kerstdag eens artikel 20 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

26 december: Nehemia 13:15-31
Nehemia heeft een scherpe blik. Hij ziet dat zijn volksgenoten op de sabbat druk aan het werk zijn. De handel tiert welig. De TyriŽrs slaan hun slag op IsraŽls rustdag. Dit moet stoppen. Daarom doet Nehemia de poort naar de wereld dicht.
Er is nog meer mis. Van hoog tot laag zijn vrouwen van buiten gehuwd. Het gevolg is dat de kinderen weg groeien van het geloof. Zo gaat dat. Ook dat moet stoppen. 'Jullie weten toch wel hoe het zelfs met koning Salomo is mis gegaan?' zegt Nehemia.
Gods volk staat wel in de wereld, maar is niet van de wereld. Juist Jezus bad daarom zijn Vader: 'Bewaar hen in mijn naam' (Joh. 17:11vv.). Daarom kunnen wij heilig leven op aarde.

27 december: Maleachi 1
Het laatste profetenboek staat op ons leesrooster. Maleachi is een bode van God, die tot in onze tijd spreekt. Aanspreekt vanwege zijn sterk appŤl.
Meteen moet hij opvallende dingen spreken (hij staat in dienst van God; dat betekent ook zijn naam). 'Ik heb jullie lief' (2a). Zo sterk ligt dat tussen God en zijn volk! Hij kiest in liefde mensen uit. Maar wat is de reactie van die mensen? Ze durfden toen te zeggen: 'Waaruit blijkt die liefde dan?'(2b). Slaat God nu de deur dicht? Nee. Hij wijst op de woestenij van Edom/Ezau. Zo werkt dus Gods toorn zich uit in de tijd. Waarschuwend voor wie geen oog heeft voor Gods liefde.
Er volgt nog een opvallend woord. God is als een vader (6). Maar waar is de eerbied van de kinderen? Ze doen maar wat slordig met de offers. Dat doet toch geen ander volk met hun goden? Bedenk dus snel dat niemand zo machtig is als 'de HEER van de hemelse machten'.

28 december: Maleachi 2:1-16
Het wordt ernst. Aan het nageslacht van Levi was de onderwijzing uit de wet toevertrouwd (Deut. 17:9). Waren ze daarin trouw bezig, dan zou hun leven opbloeien. Eerst ging het prachtig. Ware kennis vloeide via hun lippen. Maar dat is nu verleden tijd. Zulke geestelijke leiders zullen geminacht worden. Waardeloos zijn hun praatjes.
In vers 10-16 volgt een scherp woord over de ontrouw in het huwelijk. Het kwaad van de echtbreuk verdraagt God niet lezen we terecht in het huwelijksformulier. In IsraŽl ging het in de tijd van Maleachi mis. Zelfs zo erg dat men de eigen vrouw wegzond om een heidense vrouw te trouwen. Dat is spelen met je leven (16). Maar hoe trouw zijn wij? Hoe ver gaat onze inzet voor het gesloten huwelijk? We konden wel eens heel hard 'de kracht van de Heilige Geest' (weer uit ons huwelijksformulier) nodig hebben.

29 december: Maleachi 2:17-3:12
Wij mensen kunnen God met ons gepraat irriteren. Als wij zeggen: het maakt niet uit als wij de HEER dienen. Wat koop je daar nu voor? Je hebt daar niets aan. Pas op, zo luidt de profetie: Ik zend eens dŤ bode. Door hem komt dan de definitieve scheiding onder de mensen. Dat zal ook dwars door mijn volk heen gaan. Jezus gebruikt deze profetie (3:1). In Mat. 11:10, Mark. 1:2 en Luk. 7:27 kunnen wij dat lezen. Dit profetenwoord heeft dus alles met Hem te maken! Door Jezus valt de beslissing. Het is de mens geraden voor Hem te buigen. Voor wie dit weigert, barst straks alles stuk. Toch blijft de profeet Maleachi een verkondiger van Gods redding (6-12). Wie hartelijk God dient, krijgt een vorstelijk bestaan. Die mag wonen in een heerlijk land (12). Voor eeuwig. Het leven ontbot voor die mens paradijselijk (Openb. 21:5 en22:2-5). Wat doet u? Buig jij voor Jezus? Erkennen wij Hem als onze Heer en Heiland?

Vrijdag 30 december: Maleachi 3:13-24
Heeft het dienen van de HEER wel zin? Moet je zien hoe goed het de mensen zonder God gaat. Dit is inderdaad een bezoeking voor de vromen. Daar kun we best mee zitten. Dat mag ook, mits we maar ontzag houden voor de HEER. Blijf zeggen: eens zal mijn God recht doen. Dat zal gebeuren. Zeker komt de dag die verschil gaat maken 'tussen mensen die God gehoorzamen en wie dat niet doen.' (18). De hoogmoedige praters zullen verschroeid worden, maar de ootmoedige belijders schitteren in Gods licht. Ze gaan huppelen als kalveren die na maanden in de wei mogen (20). Het komt wonderlijk goed voor wie eerbiedig luistert naar Gods onderricht dat al via de dienst van Mozes is aangereikt. Bent u daar rijk mee?

31 december: Psalm 149 en 150
Na 4 jaar Bijbelleesrooster (!) zijn we bij het slotakkoord van de Psalmen aangekomen. Het Halleluja galmt door Psalm 149 en 150. Het Godlof past uitnemend bij de mensenmond. Muziek mag dat krachtig ondersteunen. Welluidend en vol variatie. Heerlijk maakt God eens alle dingen nieuw (Openb. 21:5a). De zonde is dan spoorloos. De zondaar kan nooit in het koninkrijk van de hemel komen, maar de nederigen van hart ontvangen het gratis.
Groots mag onze verwachting zijn. God zal over alles en allen regeren (1Kor. 15:28). Het Godlof zal de nieuwe aarde en hemel vervullen. De vruchteloosheid van de schepping (Rom. 8:20) is daar volstrekt uit de tijd. Het herboren paradijs gaat heel Gods vernieuwde schepping omvatten. Verrukkelijk! Het ligt voor ons nog achter de horizon. We kunnen er nog niet bij, maar God zal het zeker klaren. Na Golgota is Gods heilsplan niet meer te stoppen. 'Alles wat adem heeft, looft de HEER'. Dat slotakkoord bekoort. Roept verlangen wakker naar de toekomst die God geeft. Halleluja!

M. H. de Boer, Hoogkerk