Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-3, september
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 september: EzechiŽl 37: 15-28
Het boek Ezechiel is vol met 'plaatjes'. Om iets duidelijk te maken. Hier gaat het over twee stukken hout. Die moeten uitbeelden hoe het vroeger was toen IsraŽl een verscheurd land was, met het tienstammenrijk en het tweestammenrijk. De twee stukken hout worden samen gebonden. Om aan te geven dat die verdeeldheid straks voorbij is. Verdeeldheid onder zijn kinderen vindt de Here een gruwel. Hier gaat het om de tijd na de ballingschap. Er is ook weer sprake van ťťn koning. En weer wordt gesproken over die koning als mijn knecht David. Hij is de ene herder. Er wordt verder gesproken over een verbond van vrede dat eeuwig duurt. Op deze manier wordt duidelijk dat het in EzechiŽl om meer gaat dan de terugkeer van het oude volk IsraŽl. Er wordt ons een blik gegund in het koninkrijk van Jezus Christus, zoals dat er vandaag is, waarin wij ons, als zijn schapen, veilig mogen weten.

2 september: Ezechiel 38
Een bijzondere naam komt ons tegemoet. De naam Gog. Gog staat voor een sterke aardse macht die zich stelt tegenover God en zijn volk.
Deze gaat optreden als IsraŽl is teruggekeerd en mag leven in vrede, zonden muren en poorten. Gog wordt getekend als het gevaar dat uit het noorden komt. God zal die macht laten optrekken tegen z'n eigen volk. Maar Hij zal het ook vernietigend tegemoet treden. We horen van een aardbeving. God zal hen straffen. We mogen ook hier denken aan het eindoordeel van God dat eenmaal komt, wanneer God zijn vijanden zal straffen.

3 september: EzechiŽl 39
Het gaat over de ondergang van Gog, die zo brutaal in verzet komt tegen de Here. Het land zal gereinigd worden. En we denken aan de wereld die gereinigd zal worden en die dan overgaat in een rijk van vrede. God zal recht spreken over alle volken. Er wordt bij Gog ook concreet gedacht aan de goddeloze Antiochus Epifanes, een vorst uit het noorden. Deze heeft tot in Jeruzalem toe God en zijn volk bestreden. (Zie DaniŽl 11, vers 40 en volgende.) De MakkabeeŽn komen in verzet. (Zie het apocriefe bijbelboek: 1 MakkabeeŽn hfd. 1.) Zie voor de eindafrekening van Gog in de toekomst: Openbaring 20:8,9 en EzechiŽl 38:22.

A.H. Driest, Groningen-Zuid

4 september: EzechiŽl 40:1-27
Nou, maak de borst maar nat: hoofdstukken lang allerlei afmetingen van een nooit gebouwde tempel, waar je vaak ook nog geen touw aan vast kunt knopen. Waarom staan deze hoofdstukken nou in de bijbel? In elk geval niet om elke dag even een stukje te lezen voor een gezin met kinderen aan tafel. Dat kweekt alleen maar afkeer van de bijbel.
Jammer dat de bijbel geen plattegronden kent. Een schemaatje van een plattegrond is veel inzichtelijker dan een geschreven plattegrond.
Op grond van de hoofdstukken 40-48 hebben allerlei uitleggers wel zelf een plattegrond of een drie dimensionale reconstructie ontworpen. Je ziet er hier twee. Het helpt mij wel om bij het lezen een indruk te krijgen van wat er ongeveer bedoeld wordt.
Deze keer een beschrijving van de tempel aan de buitenkant. Er zijn drie toegangspoorten. Opvallend is dat het niet zomaar een opening is zoals bij de tabernakel, maar dat het complete bouwwerken zijn. De tempel krijgt hierdoor iets van een onneembaar fort. Wat zou dat zeggen?


5 september: EzechiŽl 40:28-49



Vandaag leidt de gids ons van het buitenplein via weer een nieuwe poort naar het binnenplein.
Ook hier weer drie poorten, die er als echte stadspoorten uitzien, waardoor de eigenlijke tempel dus door een dubbeldikke muur met telkens forse poortgebouwen beschermd wordt. Je loopt niet zomaar door naar de tempel!
Let er ook op dat je steeds hoger komt. In de buitenste poort moet je 7 treden klimmen, in de binnenste poort 8 treden. En voor je de tempel binnenkomt nog eens 10 treden. 25 in totaal. De tempel is symbool van de hemel als woonplaats van God; daarom klim je op tot je God ontmoet in zijn heiligdom. Hoe dichter je bij God komt, des te hoger stijg je op!
Mooie gedachte als je naar de kerk gaat en lofliederen aanheft: je klimt op tot de Allerhoogste.

6 september: EzechiŽl 41
Nu zijn we bij de echte tempel. Was het de bedoeling van dit visioen om de tempel die door Nebukadnezar verwoest was, op deze manier weer op te bouwen?
EzechiŽl 43:11 zegt dat de maten worden gegeven om nagebouwd te worden. Maar Nehemia en Ezra hebben het zo niet begrepen. Ik neem aan dat ze de beschrijving van dit visioen van EzechiŽl gekend hebben. Toch hebben ze niet deze afmetingen gebruikt voor de nieuwe tempel die zij na de ballingschap gingen bouwen.
Verderop gaat EzechiŽl ook het heilige land verder indelen voor de 12 stammen. Dit gebeurt zo schematisch en met zo weinig oog voor de werkelijke geografie van het land, dat je de indruk krijgt dat dit visioen niet bedoeld is als handleiding voor echte landverdeling. Zou ook de tempel met zijn afmetingen alleen symbolisch bedoeld zijn?
Volgens anderen echter wachten deze instructies uit EzechiŽl 40-44 nog steeds op de tijd dat ze letterlijk worden uitgevoerd. Dat lijkt me vreemd: na het offer van Christus zie ik geen plaats meer voor een letterlijke offerdienst.
Hoe dan ook, ik hou het erop dat dit visioen in elk geval een bemoediging is: de HERE heeft in EzechiŽl 8-10 ook in een visioen laten zien dat Hij weg ging uit de tempel van Salomo. Gevolg van deze leegstand was de verwoesting vlak daarna.
Maar houd ook tijdens de ballingschap moed: Hij wil straks opnieuw te midden van zijn mensen komen wonen.
Het paradijs keert terug: vandaar die palmbomen en engelfiguren in de versiering van de tempel.
Opvallend is dat er in deze nieuwe tempel veel minder goud blinkt dan in die van Salomo. Om alle aandacht op de aanwezigheid van de HERE zelf te richten?

7 september: EzechiŽl 42
Als je bij een patiŽnt op de Intense Care op bezoek gaat, moet je vaak eerst je handen wassen, een mondkapje voordoen, een schort aantrekken en sloffen om je schoenen. Je zou anders van straat allerlei bacteriŽn kunnen meenemen naar deze afdeling. En niet voor niets ligt de patiŽnt op Intensive Care. Vandaar die sluis, met alle voorzorgsmaatregelen.
Nu wil ik God niet vergelijken met een ernstig zieke patiŽnt. Wel kun je het voorbeeld gebruiken om duidelijk te maken dat Gods heiligheid op geen enkele manier door ons straatvuil aangetast mag worden. De vorige tempel was verwoest omdat mensen er in en uit liepen alsof het hun eigen huis was. Maar God is heilig. Alleen via heilige priesters die het onderscheid tussen heilig en niet-heilig kennen, is Hij toegankelijk. Christus is onze heilige priester door wie wij priesters mogen worden. We mogen binnen komen als we ons eerst aankleden met Christus.

8 september: Psalm 99
Deze psalm geeft de strekking van EzechiŽl 40-44 heel goed weer: God is heilig en wie Hem wil vereren moet goed beseffen dat je in Hem niet met de eerste de beste te maken hebt.
Aanbidding is wat ons past als we naar Hem toegaan, gepaard met dank voor de vergeving die we via onze priester Jezus Christus gekregen hebben.

9 september: EzechiŽl 43
God komt terug, en wil weer wonen in ons midden. Probeer de indrukwekkende beelden van zijn macht en majesteit in de eerste verzen van dit hoofdstuk eens op je in te laten werken. Denk je in dat je erbij stond. Wat gaat er door je heen?
Nog indrukwekkender zullen de Here God met Jezus Christus in al hun heerlijkheid in ons midden komen tronen op een nieuwe aarde.
De tempel staat helemaal vrij, niet meer zoals eerst tegen het paleis van Salomo aangebouwd. Die weelde bleek niet te dragen, en leidde tot ontheiliging van de heilige woning van God. Vandaar een vrijstaande woning voor God. Maar vanuit deze woning van God, vanuit de ontmoeting met Hem wordt het omliggende gebied ook zeer heilig. Hoe straalt de hoge heiligheid van God door in uw dagelijkse leven?

10 september: EzechiŽl 44:1-16
De buitenste Oosterpoort mag nooit meer gebruikt worden. De Here is erdoor binnengekomen, en nu blijft Hij dicht. Ook weer een blijk van de grote heiligheid van de HERE. Hij heeft de deur achter zich dichtgetrokken, omdat Hij nooit weer weg wil gaan.
Wie mag binnenkomen en wie niet? Wie onbesneden is van hart en lichaam mag niet naar binnen. De GrootNieuws vertaling zegt het mooi: "wie onbesneden is, wie Mij niet met hart en ziel is toegedaanÖ" (vers 9). Heb je je hart laten besnijden, ben je opnieuw geboren en heb je je hart aan Hem verloren, dan ben je van harte welkom. Maar anders niet!

11 september: EzechiŽl 44:17-31
In de tweede helft van dit hoofdstuk geeft de Here allerlei regels voor het gedrag en het werk van de priesters die dienstdoen in de tempel. Een kernzin is vers 23: de priesters hebben de taak mijn volk het verschil te leren tussen heilig en niet-heilig, tussen rein en onrein.
Deze regel geldt ook voor christenen nog steeds: "wees heilig want Ik ben heilig, zegt de Here", 1 Petrus 1:16. En vergeet niet: wanneer je een ander iets wilt leren, zul je eerst zelf het goede voorbeeld moeten geven.
Een verrassend mooie zin is vers 28. In GrootNieuws staat het er zo: "De priesters hebben geen recht op eigen grond. Hun voorrecht is het Mij te dienen." In de gangbare vertaling staat het er wat kernachtiger: "Een bezitting in IsraŽl mag je de priesters niet geven: Ik ben hun bezitting." Mooi om eens over door te denken. De Here zelf als je erfdeel, je kostbaarste bezit. Psalm 16:6.

12 september: EzechiŽl 45
Dit hoofdstuk regelt de onderlinge verhoudingen van de vorst en het volk. De vorst mag niet meer heersen over het volk. Hij lijkt al met al meer op een soort priester dan op een koning, in zijn zorg voor de offers. Niet hij zelf staat in het middelpunt maar centraal in het gebied dat hem toebedeeld wordt ligt de tempel van de HERE met daarom heen het gebied van priesters en levieten en de strook bestemd voor de hoofdstad.

13 september: EzechiŽl 46
Ook dit hoofdstuk regelt vooral de taak van de vorst, zijn positie in het heiligdom. Op de sabbat mag de binnenste Oosterpoort geopend worden, maar de vorst moet op de drempel blijven staan, hij mag niet helemaal naar binnen op het binnenplein. Dat is alleen voor de priesters weggelegd.
In vers 9 wordt de verkeerscirculatie enigszins geregeld voor de grote feesten, wanneer het een drukte van belang wordt in de tempel. Kom je via de Zuiderpoort het buitenplein op, dan loop je rechtdoor en ga je er via de Noorderpoort weer uit, en andersom. Is dit om onnodig gedrang te voorkomen? (Maar waarom dan niet de regel dat iedereen de zelfde kant uitloopt?) In elk geval moet de vorst zich ook aan deze verkeersregel onderwerpen.

14 september: EzechiŽl 47
Dit is de climax van het visioen van de nieuwe tempel. Vanuit de nieuwe woonplaats van God onder zijn mensen wordt het omliggende land gezegend. Net als in het paradijs ontspringt bij de troon van God de levensrivier. Hij sijpelt onder de drempel door, uit de Oosterpoort, en gaat richting oosten, in de richting van de Dode Zee. Het begint heel klein maar de stroom wordt steeds dieper. En als de profeet dan terugkijkt, ziet hij dat de oever overal begroeid is met prachtige bomen. Het is water van leven. Overal vis. Zelfs in de Dode Zee keert het leven terug. Openbaring 21 werkt dit beeld verder uit voor de nieuwe aarde.
In dit gezegende land krijgen alle stammen van IsraŽl de ruimte. Jozef krijgt twee stroken, omdat al vanouds zijn zonen EfraÔm en Manasse afzonderlijke stammen vormen. En vanzelfsprekend geven zij dan ook ruimte aan vreemdelingen en asielzoekers die bij hen willen wonen, rond de tempel van de Here.

15 september: EzechiŽl 48:1-14
Nu volgt een heel schematische indeling van het land onder de stammen, elke stam krijgt een strook die in het Westen aan de Middellandse Zee grenst en in het Oosten aan de Jordaan. Het doet me denken aan de indeling van landen in Afrika, die met hun rechte strepen geen rekening houden met natuurlijke grenzen, maar die op de tekentafel zijn geboren. Met dit verschil: deze indeling is niet bedoeld, dacht ik, om echt uitgevoerd te worden maar heeft een symbolische betekenis: eerlijke verdeling en ruimte voor iedereen.
Wat in hoofdstuk 45 al geregeld was voor het gebied rond de tempel, wordt nog eens herhaald en uitgewerkt. De tempel ligt niet alleen centraal in het gebied van de vorst maar ook in heel IsraŽl.

16 september: EzechiŽl 48:15-34
We werken vanuit het noorden zuidwaarts. Na de eerste 7 stammen zijn we nu aangekomen bij het gebied rond de tempel. De precieze positie van de stad wordt uitgetekend. Daarna komen de overige 5 stammen aan de beurt.

positie van de heilige stad

 gebied
 van de
 vorst
Gebied van de Levieten
 gebied
 van de
 vorst
weidegrond de HERE
 woont
 hier!!
weidegrond
gebied van Benjamin

De stad is voor alle stammen het middelpunt, en staat open naar alle richtingen. Elke stam is welkom. Het nieuwe Jeruzalem (in Openbaring 21:12-14) heeft ook 12 poorten die met de namen van de stammen van IsraŽl gesierd zijn, terwijl de muren rusten op 12 fundamenten: de apostelen van Christus!
Het hoogtepunt is het laatste zinnetje: de naam Jeruzalem wordt niet genoemd, maar: de Here woont hier!
Daar gaat het om. Daar gaat het heen: een plek voor IsraŽl en de volken met God en Christus als stralend middelpunt.

17 september: Psalm 100
De beschrijving in EzechiŽl spreekt me niet meteen aan. Maar deze psalm vertelt waar het om begonnen is: dat we die nieuwe tempel binnen gaan, en op het tempelplein vieren dat God goed is, en dat Hij door Christus onder ons wonen wilt. Een feestelijke psalm.
De berijming uit ons kerkboek is ook te zingen op de melodie van een paaslied: daar juicht een toon, daar klinkt een stem. Als je hem zo zingt, krijgt de psalm de kleur van de opstanding van Christus! Eeuwig duurt zijn liefde!

J.W. Roosenbrand, Groningen-Oost

18 september: 1 Kronieken 1
Het boek Kronieken lijkt een herhaling van 2 SamuŽl en Koningen. Toch is er een wezenlijk verschil: in Kronieken komt alleen de geschiedenis aan de orde van het zuidelijke rijk Juda en van het koningshuis van David; het noordelijke rijk van de tien stammen blijft grotendeels buiten beeld. Dat heeft alles te maken met de oorspronkelijke doelgroep van dit boek.
Het boek Kronieken is namelijk geschreven na de ballingschap. In die tijd was een aantal joden terugekeerd naar Judea. Enerzijds prachtig voor hen: ze woonden weer in Kanašn en konden weer meedoen met de tempeldienst. Anderzijds verdrietig: hun aantal was maar beperkt en ze hadden met allerlei tegenspoed te maken. In die situatie werd deze gelovigen in Kronieken een hart onder de riem gestoken. Vandaar dat 1 Kron. begint met Adam en Abraham: hoe armetierig de gelovigen er toen ook voor stonden, hun geschiedenis had betekenis voor de hťle mensheid; en hoe klein hun aantal ook was, aan hen vervulde God zijn oude belofte dat Abrahams nageslacht zijn volk zou zijn en tot zegen zou zijn voor de hele mensheid.
Dat is het bijzondere van de kerk: wat voor negatiefs de omgeving (soms heel terecht) van haar mag zeggen, zij is het begin van Gods nieuwe mensheid en hťťft daarom toekomst. Dat kan de Nederlandse christen moed geven in een tijd dat de kerk hier een verdwijnende minderheid is geworden.

19 september: 1 Kronieken 2
1 Kronieken 1-9 bevat haast uitsluitend lijsten met talloze namen. Daar houden wij niet zo van, want wij ervaren die lijsten als buitengewoon saai: 'Wat moet je met al die, meestal onbekende, namen?' Maar als je die lijsten nauwkeuriger bekijkt en nadenkt over de betekenis ervan, blijken ze toch wel terdege evangelie te bevatten. Neem nou die berooide groepjes joden die toen in Judea leefden. Kijkend naar hun omstandigheden konden zij zich afvragen: 'Wat kunnen we eigenlijk van God verwachten? Wat zijn zijn beloftes eigenlijk waard?' Maar dan lazen ze die vele namen uit bijv. hoofdstuk 2; voor de goede verstaander spraken die een duidelijke taal: 'Weet je nog hoe God zijn belofte aan Abraham waargemaakt heeft? Hij had hem immers beloofd dat hij tot een groot volk zou uitgroeien. En dat is gebeurd: te veel namen om te onthouden! Zou God, die trouw is aan zichzelf, hen dan vergeten?!'
Dat is het mooie van de bijbelse geschiedenis: met dat je die eeuwenoude verhalen leest, krijg je te horen hoe God vandaag nog altijd is. We hebben daarom alle reden vertrouwen in Hem te hebben.

20 september: 1 Kronieken 3-4
Omdat in Kronieken de blik gericht wordt op Judea komen eerst de nakomelingen van Juda en Simeon aan de orde; ook Davids familiegeschiedenis wordt in vogelvlucht beschreven. Een hele toer om al de namen met aandacht te lezen, maar laten we niet vergeten: ze spreken van Gods trouw aan zijn belofte. In dit verband denk ik dan aan wat God de profeet Natan tegen David laten zeggen: 'Je troon zal vast staan' (2 SamuŽl 7:16). En inderdaad, al die eeuwen was het koningshuis van David in stand gebleven, zo'n 350 jaar lang, terwijl de noordelijke stammen in de 210 jaren van hun bestaan maar liefst 10 verschillende koningshuizen hebben gekend. God maakt waar wat Hij gezegd heeft. Bemoedigend voor alle tijden!
In 4:9-10 staat het beroemd geworden gebed van Jabes. Dit gebed wordt vaak misbruikt als een methode waardoor je van God welvaart en/of welzijn kunt krijgen - net alsof God zich door ons ook maar iets laat afdwingen. Beter is het deze verzen te zien als een illustratie van Gods onverdiende gunst: van z'n moeder had het kind de naam Jabes, 'stuk verdriet' meegekregen; om van die erfenis uit z'n jeugd af te komen, had Jabes God om hulp gevraagd, en in zijn geval gaf God hem waarom hij vroeg: in zijn royaliteit doet God dat soms. Maar zo werkt het lang niet altijd. Vaak blijf je met erfenissen uit het verleden tobben, maar dan nog ben je dank zij Christus voor God geen 'stuk verdriet', maar: 'mijn geliefde kind'.

21 september: 1 Kronieken 5:1-26
In dit hoofdstuk wordt aandacht gegeven aan de stammen die in de tijd van Jozua ten ůůsten van de Jordaan waren gaan wonen, in het tegenwoordige JordaniŽ. Hun geschiedenis bevat in de notendop wat heel IsraŽl was overkomen: zolang zij zich afhankelijk van God opstelden, leefden ze veilig in het land (vs.20); zodra zij zich tegen God keerden, haalden ze de ondergang over zich (vs.25-26).
Dit kunnen we niet meer rechtstreeks op onze situatie toepassen, want in dit opzicht hebben we geen beloftes van God gekregen. Intussen is waar: zolang mensen gericht op God leven, komt hun leven tot bloei - ondanks alle moeiten die altijd weer opduiken.
Even tussen haakjes: nogal wat christenen verdedigen dat de Israeli's, gehoord de bijbelse landbelofte, recht hebben op de Westbank en dus niks moeten afstaan aan de Palestijnen; opmerkelijk is dat die christenen nooit melding maken van het overjordaanse terwijl dit in de landbelofte van Gen.15:18 wel genoemd wordt. Wat mij betreft een illustratie ervan hoe uitzichtloos het is als je uit die landbelofte een politiek programma wilt afleiden.

22 september: 1 Kronieken 5:27-6:38 (NBG: 6:1-53)
In dit en het volgende gedeelte wordt uitgebreid aandacht gegeven aan de stam Levi. Dat heeft er alles mee te maken dat deze stam met de tempel verbonden was: de nakomelingen van Ašron waren priester (door Mozes namens God benoemd, Ex.28:1); de andere nakomelingen waren helper van de priesters en zij werden vaak kortweg 'levieten' genoemd. Hun werk was uitermate belangrijk want niet het koninklijk paleis maar de tempel was het centrum van Gods volk: daar werden verzoenende offers gebracht, daar vierden de gelovigen hun vrede met God en daar werd de lof op God gezongen door de priesterkoren (die worden hier apart genoemd, want liturgische muziek is een wezenlijk element van de dienst aan God).
Bij alles wat er sindsdien veranderd is, is gelijk gebleven dat in ons leven het moet draaien om de band met God, met Christus, om zijn vergeving, zijn liefde, de lof op Hem. Vanuit die kern komen er krachten vrij die ons leven tot een echt menselijk, christelijk leven maken.

23 september: 1 Kronieken 6:39-66 (NBG: 6:54-81)
Het centrale van het werk van de priesters en 'levieten', hun dienaren, blijkt ook uit de manier waarop zij onder IsraŽl woonden: niet in een eigen stamgebied, maar in 48 steden verspreid onder alle andere stammen. Het is waar, de aanleiding voor deze spreiding was de vloek die Jakob over Levi had uitgesproken over diens wandaad tegen Sichem (zie Gen.34:25-31; 49:5-7). Maar omdat uitgerekend Levi trouw was gebleken tijdens IsraŽls zonde met het gouden kalf, had Mozes de leden van deze stam benoemd tot dienaren van de tabernakel (Ex.32:25-29; Deut.33:8-11). Door hun spreiding onder IsraŽl konden zij de IsraŽlieten overal en constant bijstaan in het dienen van God.
Ook dat is onveranderd: waar we ook wonen, overal wordt we opgeroepen ons op God te richten.

24 september: Psalm 101
Zo op het eerste gezicht staat de inhoud van deze psalm ver van ons af: de dichter geeft hoog op van zijn voortreffelijkheid en spreekt gewelddadige taal over medemensen die in de fout zijn gegaan. Klopt dit wel met Christus' oproep de balk in eigen oog niet te vergeten en zelfs je vijand lief te hebben?
Bedacht moet worden dat hier een koning spreekt die zich afhankelijk weet van God. Daarom is hij niet uit op z'n eigen macht en eer, maar op het welzijn van z'n onderdanen: een prachtige vrucht van de Geest. Om diezelfde reden hanteert hij 'het zwaard' uit Rom.13:4 tegen foute dienaren van hem, terwijl hij zich omringt met betrouwbare mensen. Wat zou de wereld er anders uit zien als regeerders in de lijn van deze psalm zouden optreden, bijv. in Afrika en in het Midden-Oosten. Iets van het paradijs zou aanbreken.
Op ons, niet-regeerders, toegepast: we moeten erop uit zijn Christus na te volgen en moeten daarom geen compromissen sluiten met de zonde maar daar juist radicaal mee breken. Positief: we moeten ons richten op wat God graag ziet en steun zoeken bij medegelovigen.

25 september: 1 Kronieken 7
Nu komen de andere stammen kort in beeld. Weer een hele reeks namen. De meeste daarvan zijn ons volslagen onbekend, maar tegelijk spreken ze weer van Gods trouw: zijn belofte aan Abraham is kennelijk waargemaakt. Bovendien kunnen we er gerust op zijn: al die onbekende personen, die nu al vele eeuwen dood zijn, zijn bekend aan God. Vertroostend als je op een kerkhof grafopschriften van medechristenen leest: al die mensen zijn voor ons voorbij, maar niet voor God!
Ook spreken die vele namen ervan dat God in individuen geÔnteresseerd is. Wij vinden onszelf misschien onbelangrijk, in elk geval oninteressant voor anderen en zeker voor God. Maar de Bijbel spreekt anders: elke afzonderlijke man of vrouw heeft Gods persoonlijke aandacht. Verbazingwekkend, want wat een afstand bestaat er niet tussen ons, kleine, schuldige mensjes, en de glorieuze, heilige Gods. En toch laat Hij zich met ieder van ons persoonlijk in. Een extra bewijs hiervoor is de manier waarop Christus met de mensen in zijn omgeving omging. Een aansporing voor ons om dan ook van onze kant aan zijn hand te lopen.

26 september: 1 Kronieken 8:1-9:13
Apart aandacht wordt geschonken aan de stam Benjamin, want daaruit was Saul, de eerste koning, afkomstig. Door deze reeks namen komt de verdrietige geschiedenis van Sauls mislukking in herinnering. Maar de kroniekschrijver blijft niet in dat verdrietige verleden steken. In de eerste helft van hoofdstuk 9 somt hij de vele namen op van mensen die na de ballingschap in Judea zijn teruggekeerd: een rijsje uit de tronk van Juda - zou je kunnen zeggen. De geschiedenis leek zo vastgelopen, maar God gaf toch een nieuw begin. Zo verrassend treedt God telkens op in de geschiedenis. Het rijsje uit de tronk van Juda's nakomeling IsaÔ, Christus, is daarvan het tastbare bewijs.

27 september: 1 Kronieken 9:14-44
De opsomming van de teruggekeerde joden wordt voortgezet: al met al een hele reeks. Zelfs mensen uit de noordelijke stammen. Tientallen jaren daarvoor had God het al beloofd via de profeet Jeremia: 'Aan de ballingschap komt een einde. Mensen zullen zich naar God omkeren en dan ook naar het beloofde land terugkeren' (Jer.25:11; 29:10). Voor God bestaan er geen doodlopende routes.
Mooi is te merken wat voor verschillende taken die teruggekeerde gelovigen in de tempel verrichtten: priesters, helpers van de priesters, poortwachters, materiaalbeheerders. Ze worden allemaal bij name genoemd. In de kerk zijn we een lichaam, waarvan alle leden even nodig zijn voor het goed functioneren van het geheel. Wij mogen onszelf soms onbelangrijk vinden in de gemeenschap, God kijkt daar duidelijk anders tegenaan: iedereen mag er zijn in het grote geheel, Šls je je maar geven wilt.

28 september: 1 Kronieken 10
Voordat de geschiedenis van David in beeld komt, wordt eerst uitgebreid verteld hoe Saul in een veldslag tegen de Filistijnen aan z'n einde kwam; z'n hoofd werd als een trofee in de tempel van Dagon opgehangen, maar z'n lijk werd met veel rouwbetoon door de Jebusieten begraven. Tragisch, maar het was een gevolg van het feit dat hij God ontrouw was geweest en zich niet had opengesteld voor Gods woord. Een pijnlijke toelichting die de eeuwen door Gods kinderen kan waarschuwen: 'Weet wel wat je doet als je God links laat liggen, want God laat niet met zich sollen.' Zo staat het ook in de berijming van Psalm 32:5 'Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen.' Natuurlijk is waar dat het vonnis over iets kwalijks van ons niet meteen voltrokken wordt (zie Pred.8:11), maar dat geeft Maarten 't Hart nog niet het recht een boek van hem de spottende titel mee te geven 'Wie God verlaat heeft niets te vrezen'. Iedereen die God maar laat praten, zal eens ondervinden hoe fout die spottende uitspraak is.

29 september: 1 Kronieken 11:1-25
Eindelijk is het boek Kronieken waar het wezen wil, want nu begint de geschiedenis van koning David. De gelovigen die berooid uit hun ballingschap in Judea zijn teruggekeerd, kunnen zich troosten met de gedachte dat ook hun glorieuze koning David heel schamel begonnen is. Maar stap voor stap kwam hij verder: eerst koning in Hebron, over een klein deel van IsraŽl; pas na enkele jaren koning over heel IsraŽl en toen kwam ook Jeruzalem, de nieuwe hoofdstad, in beeld.
Maar waaraan had hij deze opgaande lijn te danken? In eerste instantie zijn we geneigd te kijken naar die lange lijst met 'helden' van David: 'Wat een mannetjesputters; geen wonder dat hij zo machtig is geworden.' Toch zou dat kortzichtig zijn. De kernzinnen in dit hoofdstuk zijn: 'En de Here was met hem' (vs.9), en: hij verkreeg zijn koningschap 'naar het woord van de Here' (vs.10). Opvallend is ook hoe na een geweldig macho-optreden van een paar helden in de strijd samenvattend wordt gezegd: 'een grote overwinning schonk de Here' (vs.14). Dus het succes van David met z'n krachtpatsers werd bepaald door Gods belofte en royaliteit voor hem.
Ook wij moeten dat geen moment vergeten: we worden ingeschakeld en moeten ons dan ook inzetten, maar in dat alles zijn we afhankelijk van God. Als Hij niet geeft, ontvangen we niks.

30 september: 1 Kronieken 11:26-12:23 (NBG: 11:26-12:22)
De lijst met Davids 'helden' wordt voortgezet, waarna in hoofdstuk 12 een opsomming volgt van Davids verdere aanhang uit de begintijd. Om deze opsommingen in het juiste kader te zetten, is het belangrijk te bedenken dat David niet zomaar een (aanstaande) koning was. Hij was de stamvader van Christus, de koning van de wťreld. Davids rijk in Kanašn was dan ook een voorproef van het wereldwijde koninkrijk van God. Zijn 'helden' en verdere aanhang moeten we om deze reden niet alleen politiek beschouwen, maar religieus: door hun keus voor David, die God als koning beloofd had, werd Satans invloedsfeer in de toenmalige wereld aangetast: een beeld van wat Davids Zoon door zijn volgelingen tot stand zou en nog gaat brengen. Maar als God in staat is telkens een voorproef te geven, kunnen we er zeker van zijn dat de rest 'vanzelf' komt.

C. van der Leest, Groningen-Oost