Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-3, oktober
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 oktober: 1 Kronieken 12:24-13:14°
Al in Hebron is Davids leger gigantisch uitgegroeid: een stevige start voor zijn koningschap. Geen wonder dat er grote vreugde heerste over Davids aantreden als koning over heel Israël: 20 jaar na Davids zalving door Samuël was Gods belofte aan hem vervuld! Maar David kon het niet hebben dat de ark intussen nog altijd stond waar de Filistijnen die hadden achtergelaten: de eredienst rond de ark hoorde in de hoofdstad van het koninkrijk plaats te vinden. Daarom werd besloten de ark naar Jeruzalem over te brengen. Hoe enthousiast David en zijn onderdanen ook waren over deze processie (vs.8), ze waren er nog niet rijp voor. Het werd volledig genegeerd dat de ark alleen maar, met een doek bedekt, gedrágen mocht worden (Num.4:5-6,15). Per slot van rekening hadden ze te doen met 'de ark van God, de Here die op de cherubs troont, de ark waarover de Naam is uitgeroepen' (vs.6) - wordt met sidderende eerbied gezegd. Het ging dan ook vreselijk fout, met een dode als gevolg: wie met onbeschermde ogen in de zon kijkt, wordt onvermijdelijk blind. Wij kunnen God niet naar onze hand zetten, hoe enthousiast we daarbij ook zijn; we moeten ons juist heel eerbiedig en gehoorzaam naar Hem schikken. Leerzaam in een tijd waarin soms gedaan wordt alsof wij door ons bidden God iets kunnen afdwingen. God staat niet ons ter beschikking maar Hij kan in volle vrijheid ons soms wel zijn cadeaus uitdelen.

2 oktober: Psalm 102:1-15
De dichter schreeuwt z'n nood uit: hij leeft in ballingschap (verg. vs.14-15), is ernstig ziek en wordt door vijanden op de hak genomen. Hij lijdt des te erger onder z'n moeite omdat hij zich ook tegenover Gód verloren voelt. Die kijkt weg van hem en houdt zich doof, want Gods gunst ontbreekt in zijn leven en daarin ervaart hij Gods toorn. Een praisedienst was aan hem niet besteed. Dat hoeft ook niet altijd: er is een tijd om de lof op God te zingen, en er is een tijd om wanhopig tegen God te roepen.
Intussen gebruikt de dichter prachtige beelden om z'n verlorenheid onder woorden te brengen. Ook blijft hij niet in z'n wanhoop steken. In vers 14 slaat z'n stemming ineens om: hoe verloren hij zich ook mag voelen, een onomstotelijk feit is dat God eeuwig onaantastbaar in de hemel troont. Dat geeft de mens die zich kind van God mag weten, moed te midden van alle ellende.

3 oktober: Psalm 102:16-29
De dichter blijft niet in z'n verdriet hangen. Kijkend naar God is hij vol vertrouwen: er komt een einde aan de ballingschap, Sion wordt weer bevolkt en opgebouwd en daardoor wordt meteen de mond van de spottende vijanden gesnoerd. Zo loopt alles uit op de lof van God. Even vlamt de wanhoop van de dichter weer op (vs.24), maar hij vindt algauw weer rust in het besef dat God dwars door alle veranderingen heen dezelfde blijft in zijn trouwe zorg voor zijn kinderen.
Daarmee zijn voor de dichter beslist niet al z'n waaroms beantwoord. Maar wel kan telkens vast staan: hoe ons leven ook mag verlopen, het mondt uit in een grootse toekomst. Daar staat de onveranderlijke God garant voor. Maar dan is het wel zaak het bij Christus te zoeken. En dreigen we in onze ellende te blijven steken, laten we onszelf en elkaar dan tot de orde roepen: met God hebben we afdoende houvast!

C. van der Leest, Groningen-Oost

4 oktober: 1 Kronieken 14
Een vorstelijk paleis, goeie internationale contacten, en een harem met veel nageslacht behoorden tot de statiesymbolen. Ook David gaat daarin met zijn tijd mee. Ze blijken later zo ook hun verzoekingen met zich mee te brengen. God bevestigt hem weliswaar, ook hierin, toch zal David z´n kracht elders moeten leren zoeken wil hij een ware messiaanse koningsallure leren uitstralen. Vergelijk David eens met Christus. Tegen de Filistijnen toont David wel weer een messiaans-vorstelijk gelaat. God gaat voorop, krijgt de eer. De filistijnse afgoden worden publiek verbrand. Davids naam die steeds groter wordt (vs.17) blijft zo verwijzer naar Gods eigen Naam.

5 oktober: 1 Kronieken 15
Het messiaanse profiel van David versterkt zich: de ark moet als woning van de Heer zijn behuizing hebben en wel in de stad waar ook het paleis staat. Als koning behoort David als eerste een waarlijk priesterlijke uitstraling te hebben en dat blijkt hier: nu is het overbrengen van de ark niet alleen maar enthousiast geregeld (denk aan het drama van 1 Kron.13 dat nog vers in het geheugen ligt), maar heeft alles ook de heilige liturgie over zich die God zelf in verband met ´de ark van het verbond des HEREN´(vs.29) had voorgeschreven. Natuurlijk ziet God het hart aan (in 1 Kron.13 kwam alles juist ook uit het hart van David en het volk), maar dat betekent niet, dat je dan dus maar alles lukraak (´als het maar gemeend is´) kunt doen. God hecht, getuige heel het OT, wel degelijk aan liturgische stijl en dus kan (naar vandaag toe) ook maar niet alles binnen (en buiten) een kerkdienst als God er maar enthousiast mee gediend zou zijn. God-fashion betekent ook het gewaad van de heiliging en de eerbied (vs.12). En van instrumentarium bijvoorbeeld en zang die nauwkeurig op elkaar afgestemd zijn. Overigens komt dat geen moment in mindering op de uitbundigheid ervan: zo zelfs dat Michal haar man om zijn priesterlijke danskunst als haar koningsgemaal veracht.

6 oktober: 1 Kronieken 16
Let erop, hoe er nu dus twee liturgische plekken ontstaan (blijven bestaan, het was al langere tijd zo) waar de dienst voor de HERE plaats vindt: de ark in een tent in Jeruzalem, de ´rest´ van de tabernakel op de hoogte van Gibeon, waar onder andere zich dus ook het brandofferaltaar bevond. De ark staat vooral voor het verbond dat God met Israël heeft, het brandofferaltaar vooral voor de verzoening waarin het verbond ingebed is. Maar ze horen bij elkaar, die twee, en vanaf hoofdstuk 17 gaat die beweging zich inzetten. Overigens: wat een profeti-sche allure vertoont deze koning David in dat prachtige loflied dat hij inzet in dit hoofdstuk. De daden van God worden bezongen en moeten de aarde over. Profeet, priester, koning: dat is nog eens een met de Geest gezalfde vorst.

7 oktober: 1 Kronieken 17
Dat niet David zelf, maar één van zijn zonen (Salomo) een huis voor God zal bouwen is maar een punt van ondergeschikt belang. Het wezenlijke punt is, dat God heel Davids gedachtegang omdraait: niet David zal voor de HERE een huis bouwen, maar de HERE zal David een huis bouwen (vs.25). Dat is nu precies afgoderij: jij bouwt jouw huis voor jouw god waarin hij op jouw manier en naar jouw godsbeschouwing wonen moet/mag. Ik heb jou achter de schapen weggehaald, David, Ik heb jou op de troon gezet. Het is een grote denkfout om te menen dat wij mensen hier op aarde God een woning moeten bereiden, dat is de werkelijkheid op z´n kop, dat is tegen de Eigenaar van alles zeggen: zal ik voor u een kamer reserveren voor vannacht? Gelukkig zei Jezus dan ook: Ik ga heen om jullie plaats te bereiden. Een kamer gereserveerd voor ons. Bij God.

8 oktober: 1 Kronieken 18
Zoek op een kaart in een bijbelse atlas maar eens al de gebieden van deze volken op. Dan zie je hoe groot Davids rijk wordt. Er vloeit wel veel bloed, uiteindelijk voor God een reden om pas Salomo met de tempelbouw te belasten. Overigens rust Gods zegen er wel op, op Davids overwinningen (vs.13). De omringende volkeren waren voortdurende bedreigingen voor de theocratie (de ´Godsstaat´) die Israël onder de gezalfde koning diende te zijn, als zodanig betreft het hier wel degelijk ´heilige´ oorlogen. En toch: naast al die zegen die in Davids overwinningen bleek, laat ook de Here God het bloed dat daarbij vergoten werd, blijkbaar bepaald niet onbe-roerd (1 Kron.22:8).

9 oktober: 1 Kronieken 19-20
Hier zie je hoe de Kronist selecteert in z´n materiaal. Terwijl de Ammonieten de genadeslag toegebracht wordt (bij Rabba, hoofdstuk 20:1), pleegt David zijn zonde met Batseba waarbij Uria juist bij Rabba sneuvelt (2 Sam.11 en 12). Het gaat de Kroniekenschrijver erom om Davids publieke leven neer te zetten met de effecten daarvan op het volk en de eredienst. Als zodanig moest het ook een bemoedigende spiegel worden voor de mensen die net uit de ballingschap teruggekeerd waren en voor wie de kroniekenboeken allereerst geschreven zijn. Overigens: die wreedheid van David in 20:3 staat sterk ter discussie. Een andere hebreeuwse lezing geeft weer, dat David hen tot dwangarbeiders maakte die moesten werken met zagen, ijzermateriaal en bijlen.

10 oktober: 1 Kronieken 21:1-22:1
Bij de volkstelling ging het erom om de mannen die vechten konden te tellen (vs.5 ´die het zwaard konden voeren´). Inventarisatie van eigen menselijke slagkracht. De messiaanse koning valt van zijn troon. Davids naam en kracht moet verwijzer zijn naar Gods naam en kracht. God laat zijn kracht zien doordat Hij Israël begon ´te slaan´ (vs.7: natuurrampen of ziektes?) In ieder geval laat God voelen hoe geïnventariseerde menselijke kracht geen partij is, wanneer God zich tegen je keren gaat. Ondanks Davids berouw komt de ´straf´ (onzuiver woord) toch en zet zich door: niet omdat God zich in de straf wreken wil, of omdat pas de voltrokken straf hier verzoening aanbrengt, maar omdat Israël als theocratie-onder-de-messiaanse-koning falende is en gezuiverd moet worden. Straf als leermiddel, als tuchtiging tot behoud, tot heiliging (Hebr.12:4-11!). Wat Gods toorn uiteindelijk doet bedaren is Gods eigen medelijden en spijt over het onheil zoals het de mensen aan het treffen was. Het brandofferaltaar (geïmproviseerd op Ornans akker) is daarbij het middel: en het offer dat daarop gebracht wordt door David wijst heen naar Christus, naar God zelf dus die de prijs van de verzoening, sterker nog: de straf, op Zich neemt. Ook hier geldt al, dat God ons met Zichzelf verzoenende was in zijn Zoon, 2 Kor.5. Overigens zit door heel het handelen van God het handelen van de duivel heen ( vergelijk 2 Sam.24:1), je moet dus goed luisteren en kijken om de ware God als Vader van Jezus Christus scherp in het oog te houden in dit verhaal, vertrouwend luisteren en kijken dus (en daar ging het meteen in het paradijs al mis toen de duivel zich door Gods handelen en spreken heendrong). David die als messiaanse koning faalde bij het begin van dit hoofdstuk is daar aan het einde weer bij terug, priester op zijn troon.

11 oktober: 1 Kronieken 22:2-19
David heeft als messiaanse koning toch te veel bloed aan zijn handen om de tempel van God te mogen bouwen en inwijden. Het wachten is op de vredevorst Salomo. Als de echte vredeVorst gekomen is, Christus, kan de tempel zelfs weg: God breekt zich in Hem baan naar alle volkeren en elke mens ´in Geest en waarheid´ wordt nu een tempel van de HERE (Joh.4:23).

12 oktober: 1 Kronieken 23
Kijk eens hoe David de (toekomstige) tempeldienst ordent door de Levietendiensten te ordenen. Ook nu wordt er geteld, maar heel anders dan in hoofdstuk 21. Er wordt geordend en geteld met het oog op de heilige dienst aan de HERE, die de Kracht van Israël is.

13 oktober: 1 Kronieken 24
De zonen van Aäron in hun geslachten verrichten de offerdienst.

14 oktober: 1 Kronieken 25
Er worden ook zangers aangesteld, die de muzikale vormgeving in de tempel voor hun verantwoordelijkheid krijgen. Geen organisten dus op vrijwillige basis met alle amateurisme en willekeur van dien soms (ondanks hun vaak eigen goede en gemeende inzet), maar geprofessionaliseerde muzikaliteit in de tempel. Voor God is het beste niet goed genoeg: dat bleek niet alleen uit de bouw van de tempel, maar ook uit het liturgische niveau (let eens op hoofdstuk 25:7 ´volleerd´). Ik bedoel maar. Met onze nadruk op de Woorddienst (niks ten kwade daarvan op zich), waarbij alleen geschoolde theologen als regel mogen voorgaan (ook daar niks ten kwade van op zich) heeft zich in navolging van (sommige) reformatoren (Calvijn voorop) een liturgisch-muzikale kaalslag voorgedaan die zich tot op vandaag kan uiten in orgelspel (lees: begeleiding) tijdens onze erediensten die in sommige gevallen niet meer verantwoord mag heten als je het OT serieus neemt, waarbij trouwens ook de karige beloning van organisten (haast) ´pro deo´ is in de juist verkeerde zin van het woord (maar over de zin daarvan valt wellicht nog van mening te verschillen). De dienst aan de HEER vergt niveau op alle vlak, want God troont ook op het zingen van zijn volk, waar of niet? Maar er zijn bijna geen organisten meer hoor ik sommigen zeggen, en ze hebben gelijk, maar muzikale gaven: die zijn toch van alle tijden want daar zit de Heilige Geest zelf achter, maar ze aanwenden voor de dienst aan de Here en dan ook in een kerkdienst bijvoorbeeld, misschien wringt daar onze schoen, want daar moet je tijd voor vrijmaken, en dus hart, en dus ook geld.
Dit hoofdstuk laat ons kijken in een spiegel. We kunnen meer dan ooit ook op muzikaal vlak in onze cultuur, maar in de kerk lijkt het soms net andersom. Ik bedoel dit niet allemaal kribbig, wel leg ik een vinger op een zere plek en als het pijn doet is dat in ieder geval een goed teken, want het doet pijn als God er bij ons soms te bekaaid af komt.

15 oktober: 1 Kronieken 26
Ook de poortwachters en de andere functionarissen uit de stam Levi hebben hun betekenis voor de tempeldienst.

16 oktober: 1 Kronieken 27
Aan dit hoofdstuk kleeft het bloed van Davids overmoed (vs.23 en 24!), daarom moet men dit hoofdstuk als een gewaarschuwd mens opgenomen zien in het boek van de Kronist. Bouw er je vertrouwen niet op, ook als alles goed geregeld is en als de voorraadschuren vol zijn.

17 oktober: Psalm 103:1-11
Na de historische verslaglegging over David uit Kronieken nu een psalm van hem. David begint heel persoonlijk (´mijn ziel´) en eindigt ook zo (vs22c), ondertussen blijkt zo´n mensje toch een microkosmos op zich: hij staat als ´beeld van God´ (zo groots geschapen) wel in verbinding met welhaast oneindige maten in tijd en ruimte, hij is (bouw)steen in het grote geheel van Gods handelen, vooral van Gods barmhartigheid en genade (vs8). Ongerechtigheden, ziekten en het graf hebben daarom het laatste woord niet over een mens, als hij zich tenminste in die mateloze goedheid van God laat opnemen (-Christus dus), en juist daarin is hij dan mens als beeld van God: In Christus tot Gods beeld herschapen.

18 oktober: Psalm 103:12-22
Mooi zoals David als koning zingt over het koningschap van de HERE (vs.19). Omdat Hij zich door Gód geregeerd wist was hij, met al z´n fouten, een theocratisch en messiaans vorst. Daarbij kent David z´n plek: bloeiende veldbloem (wat een macht), toch slechts sterveling als Gods wind gaat waaien. Daarom heb je als koning ook allereerst verwijzer te zijn naar Gods goedertierenheid (vs17), daarom beklemtoont de Kroniekenschrijver ook wat David allemaal gedaan heeft voor de eredienst rond de tempel, voor het vergaderen van zijn volk rondom de troon van God en het altaar dat naar de Zoon van David heenwijst. Looft de HERE, mijn ziel. Prachtige koning die David, omdat hij zo machtig en soms ook machtig zwak naar Koning God en Koning Jezus heengewezen heeft.

M.A.Dronkers, Helpman

19 oktober: 1 Kronieken 28
David maakt de leiders van Israël bekend dat zijn zoon Salomo hem als koning zal opvolgen en de tempel zal bouwen. God had David het bouwplan van de tempel al gegeven. Tot in de kleinste details. Zoals Hij ook eens aan Mozes het ontwerp van de tabernakel getoond had. De tabernakel was een tent. De tempel is een gebouw. Grootser, met eigentijds materiaal. Maar het ontwerp is gelijk.
In je eredienst moet je inspelen op je eigen tijd, maar niet trendgevoelig zijn. Niet smaak of mode beslist, maar het grondpatroon waarvan God zelf zegt dat het Hem recht doet. Dat is belangrijk in de liturgie. En in onze levensstijl. Ook als nieuwe generaties het anders willen.

20 oktober: 1 Kronieken 29: 1-9
David zelf heeft al veel kostbare materialen gegeven. Als koning geeft hij zijn volk het voorbeeld. Dat geeft hem ook het recht hen aan te moedigen hem na te volgen. Wie anderen opwekt om offers te brengen, maar zelf de hand op de portemonnee houdt, is niet geloofwaardig!
Davids oproep vindt gehoor! De mensen komen met geld voor de tempelbouw. Zij komen niet in de eerste plaats om te ontvangen, maar om te géven. Wij, die alles van de Here ontvangen hebben, zouden wij vandaag niet in de eerste plaats komen in de kerk om te géven? Niet alleen geld, maar ook lof en dank aan God en liefde aan onze broeders en zusters.
Hoe? Met een volkomen toegewijd hart en vrijwillig. Hoe kom je aan zo'n hart? Door erom te bidden. En door te bedenken: wat is er dat ik niet ontvángen heb?

21 oktober: 1 Kronieken 29: 10-30
David bezingt de majesteit van zijn God, de machtige Heerser over alle dingen. Ook als iemand vermogend is en invloedrijk, heeft hij dat aan God te danken. David heeft het ervaren! De HERE gaf hem de overwinning over al zijn vijanden, zodat hem een rijke buit in handen viel. Nu gaven David en zijn volk aan God van wat ze eerst ontvangen hadden. Vrijwillig en royaal. Het geeft David een loflied in de mond. Niets is ons bezit. Alles is het eigendom van God. David bidt voor zijn volk. Hij bidt de HERE om offervaardig hart én harten die op de HERE gericht zijn.
Welke gave van ons aan God heeft meer waarde voor Hem dan ons geld?

22 oktober: 2 Kronieken 1: 1-17º
God verschijnt aan Salomo te Gibeon met de vraag wat hij het liefste zou willen hebben. Salomo vraagt geen macht of rijkdom. Hij vraagt een verstandig hart. Hij wil net zoals zijn vader een goede knecht van God zijn. Daarom geeft de HERE hem wat hij had gevraagd. En alles wat hij níet gevraagd had, krijgt hij óók. Wat had ú geantwoord als de HERE dit aan u gevraagd had?
Salomo's antwoord wordt wel eens gezien als een voorbeeld van bescheidenheid, die God honoreert. Maar het gaat hier om wat anders. 'Geef God en zijn Koninkrijk de hoogste plaats in uw leven. Hij zal dan in alles voor u zorgen' (Mat.6:33).

23 oktober: 2 Kronieken 1:18-2:17º
"Zie, ik ga een huis bouwen voor de naam van de HERE, mijn God...", zegt Salomo (2: 4). Een huis voor de naam… Vreemd! Waarom zou je een huis bouwen voor een naam? Maar dat wordt natuurlijk ook niet bedoeld. Gods naam is veel meer dan alleen een woord waarmee je Hem kunt aanspreken. Gods naam, dat is Hij zelf. God zoals Hij voor ons wil zijn.
Nú is er geen tempel meer. De HERE wil dat wíj, zijn gemeente, zijn tempel zijn, zodat Hij kan wonen in ons hart (1 Kor.3:16,17; 6:19,20). Ook in zijn eeuwig Koninkrijk zal er geen tempel zijn (Openb.21:22), maar zal Hij steeds bij ons zijn en wij bij Hem (Openb.21:1-5a).
Waarom is er nu geen stenen tempel meer nodig?

24 oktober: 2 Kronieken 3
"Toen begon Salomo met de bouw van de tempel te Jeruzalem op de berg Moria…" (vers 1)
Er is al eerder op deze plek geofferd. Lang geleden al. In Genesis 22 lezen we dat Abraham met zijn zoon Isaak naar de berg Moria moet om zijn zoon te offeren. Uiteindelijk komt dat nog net goed. De engel van de Here houdt Abrahams hand tegen en zorgt voor een plaatsvervangend offerlam. Dat gebeurde op deze zelfde berg. In de toekomst zal er veel geofferd worden op deze zelfde plek. Want hier bouwt Salomo de tempel. Dag in, dag uit zal hier geofferd worden. Om de zonden te verzoenen, om de straf voorbij te laten gaan. AI die offers kijken vooruit naar het ene offer dat straks gebracht zal worden. Het bloed op de berg Moria schreeuwt om Golgota. De toorn van God wordt gestild door het vloeien van het bloed van zijn Zoon. Om stil van te worden!

25 oktober: 2 Kronieken 4
Churam maakte een bronzen altaar, een rond bassin dat 135.000 liter water kon bevatten, tien wasketels, tien gouden kandelaars, tien tafels, 100 offerschalen. Hij legde een binnenplein aan voor de priesters, en een voorplein. Verder maakte hij twee kunstig versierde zuilen, tien spoelkarren, tien ketels in de karren, potten, scheppen en vleesvorken. Hiermee had de tempelbouw in een tijdsverloop van 20 jaar sinds zijn begin, zijn beslag gekregen. Toen Salomo alle werkzaamheden aan de tempel had voltooid, gaf hij de geschenken die zijn vader David aan de HERE had gewijd, een plaats in de schatkamers van de tempel, samen met het zilver en het goud en de andere voorwerpen (5: 1). Er was dus nog heel veel over dat niet gebruikt was

26 oktober: 2 Kronieken 5
"Toen al het werk, dat Salomo aan het huis des HEREN deed, voltooid was…" (vers 1).
Feestelijk wordt de tempel ingewijd. Allereerst door de HERE zelf. Zijn wolk van eer vult het huis, net als indertijd de tabernakel toen die werd opgeleverd. Pas hierna kunnen de priesters met hun ambtswerk beginnen.
Ook al staat er geen beeld, onmisbaar onderdeel van een afgodstempel, Salomo's tempel is niet leeg. Dat bewijst de wolk wel.
Nu heeft God een vaste plaats. De plaats van zijn uitverkiezing, zoals dat in meer dan één psalm heet. Plaats van zijn rust onder zijn volk. Dat volk heeft Hij rust gegeven.

27 oktober: 2 Kronieken 6:1-21
"Zou God dan waarlijk bij de mensen op aarde wonen? Zie, de hemel, zelfs de hemel der hemelen, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb!" (6: 18).
God is de Onmetelijke. Hierdoor onderscheidt Hij zich van alles wat schepping is. Het geschapene kent afmetingen. God niet.
Wat bedoelt Salomo te zeggen? Dit: ik heb nu de tempel laten bouwen. Kosten noch moeite gespaard. Een huis voor de God van Israël. Maar niet om Hem nu hierin te vangen. Om over Hem te beschikken naar eigen goeddunken. Zou de HERE zich laten insluiten in zo'n kleine ruimte als de tempel is? God is vrij en alomtegenwoordig.
Salomo bouwt in de erkenning van Gods grootheid en eigen kleinheid. Hij heerst niet over God, maar God over hem. In antwoord hierop wil de HERE dan bij zijn volk wonen en vanuit zijn huis hen horen op hun gebed.
Het blijkt steeds opnieuw dat Gods verblijf onder mensen goddelijke gave is. Laten wij Hem steeds tegemoet treden met de juiste belijdenis van Hem en met de juiste kijk op onszelf!

28 oktober: 2 Kronieken 6:22-42
"Nu dan, sta op, HERE God, naar uw rustplaats, Gij en de ark uwer sterkte. Laten uw priesters, HERE God, zich bekleden met heil, en uw gunstgenoten zich in het goede verheugen" (6: 41).
Salomo heeft gevraagd om verhoring van gebeden, opgezonden vanuit of in de richting van de tempel. Hiermee vroeg hij om doorgaand verbondsverkeer op grond van de dienst van de verzoening. Op grond van Gods eigen plaats bij zijn volk, naar Gods eigen belofte.
David heeft Gods oorlogen zegevierend gevoerd. De tempel is onbedreigd. Daar is Gods rustplaats onder zijn volk. De ark heeft zijn kracht bewezen. Tijdens de uittocht, op het slagveld en in vijandelijk gebied. Het was de kracht van de Heilige.
De plaats van Gods rust is de bron van Gods lust in zijn volk. Dat maakt zijn rustplaats heerlijk. Daar is Gods volk goed terecht. Dat maakt van het leven een feest!

29 oktober: 2 Kronieken 7
Salomo heeft de bouw van Gods tempel voltooid. De feestelijke inwijding heeft plaatsgevonden. Een lang en indringend gebed is opgestegen naar boven. Nu komt Gods antwoord. Salomo had gebeden: "Here, laten uw ogen dag en nacht geopend zijn over dit huis" (6: 20). God zegt nu: "Mijn ogen zullen er zijn. Alle dagen!" (7: 16).
Elke keer als een Israëliet de tempel binnenkomt, zal de Here hem zien. Hij ziet hoe die man of die vrouw daar komt. Hij kijkt immers in het hart van de mensen. Hij ziet het wanneer die tempelgang alleen maar uiterlijk vertoon is. Maar Hij ziet ook wanneer de tempelganger gebukt gaat onder schuldbesef. En wanneer hij verlangt naar zijn genade. Hij ziet de moeiten waar mensen mee worstelen.
Diezelfde God woont vandaag onder ons. In de gemeente die zijn tempel is. Zijn liefde is in Christus naar ons toegekomen. Wie vol verwachting naar Hem opziet, kijkt in vriendelijke ogen. Ogen die vertellen dat Hij ons een warm hart toedraagt.

30 oktober: Psalm 104:1-18
Maak jij wel eens een lekkere wandeling in de natuur? Je kunt dan opgetogen raken over de enorme schoonheid van de schepping. Maar als christen zien we in die schoonheid nog een extra dimensie. Over die dimensie gaat het in deze Psalm. Gods grootheid wordt hierin bezongen in relatie tot de natuur. Ja, in deze Psalm leest God ons voor uit eigen werk. "Want de schepping is als een prachtig boek, waarin de schepselen de letters" (artikel 2 NGB).
In de schepping laat God zien Wie Hij is. Hij heeft immers alles gemaakt. De HERE openbaart Zichzelf niet alleen in zijn Woord (Hebr. 1: 1), maar ook in wat Hij geschapen heeft (Rom. 1: 20). Ook daarin doet de onzichtbare en eeuwige God Zich kennen.
Hoe kijk jij tegen de schepping aan?

31 oktober: Psalm 104:19-35
Psalm 104 is een loflied. Een loflied op de schepping. En dus een groot compliment voor de Schepper. Over de hemel en het licht. Over bergen en zeeën, bronnen en beken. Over vogels en ezels, ooievaars en klipdassen. Over ceders en cipressen. Te veel om op te noemen.
De grote kracht achter al dit leven is de Geest van God. Zoals Hij op de eerste scheppingsdag over de donkere en doodse aarde zweefde, zo wordt Hij steeds weer uitgezonden om "het gelaat van de aardbodem te vernieuwen" (vers 30). Zonder deze Geest geen leven en geen lente. Zonder Hem geen bloesem of vruchten.

J.M.A. Groeneveld, Bedum