Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-4, april
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 april: Jesaja 10: 5-27
Wij mensen kunnen wel eens doorslaan. Hetzij naar ongelovigen, die volgens ons alleen maar slecht zijn. Hetzij naar kerkmensen, die, ons inziens dan, alleen maar huichelen.
Maar God is onpartijdig. Ieder krijgt wat hij verdient en AssyriŽ dus ook.
AssyriŽ was een instrument van God. God gebruikte dit wrede volk om zijn eigen volk tot inkeer te brengen. Maar zo hadden de AssyriŽrs het niet bedoeld. Hun successen maakten hen ontzettend hoogmoedig. Maar dan laat God zien wie de allersterkste is. Hij dus.
Een tegenslag, door een mens ons toegebracht, kan ons klein maken voor God. We zien opeens, waarin we tekort geschoten zijn. Dat hoeft niet altijd zo, maar het kan wel.
Maar die ander zal nooit de sterkste zijn. Dat is God.

2 april: Jesaja 10: 28- 11: 10
Toen we met Jesaja begonnen, zei ik: 'Er blijft van Juda niet veel heel.' Dat blijkt nu. Het enige wat van het koningshuis van Juda overblijft valt te vergelijken met de stronk van een grote boom.
Soms kun je in de kerk ook behoorlijk wanhopig worden, door alles wat tegenzit. 'Volgens mij', zo zeg je dan, 'blijft er helemaal niets van ons over.'
Maar onze kracht schuilt dan ook niet in onszelf, maar in Christus. Klein begonnen, maar nu Koning van de wereld. Het zit hem niet in wat wij allemaal doen in de kerk. Je moet het van Jezus verwachten.

3 april: Jesaja 11: 11- 12: 6
Het was een pittig stuk, Jesaja 1 tot en met 12. Wat kan God boos zijn. Wat kan Hij straffen!
Toch loopt het goed af. Een nieuwe exodus. "De Eufraat bedwingt hij met zijn machtige adem, hij slaat het water uiteen in zeven beken waar men droogvoets door kan gaan."
Ja, zo gaat het toch altijd. Het komt altijd weer goed.
Maar dat spreekt niet vanzelf. In hoofdstuk 12 klinkt een enthousiast danklied en dat is echt gemeend.
Denk aan een verstoorde relatie, die echt weer volledig is hersteld. Wat ben je opgelucht. Wat ben je blij! Je kunt het niet geloven.
God zegt: 'Ik vergeef je alles. Kijk: de weg naar een nieuwe toekomst ligt helemaal voor je open.' Dan kun je wel zingen!

T.S. Huttenga, studentenpredikant Groningen

4 april : Jesaja 13
Er staat de IsraŽlieten veel onheil te wachten, met als dieptepunt de Babylonische ballingschap. Maar daarbij blijft het niet. In twaalf achtereenvolgende hoofdstukken (13 t/m 23) vinden we profetieŽn over de toenmalige volkerenwereld opgetekend. De IsraŽlieten zullen omwille van hun begane zonden veel ellende te verduren krijgen van de kant van deze volkerenwereld. Maar uiteindelijk rekent de HERE hun God met al die volkeren af, met als hoogtepunt dat Babel door de Meden (vers 17) zal worden verwoest. Het Joodse volk zal de verlangde vrijheid terugkrijgen (Jesaja 14 vers 1). De oordeelsprofetieŽn over de volkeren geven zodoende troost aan ons als we in ellende en onder druk verkeren: God zal zich nog ontfermen over zijn volk!

5 april : Jesaja 14
Hoofdstuk 14 sluit nauw aan bij hoofdstuk 13, maar geeft wel een nieuw element te zien. In hoofdstuk 14 vers 1 wordt gesproken over de vreemdeling die zich dan bij hen zal aansluiten. Ten tijde dat God zich zal ontfermen over zijn volk zullen de heidenen zich bekeren tot de Here en zich voegen bij zijn volk. Deze voorzegging van Gods ontferming vindt zijn hoogtepunt in de zending van Gods Zoon naar deze wereld. Na zijn komst zullen de heidense volkeren zich massaal bij Gods volk aansluiten en samen zullen zij Christus Jezus met waar geloof aanhangen. In ťťn perspectief wordt hier de bevrijding van het Joodse volk uit de Babylonische ballingschap (terugkeer op eigen bodem!) en de oprichting van de nieuwtestamentische kerk (de vreemdeling die zich bij Gods volk zal aansluiten!) voorzegd: dat nu wordt profetisch perspectief genoemd. Typisch oudtestamentisch is het dat de oprichting van de nieuwtestamentische kerk zo op raadselachtige wijze door de profeet wordt gezegd. Zo'n tekst wordt pas echt duidelijk als het licht van Christus erop valt.

6 april : Jesaja 15 en 16
Wat opvalt is dat de profeet in de verleden tijd spreekt: Moab is verwoest! Het wil zeggen: het onheil over Moab is vast besloten. God is de Wreker van het vele onrecht dat zij zijn volk hebben aangedaan! Hoewel een broedervolk, de Moabieten waren afstammelingen van Lot, de neef van Abraham, stonden ze altijd vijandig tegenover de IsraŽlieten. Ze stonden bekend om hun hoogmoed tegenover God en zijn volk. Maar hun ondergang staat daarom dan ook vast. Wat opvalt in deze profetie is het medelijden waarmee de profeet de rampspoed tekent die de Moabieten zo dodelijk zal treffen. Vers 5: Mijn hart schreeuwt om Moab!
Ook de hoofdstukken 15 en 16 sluiten nauw bij elkaar aan. Ook in hoofdstuk 16 is sprake van een nieuw element: de Moabieten die zullen vluchten naar Sion, zullen aldaar een veilig heenkomen vinden. Willen de Moabieten overleven dan zullen zij zich dus moeten onderwerpen aan Davids huis! Het al eerder genoemde profetisch perspectief komt met name in vers 5 heel sterk naar voren. Daar wordt in bedekte termen gesproken over de komst van de Christus, de rechtvaardige Heerser, die als koning voor altijd zal heersen over het huis van Jakob (vg. Lucas 1: 32-33). In deze profetie klinkt al de blijde boodschap dat arme zondaren die bij de Christus van God schuilen, zullen ontkomen aan dood en hel, ja onaantastbaar leven in Hem ontvangen.

7 april : Jesaja 17
Evenals het land Moab zal ook het rijk van Damaskus, dat is het land SyriŽ, aan de vernietiging worden prijsgegeven. Opmerkelijk is dat de profeet in ťťn adem ook Gods komende oordeel over het 10-stammenrijk EfraÔm noemt. Het zijn ook bondgenoten! Geestelijk heeft EfraÔm zich verzwagerd met de heidense SyriŽrs. Samen ondergaan ze daarom Gods straf, geslagen door de roede van de AssyriŽrs. Er is ťťn lichtpuntje: in vers 7 staat dat te dien dage de mens zijn blik zal richten op zijn Maker en niet op de altaren, die maaksel zijn van eigen handen! Door Gods genade zullen er toch nog IsraŽlieten uit het 10-stammenrijk zijn die dan berouwvol zullen opzien naar de Heilige IsraŽls! In de verzen 12-14 wordt de smadelijk ondergang getekend, die de AssyriŽrs, die zoveel ellende hebben veroorzaakt, op hun beurt te wachten staat. God regeert, vrees Hem!

8 april : Jesaja 18
In de hoofdstukken 18 en 19 gaat het over EthiopiŽ en Egypte. Deze twee landen hebben een tijdlang ťťn rijk gevormd. EthiopiŽ grenst ook aan (Opper-)Egypte. Het land Kanašn, waar de IsraŽlieten woonden, lag tussen AssyriŽ en Egypte, twee landen die in die tijd naar wereldheerschappij streefden, in. De koningen van Juda, bijvoorbeeld van Hizkia, zijn geneigd om tegenover het oprukkende AssyriŽ een bondgenootschap met Egypte te sluiten. In deze profetie laat de HERE weten, dat je dan wel op de verkeerde macht je vertrouwen stelt. Niet EthiopiŽ zal de macht van AssyriŽ verbreken - AssyriŽ zal zelfs doordringen tot in het verre EthiopiŽ - maar God zal plotseling de macht van de AssyriŽrs verbreken! Dat is de boodschap: vertrouw dan op de HERE God! (Zie voor de vervulling van deze voorzegging: Jesaja 37: 36-38). Het profetisch perspectief van dit gedeelte reikt ver, tot op de dag van vandaag: God, die zijn volk na het zure van de antichristelijke verdrukkingen, het zoete van de prediking van het Evangelie van onverdiende genade geeft!

9 april : Psalm 119: 17 - 40
Psalm 119 is een echt kunstwerk, waarmee de dichter zijn vreugde over de wet van de HERE tot uiting brengt: 'Hoe lief heb ik Uw wet!' Daarbij is als alle psalmen ook psalm 119 een profetie van de Christus. Door zijn Geest geeft Christus vooraf getuigenis van zijn liefde voor Gods geboden. De betrokkenheid van deze oudtestamentische psalm op Christus is belangrijk om psalm 119 goed te begrijpen. Al te gemakkelijk zou anders op grond van bijvoorbeeld de verzen 22b en 23b geconcludeerd kunnen worden, dat ware gelovigen in dit leven in staat zijn om Gods wet volkomen te bewaren en te volbrengen. Maar ook de dichter van psalm 119 moet het hebben van de genadige toerekening van Christus' gerechtigheid. Doe wel aan uw knecht, dan zal ik leven! (vers 17). Deze genade wordt de gelovigen echter nooit zonder de Heilige Geest geschonken. De Geest die hun hart vernieuwt, zodat zij zich ernstig voornemen om naar al Gods geboden te beginnen te leven. Hoewel het nog maar een klein beginsel van gehoorzaamheid is, is het geen schijn, maar werkelijkheid: 'Hoe lief heb Ik uw wet!' (vergelijk 44 HC).

10 april : Jesaja 19
Egypte is voor de IsraŽlieten vaak een toevluchtsoord in barre tijden geweest. Als AssyriŽrs of BabyloniŽrs zich sterk maken dan nemen veel IsraŽlieten de wijk naar Egypte. Ook de Judese koningen zoeken vaak steun bij Egypte. De gevolgen laten zich raden: dit leidt gemakkelijk tot een overdreven vertrouwen op de Farao's en op Egyptes macht. De profeet geeft in hoofdstuk 19 (opnieuw) te kennen, dat je dan wel bedrogen uit zult komen. God breekt de macht van Egypte door innerlijke verdeeldheid. En mocht je als IsraŽliet je hebben gevestigd in Egypte - en je daar dus veilig wanen - dan zul je toch ook daar ervaren, dat je je niet aan Gods straffende hand, waaronder Hij zijn volk vanwege hun zonden gebukt doet gaan, kunt onttrekken (vers 17): Egypte wordt namelijk prooi van een burgeroorlog. Maar vanaf vers 18 klinkt dan ook hier het Evangelie van genade: God zal zich nog over 'niet-zijn volk', Egypte, ontfermen. Hij zal hen slaan ťn helen, en zij zullen zich bekeren tot de HERE. Ja, in die dagen zullen de aartsvijanden, AssyriŽ en Egypte, zich samen verenigen onder de banier van het Evangelie. Een profetisch vergezicht op de Christus die door zijn unieke offer scheidingsmuren wegbreekt: Hij is onze vrede: Hij die vrede maakte in Zichzelf tussen hen die dichtbij zijn (Joden) ťn die veraf zijn (heidenen).

11 april : Jesaja 20 en 21
Jesaja kreeg van de HERE opdracht om 3 jaar ongekleed en barrevoets te lopen. Het was een teken van de diepe vernedering die de Egyptenaren en EthiopiŽrs zouden ondergaan van de kant van de AssyriŽrs. Maar waar blijf je dan als volk van God als je je vertrouwen juist op de Egyptenaren en EthiopiŽrs hebt gesteld? Opnieuw is de boodschap: wie niet op de onverdiende goedheid van de HERE zijn God vertrouwt, komt beschaamd uit. Maar wie op de HERE vertrouwt zal niet teleurgesteld uitkomen (vergelijk Psalm 25:3).
In hoofdstuk 21 wordt Babels val voorzegd. De profeet verkeert daarbij in visionaire vervoering. Het is alsof hij de laatste koning van Babel, de goddeloze Belsazar, in eigen persoon is, die bij het naderen van de vijandelijke Meden uitroept: 'Ik krimp ineen ..., ik ben verschrikt...!' Het ongelofelijk gebeurt: 'Gevallen, gevallen is Babel!' De Gode vijandige machten gaan eraan! Niet altijd zal Babel Gods volk kunnen vernederen, eens zal het Gods volk in vrijheid moeten laten gaan. Profetisch wordt hier de verlossing van Gods kerk uit alle onderdrukkende antichristelijke machten voorzegd, zo vaak als op de klanken van het Evangelie de muren van Babel omver vallen. Zoals in Openbaring 14:8 wordt voorzegd: 'Gevallen, gevallen is het grote Babylon!' En: 'Gaat uit van haar, mijn volk!' (Openbaring 18,4). Hoofdstuk 21 sluit af met ietwat duistere profetieŽn over Edom en ArabiŽ, waaruit echter ťťn ding wel heel duidelijk is, namelijk dat Gods volk van deze volkeren niets meer te duchten zal hebben.

12 april : Jesaja 22
De Godsspraak over het 'Dal van het Gezicht' neemt een bijzondere plaats in in het geheel van de volkerenprofetieŽn. Deze profetie gaat over het Heilige Land, dat door Gods genade het 'Land van de ruime blik' geworden! God had aldaar door zijn Woord licht in de duisternis gegeven. Maar van dat licht was weinig meer van over, want ze hadden God verlaten. En wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen. Als de BabyloniŽrs oprukken en de stad Jeruzalem omsingelen zakt hen alle moed in de schoenen: God verlamt hun geestkracht en panische angst overvalt hen. Zo vergaat het hen die zich de genade van de God onwaardig maken. De Jeruzalemmers nemen de waarschuwingen van de profeten niet serieus en zeggen: 'Als het er dan toch van moet komen dat wij omkomen, laten wij het er vandaag dan nog van nemen: eten, drinken en vrolijk zijn!' (vers 13). De zonde van de onbekeerlijkheid van het hart is onvergeeflijk. Het oordeel van God over hen staat vast (vers 14). Daarna volgen nog de bekende profetieŽn over Sebna en Eljakim, de 'sleuteldragers' van de koning. Deze profetieŽn laten zien dat het nepotisme (dat is onrechtmatige bevoorrechting van de familie) hoogtij in Jeruzalem viert. Naast een waarschuwing geeft deze profetie troost voor de nederige kinderen van God: wie zichzelf verheft doet God op Zijn tijd vallen! En hun val zal groot zijn!

13 april : Jesaja 23
AssyriŽ, Babel en Egypte vertegenwoordigen de wereldrijken. Tyrus en Sidon (de landstreek FeniciŽ) zijn de representanten van de handel en van de wereldmachten die over de zeeŽn heersen. Ook hun ondergang wordt voorzegd. De steden zullen namelijk door Babel worden verwoest. Dit was iets ongehoords: de maagd (Tyrus en Sidon) was nog nooit lastig gevallen! Het slot van hoofdstuk 23 is opmerkelijk. God zal hen genadig zijn. Na zeventig jaar zullen de steden weer opbloeien. De beide steden zullen als 'hoeren' opnieuw de volkeren verleiden handel met hen te bedrijven. Toch valt ook hier een nieuw element te beluisteren: Gods genadig omzien naar deze steden leidt ertoe dat zij hun hoerenloon ten goede van Gods koninkrijk zullen aanwenden. Na de komst van de Christus zal het Evangelie van genade ook bij hen ingang vinden, zodat TyriŽrs en SidoniŽrs (Psalm 87!) zullen zingen dat hun bronnen in Sion zijn ontsprongen. In plaats van hebzucht zal dan dankbaarheid hun leven kenmerken!

14 april : Jesaja 24
In hoofdstuk 24 nemen de aangekondigde gerichten over de volkeren van de aarde dramatische vormen aan. Er zijn daarom ook uitleggers die hierin een profetie van de apocalyptische eindtijd zien: een tekening van de laatste dagen van deze wereld of van de jongste dag. Toch lijkt deze uitleg mij niet de juiste toe, gelet op wat er staat in verzen 14-16. Daar is sprake van licht temidden van deze duisternis: volkeren van de kustlanden prijzen de naam van de HERE, de God van IsraŽl! God zal temidden van deze tijden vol onheil een groot werk verrichten: tot aan de einden van de aarde zullen de volkeren Hem aanbidden. Hen zal een groot Licht verlichten, waarbij het licht van zon en maan zal verbleken. Zon en maan zullen zich schamen als het Licht van de wereld verschijnt, de Christus van God! (vers 23)

15 april : Jesaja 25
Onder de heerschappij van Sions grote Koning gebracht (24: 23), prijst Gods verloste volk haar HERE. De tirannie van Babel is door de HERE verbroken en Gods volk jubelt: God heeft ons bevrijd en welgedaan! God doet het brallende spreken van de vijanden verstommen. Dankbaar juichen Gods kinderen: HERE, Gij zijt mijn God, U wil ik loven! Profetisch geeft dit lied al stem aan onze dank, die we ondermeer bij het Heilig Avondmaal uiten, dat de Here Jezus ons door zijn zoenoffer bevrijd heeft uit de machten van zonde, dood, hel en duivel. In het tweede gedeelte van dit hoofdstuk (6-12) wordt vooral deze draad verder opgepakt en verder uitgewerkt: de HERE heeft door zijn zoenoffer de dood verzwolgen door zijn overwinning. Hij zal alle tranen afwissen en de smaad van zijn volk zal Hij van de heel aarde wegnemen. De Here Jezus heeft zich voor ons vernederd tot in de dood, zodat wij bij God in ere zijn. Bij Christus' tweede komst zal dat voor aller oog ook zichtbaar worden.

16 april : Psalm 119: 40- 64
De wet is de vreugde van de dichter. Veel uitdrukkingen staan tot zijn beschikking om zijn liefde voor de wet tot uiting te brengen: Zie naar Uw bevelen verlang ik (vers 40); Uw verordeningen verbeid ik (vers 43); ik zoek U bevelen (vers 45); ik zal spreken over uw getuigenissen (vers 46); ik verlustig mij in uw geboden (vers 47), die ik lief heb (vers 48); ik overdenk uw inzettingen (vers 48). Gods wet is hem zo lief. Hij vraagt dan ook: HERE, maak mij levend door uw gerechtigheid, namelijk om Uw bevelen te doen. Want om het doen van Gods geboden is het de dichter te doen. Er is een groot verschil tussen weten en doen, tussen Gods geboden kennen en Gods geboden onderhouden. Alleen bij Christus ligt dit in ťťn hand. Van zijn genade en gerechtigheid moet de dichter het daarom hebben! Maar tegelijk: ook voor hem behoren weten en doen wel bij elkaar. In Christus' kracht je erop toeleggen om Gods geboden te kennen en te doen! Daar gaat het de dichter om, en daar smeekt hij zijn God om! Dan begrijpen we ook de keerzijde van zijn liefde voor de wet: zijn verontwaardiging over hen die Gods wet verlaten (vers 53). Hij is een vriend en metgezel van allen die God vrezen en van hen die Gods bevelen onderhouden! (vers 63). Kent u dat ook: gevoelens van verontwaardiging jegens hen die Gods geboden loslaten en weet u zich een vriend van hen die Gods bevelen onderhouden?

17 april : Jesaja 26
De hoofdstukken 26 en 27 vormen een gedicht, dat ook geschikt is om als lied gezongen te worden. Het heeft als eerste doel het Joodse volk op te beuren als ze straks (na Jesaja's dood) terneergeslagen door de wegvoering aan Babels stromen zitten. Het zingen van een lied dat God nog eens in genade zal omzien, geeft moed aan ouders, kinderen en kleinkinderen. Jesaja legt hen dingen op de lippen die onvoorstelbaar zijn: 'Herleven zullen uw doden - ook mijn lijk - opstaan zullen zij. Ontwaakt en jubelt, gij die woont in het stof!' (vers 19). Jesaja reikt hen hier een geloofslied aan! Een lied dat niet blijft steken in de verootmoediging over Gods gerichten, waardoor hun leven vanwege hun zonden is weggezonken in ballingschap (vers 18), maar dat uitloopt op de belijdenis van hun persoonlijke opstanding. Want Jezus leeft -Hij die voor onze zonden heeft betaald - en wij leven door Hem! Ook mijn lichaam zal met mijn ziel verenigd eens opstaan uit het graf. Een zondagslied!

18 april : Jesaja 27
Het lied op de sabbat (Psalm 92) laat ons weten, dat Gods grote daden ook de voltrekking van de straf aan de goddelozen inhoudt. Op het moment dat deze strafvoltrekking plaatsvindt doe je er goed aan, als Gods volk in huis te blijven (Jesaja 26: 20), dat wil zeggen: houdt goede moed en blijf volharden bij de ware dienst van God, want veel tijd zal de voltrekking van de straf God niet kosten. Gods vijanden schijnen wel jaar in jaar uit straffeloos God te kunnen lasteren en Gods kinderen te kunnen kwellen, maar plotseling keert het getij. En reken maar dat God hen dan zal weten te vinden! Ook de Leviathan en de draak, hier symbolen voor de satan en zijn trawanten, zullen eens hun verdiende loon ontvangen. In het verlengde hiervan geeft de apostel Paulus deze bemoediging in Romeinen 16: 20 ons mee: 'De God nu des vredes zal weldra de satan onder uw voeten vertreden!'
Ontkoming aan Gods strafvoltrekking is er alleen voor wie bij de Here schuilt (vers 5). 'Laat u dan met God verzoenen!', is de boodschap die hier klinkt. Daarop volgt dan een prachtige belofte: IsraŽl zal bloeien en groeien! Gods volk zal weliswaar vanwege haar zonden haast tot niets worden teruggesnoeid, maar de Goddelijke Tuinman heeft ervoor gezorgd, dat er een gezonde kern in leven is gebleven. Uit die kern zal zich een reuzenboom ontwikkelen: Het heil is uit de Joden: het Evangelie van Jezus Christus zal vruchten dragen tot aan de einden van de aarde! Maar voordat het echter zover is zal eerst het louteringsproces van het Joodse volk plaatsvinden (vers 8b). De uitkomst daarvan is verrassend: van heide en ver, uit Egypte en uit Assur, zullen de verdreven Joden uit de ballingschap terugkeren en zich neerbuigen voor de HERE op Sion. Profetisch wordt ons hier het vergezicht geboden op Gods ontferming die nog veel verder reikt dan de toenmalige terugkeer van de Joden, zoals blijkt uit de woorden waarmee wij na de komst van Christus zijn aangesproken: 'u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen!' (1 Petrus 2:10).

A. van der Sloot, Bedum

19 april: Jesaja 28
Het eerste gedeelte van dit hoofdstuk beschrijft de schoonheid van Samaria. Het is een indrukwekkende stad op een platte heuvel temidden van vruchtbare akkers. Maar deze trotse 'kroon' staat op het hoofd van een dronken, verlopen feestvierder. Als een vroege vrucht wordt de stad ontdekt en verslonden.
Zoals Samaria in haar goddeloze roes ten onder is gegaan, zo zal het ook Jeruzalem vergaan. Men vlucht in eenzelfde feestroes om aan de werkelijkheid te ontkomen. De restanten van de feestmalen zijn meer dan walgelijk en de dronkemanspraat slaat nergens op. De verzen 10 en 13 zijn in de nieuwste bijbelvertaling terecht onvertaald weergegeven als onnozel gebrabbel. God keert zich tegen zijn volk, dat zich aan de zonde overgegeven heeft. Op allerlei manieren tracht de HERE hen tot inkeer te brengen. Alleen een 'rest' geeft gehoor aan zijn stem.

20 april: Jesaja 29
Bestraffing ťn redding zijn het werk van de HERE. Als Jeruzalem ontrouw is, gebeuren er dingen die men niet voor mogelijk had gehouden. Alle rituelen blijken tevergeefs. Een overweldigende menigte vijanden dreigt Jeruzalem onder de voet te lopen. Maar God rekent op een wonderlijke manier met heel die vijandige menigte af. We kunnen hierbij denken aan de bevrijding van Jeruzalem onder Hizkia, maar het gaat verder en dieper. Het is ook een beeld van de verlossing die God in de laatste fase van de wereldgeschiedenis zal geven.
Voor Gods volk van alle tijden en alle plaatsen komt het erop aan Hem niet slechts met onze lippen te dienen, maar met ons hart en heel ons leven. Onze taak is niet het beoordelen van het werk van de Boetseerder, maar het eren van Hem.

021 april: Psalm 119: 65-88
In dit gedeelte komen we iemand tegen die in zijn eigen leven grote moeite heeft gekend. Hij weet wat het is om door vijanden in het nauw te worden gebracht. Door leugens en bedrog kwam hij helemaal klem te zitten. In dit vijandige optreden van zijn tegenstanders zag de dichter de hand van de HERE. Hoe zwaar het ook voor hem was, het bracht hem dichter bij zijn God. Met heel zijn wezen keek hij uit naar het ingrijpen van de HERE. Hij smacht om hulp. Maar bovenal leeft in hem het vurige verlangen de Here te dienen en zijn geboden te onderhouden. Ik moet denken aan wat de apostel Paulus later zou schrijven: "als ik zwak ben, dan ben ik machtig" (2 KorinthiŽrs 12: 10). Herkent u/jij dat in uw/jouw eigen leven?

22 april: Jesaja 30: 1-17
In de onzekere politieke werkelijkheid van die dagen met de enorme dreiging van het Assyrische rijk zochten de leiders van kleinere volken steun bij elkaar. De leiders van het tweestammenrijk Juda keken ook nadrukkelijk naar de grootmacht in het zuiden: Egypte. Men probeerde via bondgenootschappen een dam op te werpen tegen het gevaar uit het noorden. Hoe begrijpelijk dit soort politiek-strategisch-militair overleg ook was, men ging bij het hulp zoeken aan de HERE voorbij. Sterker nog: God waarschuwde bij monde van de profeten keer op keer tegen het op deze wijze zoeken van steun. Juda luisterde niet naar deze stem. Men vond geloven in God prima voor in de tempel, maar in de grote politieke werkelijkheden kon men er niks mee. Hoe zit dat eigenlijk bij ons?

23 april: Jesaja 30: 18-33
Opnieuw zien we hoe oordeelsprofetieŽn worden afgewisseld met beloften van heil en toekomst. God is een God van recht. Bovenal wordt Hij gekenmerkt door liefde en genade. Hij verlangt er naar Zich over zijn volk te ontfermen. Hij staat klaar om te antwoorden op hun gebed. Opvallend is de wijze waarop de HERE redding geeft. Hij zorgt voor mensen die het volk op de juiste wijze geestelijk onderwijs geven. De Bijbel gaat open. En de HERE opent de ogen en de harten voor dat Woord. In de weg van concrete bekering komt de zegen. De afgoden moeten worden weg gedaan en men zal alles van God moeten verwachten. Dan is geen ding onmogelijk. Grootmachten als AssyriŽ storten zomaar ineen. Zalig is wie luistert naar het Woord van God en Hťm gehoorzaamt.

24 april: Jesaja 31
Opnieuw komt hetzelfde thema naar voren. Er is geen heil voor wie het van mensen verwacht. Het is heel verleidelijk om te kijken naar wagens en paarden, dat wil zeggen naar de militaire kracht. Maar daar moet je het niet van hebben.
Het "de blik richten op" heeft een religieuze ondertoon. Men zou zich in overgave en verwachting tot God moeten richten. Maar men passeert Hem voor andere machten. En als je dan die afgod Egypte nog eens nader gaat bekijken, dan ontdek je een wereld van ongerechtigheid. Wat een waanzin om daarmee in zee te gaanÖ.
De HERE zal de macht van zowel Egypte als AssyriŽ te niet doen. Alleen bij IsraŽls God ben je werkelijk veilig.

25 april: Jesaja 32
In dit hoofdstuk treedt een rechtvaardige koning naar voren, die een toevlucht is voor zijn volk. Er worden woorden gebruikt die aan God Zelf doen denken. Wij herkennen in Hem de Messias, onze Heiland Jezus Christus. Voorafgaande aan zijn komst zal echter het zorgeloze en trouweloze Jeruzalem te gronde gaan.
De grote ommekeer, waarover ook eerder gesproken werd (b.v. Jesaja 29:17), wordt gekenmerkt door de uitstorting van de "Geest uit de hoge". Deze Geest zal vernieuwing brengen. Een vernieuwing die verder gaat dan de bekering van mensen. Ook de dieren zullen delen in de zegen. Ja, heel de schepping krijgt trekken van het paradijs.
We horen in deze woorden de belofte van de Schepper dat Hij alle dingen nieuw zal maken.

26 april: Jesaja 33
De verwoester zal verwoest worden. God Zelf verheft Zich. Het oordeel komt. Er wordt afgerekend met de volken die Gods volk hebben belaagd. Maar het oordeel begint bij het huisgezin van God. De HERE is een heilig God, een verterend vuur voor alles wat verdorven is. Velen in Jeruzalem hadden Hem niet echt serieus genomen en leefden in de praktijk naar hun eigen maatstaven. Het oordeel overvalt hen, zij zijn nergensÖÖ
De gelovigen in Jeruzalem hadden eveneens zwaar te lijden onder de val van de stad. Maar zij hoefden Gods nabijheid niet te vrezen. Voor hen is er toekomst. De Messias zal hun Koning zijn. Jeruzalem wordt de stad van de vrede. Oorlogsschepen worden ontmanteld. Er is leven en overvloed. God tekent de toekomst ook om jouw leven richting te geven!

27 april: Jesaja 34
Er zijn van die bijbelgedeelten die je doen huiveren. Vanaf vers 5 wordt de voltrekking van het oordeel over Edom beschreven. Evenals Moab, AssyriŽ en Babel staat dit volk symbool voor alle God-en-mens-vijandige machten. Het oordeel en de daaruit voortvloeiende chaos en leegte worden beschreven als weloverwogen handelingen van de rechtvaardige Rechter. Het onbewoonbaar geworden terrein is nadrukkelijk afgescheiden van het woongebied van de mens.
Wat er met Edom vanwege diens zonden is gebeurd is vooral sprekend voor wie in die eeuwen rondom het begin van onze jaartelling dat gebied kende. Het is een aangrijpend beeld voor het oordeel dat aan het eind van de tijd komt over alle volken. Aan dat oordeel is alleen te ontkomen doordat Jezus voor de zijnen die vlammende toorn van God heeft ondergaanÖ.

28 april: Jesaja 35
Het verhaal van het wereldgericht is niet afgelopen met schokkende beelden van een geteisterde aarde. Het dorre land komt tot leven. Water vernieuwt het aangezicht van de woestijn. Fris groen en een geweldige bloemenpracht sieren de aarde.
Er blijken ook mensen in het oordeel gespaard te zijn gebleven. De schrik maakt plaats voor blijdschap. Het leven bloeit op. God Zelf is het die redt.
Dan wordt een gebaande weg zichtbaar die naar Sion leidt. In de Mardoektempel van Babel was een dergelijk thema verwerkt: een 'heilige weg' versierd met leeuwen en draken. Ik moet denken aan Jezus die Zichzelf 'de weg' noemt. Via Hťm komen we in het beloofde land.

29 april: Psalm 119: 89-112
De inzettingen van de HERE die ons leven de juiste richting wijzen worden hier verbonden met de wetmatigheden van de schepping. Het is ťťn loflied op de almacht en de wijsheid van God. Eerbiedig geeft de gelovige dichter zich over aan Hťm. Gods Woord is voor hem kostbaarder dan alle schatten van deze aarde. Dat Woord is zijn leven. Hij overdenkt het gedurig. Door dat Woord laat hij zich leiden. Het stempelt heel zijn doen en laten. In ťťn zin samengevat: Uw Woord is een lamp voor mijn voet, een licht op mijn pad.
God Zelf is het die de woorden van deze dichter tot de Zijne maakt. De HERE wil u en jou doordringen van de waarde van zijn Woord. Laat deze lamp schijnen op jouw levensweg!

30 april: Jesaja 36
In het jaar 701 voor Christus onderneemt de koning van AssyriŽ een veldtocht tegen Juda. Alle steden worden onder de voet gelopen. Dan zendt Sanherib zijn maarschalk naar het laatste bolwerk: Jeruzalem. De maarschalk opent de aanval met een sterk staaltje psychologische oorlogsvoering. Scherp is de spot waarmee Hizkia en Juda gekleineerd worden. Bondgenoot Egypte wordt als bedrieglijk neergezet. Slim wordt ingespeeld op negatieve gevoelens ten aanzien van Hizkia vanwege het opruimen van de eredienst op de hoogten. Maar het meest venijnig is wel de spot jegens de HERE. Wie haalt het in z'n hoofd te denken dat de HERE opgewassen zou zijn tegen de macht van AssyriŽ?! Hizkia had een dergelijke rede voorzien. Het meest gepaste antwoord op intimidatie is nog altijd: zwijgen.

L.C. Buijs, CGK Groningen