Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-3, november
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 november: 2 Kronieken 8:1-9:12
Nadat koning Salomo grootse dingen voor God had mogen doen, zoals de bouw en de inwijding van de tempel, breekt er een periode van betrekkelijke rust aan. Intussen heeft de roep over zijn wijsheid zich verbreid in alle omliggende landen, zelfs tot ver in het zuiden van ArabiŽ, in Seba (of Saba), het tegenwoordige Jemen aan de Rode Zee. De koningin van Seba onderneemt een reis naar Jeruzalem om Salomo te bezoeken. De schatten die zij meebrengt en aanbiedt, zijn indrukwekkend. Van grote waarde zijn vooral de gesprekken, de uitwisseling van gedachten en het oplossen van allerlei vraagstukken. Vooral de eer die deze vrouw aan de HERE, de God van IsraŽl, brengt en de erkenning van zijn geweldige macht en majesteit maken dit bezoek tot een hoogtepunt.
Van van-God-gekregen-wijsheid gaat een getuigenis uit. Salomo is een voorbeeld van Jezus, de Vredevorst, die in Gods naam een beleid van overvloed en gerechtigheid ten toon zal spreiden.
Wij mogen uitzien naar de totale vervulling van die belofte in Jezus' komende Vrederijk.

2 november: 2 Kronieken 9:13-31
Met al z'n rijkdom, wijsheid en vredesregiem is Salomo toch niet dť koning. De enige Vredebrenger is Hij die van Zichzelf kan zeggen: '... meer dan Salomo is hier' (Mat.12:42). Aan Jezus is geen wijsheid verleend, Hij is Gods wijsheid in eigen persoon.
Ook hebben Salomo's rijkdom en wijsheid niet kunnen verhinderen dat hij net als zijn vader David 'de weg der gehele aarde' moet gaan (2 Kon.2:2). De overwinning op de dood blijft voorbehouden aan de grote Zoon van David!

J.M.A. Groeneveld, Bedum

3 november: 2 Kronieken 10:1-11:17
Hier begint het laatste hoofddeel van Kronieken, dat loopt tot aan hoofdstuk 36. Opvallend is dat Juda alle aandacht krijgt, terwijl het noorden genegeerd lijkt te worden. Kronieken volgt de lijn van de beloften van de HERE aan David. Dwars door alles heen zal eenmaal de Messias komen. Achter de schermen van de geschiedenis zit het geheim van de verkiezende God. Tegelijkertijd is juist in Kronieken zichtbaar gemaakt hoezeer ons handelen en onze menselijke keuzes door de Here serieus genomen worden.
Rechabeam kijkt uit de hoogte neer op "dit" volk. Het niet "verstaan" van het volk heeft grote gevolgen. De HERE heeft het ingeweven in zijn handelen met IsraŽl. De straf op de zonde van Salomo wordt zo voltrokken.

4 november: 2 Kronieken 11:18-12:16
In 12:14 klinkt een sleutelbegrip uit het boek Kronieken: "de Here zoeken". Van Rechabeam als koning zijn best positieve dingen te zeggen. Maar zijn hart was niet op God gericht. In de eerste jaren van zijn koningschap maakte hij dankbaar gebruik van de steun van hen die naar Juda waren geŽmigreerd vanwege de afgodische praktijken onder Jerobeam. Maar toen hij zijn macht eenmaal gevestigd had bleek zijn trouw aan de wet van God een politieke zet. Zo kiest hij ook eieren voor z'n geld als de profeet Semaja uit de doeken doet hoe het zit met de inval van Sisak, de koning van Egypte. Maar van echte overgave aan de Here is geen sprake. Erg is dat: mensen die "geloven" in God, maar toch hun eigen gang gaan. Dat geldt toch niet voor u? OfÖÖ?!

5 november: 2 Kronieken 13:1-23ļ
In het licht van 1 Koningen 15:1-8 is dit een merkwaardig hoofdstuk. Van Abia valt bepaald niet te zeggen dat hij deed wat goed en recht was in de ogen van de HERE (14:2-5). Het lijkt erop dat Abia een vechtersbaas was, politiek en militair in een fel conflict met Jerobeam verwikkeld. Abia gebuikt in die strijd theologische argumenten. Daarmee steekt hij z'n eigen mensen een hart onder de riem en brengt hij gelovige broeders uit het noorden in verwarring. Wat hij zegt is formeel theologisch waar en krijgt in de dagen van het schrijven van Kronieken een nieuwe spits richting de Samaritanen. God schenkt de overwinning maar dat staat vooral in het kader van het oordeel over Jerobeam. Gods geopenbaarde wil (11:4) wordt immers met voeten getreden. Er is een grote slachting onder broeders.

6 november: 2 Kronieken 14:1-14ļ
Asa wordt beschreven als een vrome koning. Hij is de HERE met hart en ziel toegewijd. Niet alleen worden heidense zaken opgeruimd, het volk wordt ook opgeroepen de HERE te "zoeken" (vers 4). Men maakt ernst met het Woord van God. De vrede die er mag zijn wordt getekend als zegen van God. Het land bloeit op.
Dan volgt een geweldige bedreiging. De Kusieten zijn hier waarschijnlijk bedoeÔnen. Hun aantal wordt symbolisch aangeduid als "duizendmaal duizend man": een onoverwinnelijk leger. De 300 wagens geven een realistischer beeld. Bij de aantallen soldaten van Juda en Benjamin is het woord "1000" waarschijnlijk op te vatten als "militaire eenheid".
Als Asa zijn kracht zoekt bij de HERE blijkt hoe machtig hij op die manier is!

7 november: 2 Kronieken 15
Als Asa is teruggekeerd in Jeruzalem richt de HERE via Azarja het woord tot hem. Het is een oproep aan de koning om Gods wetten serieus te nemen. Het antwoord van Asa is een cultische reiniging van het land. Alles wat te maken heeft met de afgoden wordt weggedaan. In dat kader moeten we ook vers 13 lezen. Het gaat daar niet om gedwongen bekeringen maar om Gods straf op de afgodendienst (vergelijk Deuteronomium 17: 2-7).
Asa ontziet bij de reiniging van het land niemand, zelfs niet zijn oma Maška, die als "gebiedster" heel wat in de melk te brokkelen had.
In positieve zin erkent hij de HERE door in allerlei situaties offers te brengen. Ondanks zijn ijver lukt het hem echter niet definitief af te rekenen met de offerhoogten.

8 november: 2 Kronieken 16
De Bijbel is een eerlijk boek. We lezen in de laatste regeringsjaren ook negatieve dingen van Asa. Zijn vertrouwen op de HERE is bij het klimmen van de jaren niet sterker geworden. Heeft de voorspoed tot hoogmoed geleid?
Basa, de koning van IsraŽl, daagt Asa uit via militair-strategische speldenprikken. Asa reageert door steun te zoeken bij zijn politieke bondgenoten. Hij verwacht het van tactische tegenzetten. Als de HERE hem daarover terecht wijst wordt Asa boos. De boodschapper van Gods Woord komt achter de tralies en ook anderen krijgen het er van langs. Als Asa daarop ziek wordt zoekt hij "zelfs in zijn ziekte" geen hulp bij de HERE, doch uitsluitend bij doktorenÖ. Hoe is dat bij ons? Zijn wij wťl op Hem gericht?

9 november: 2 Kronieken 17
Josafat, de zoon van Asa, "zocht" de God van zijn vader en "wandelde" in overeenstemming met de geboden van de HERE. De HERE zegende hem geestelijk, politiek, militair en economisch. Er is vrede en voorspoed.
Opvallend is dat Josafat zorg draagt voor een stuk geestelijk onderwijs van zijn volk. Daarbij nemen de levieten een bijzondere plaats in. De boeken Kronieken, Ezra en Nehemia laten vaker uitkomen dat juist de levieten zich bezig hielden met onderricht in Gods Woord.
Als wij deze dingen lezen kunnen we onszelf de vraag stellen welk belang wij hechten aan het onderwijs in en vanuit het Woord van de HERE. Hoe kunnen wij dit onderwijs steunen en stimuleren?

10 november: 2 Kronieken 18:1-19:3
Het zijn sterke schouders, die de weelde van de voorspoed kunnen dragenÖ. Evenals zijn vader Asa raakt Josafat gevangen in menselijke strategieŽn. Josafat kiest er uit politieke overwegingen voor om zijn zoon te laten trouwen met een dochter van koning Achab. Daarmee haalt Josafat zich heel wat op de hals. Hij raakt betrokken in een militaire expeditie waarbij Achab het leven laat. De HERE had Achab gewaarschuwd, maar hij wilde niet luisteren. In de strijd roept Josafat de HERE te hulp en hij wordt gered. Na de strijd richt God via de ziener Jehu het woord tot Josafat om hem te waarschuwen voor vriendschap met wie de HERE haten. Het "zoeken" van God heeft ook gevolgen voor de keuze van je vrienden. Wat zou dit vandaag kunnen betekenen voor jou?

11 november: 2 Kronieken 19:4-20:12
Na het onderwijs regelt Josafat ook de rechtspraak. Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen hoe belangrijk dit is. Prachtig hoe de rechters gewezen worden op de HERE die op hun spreken van recht toeziet als de hoogste Rechter. Trouwens bij elk beroep en elke handeling kunnen we ons dit aantrekken: doet alles ter ere van God!
Dan wordt Josafat ineens met heel andere problemen geconfronteerd. Een groot leger trekt tegen hem op. Ook hier wordt de HERE bewust bij betrokken. In vasten en bidden verootmoedigt het volk zich. Men richt zich in de tempel tot God om hulp. Een grote plaats is ingeruimd voor de belijdenis van het geloof. Opvallend is hoe men vanuit het Woord van God de Here vrijmoedig tegemoet treedt met diens eigen woorden en daden!

12 november: 2 Kronieken 20:13-37
Heel het volk is nauw betrokken bij het smeken van God om hulp. De HERE geeft antwoord via de profeet JachaziŽl. Men hoeft niet bang te zijn, want de HERE zal voor hen strijden.
Dit woord wordt in geloof ontvangen. Vanuit het geloof klinkt de lofzang al voordat er gestreden wordt. Wat normaal gesproken een reactie op een overwinning is, gaat hier aan de strijd voorafÖ.
Op het moment dat Juda de HERE prijst, gebeurt er iets wonderlijks. Het leger van de vijand wordt vanuit hinderlagen overvallen. We weten niet of dit bedoeÔenen, JudeeŽrs, engelen of delen van het vijandelijke leger waren. Maar het vijandelijke leger keert zich vervolgens tegen zichzelf en Juda kan zo maar de buit op halenÖ..

13 november: 2 Kronieken 21
De toenadering tot het tienstammenrijk IsraŽl heeft Josafat enkel narigheid opgeleverd. Josafat zelf bleef de HERE trouw. Maar onder diens zoon Joram ging het helemaal fout. Gehuwd met een dochter van Achab, liet Joram zich inspireren door de praktijken van Achab. Mensenlevens, zelfs van broers, waren daarbij niet in tel. Uit angst de macht te verliezen werd er een slachting onder familieleden aangericht.
Ook op godsdienstig vlak werd de mode uit het noorden gevolgd. Joram ging voorop in het dienen van andere goden.
De schrijver van het boek Kronieken laat in zijn weergave van de geschiedenis uitkomen dat er op zoiets geen zegen kan rusten.

14 november: 2 Kronieken 22
We komen hier nog een zwarte bladzijde tegen uit de geschiedenis van Juda. We lezen van moord en doodslag, van ongehoorzaamheid aan God op allerlei terreinen van het leven. Dit alles heeft te maken met de totaal verkeerde koers van de koningen van Juda. Ze oriŽnteren zich op de politiek van het huis van Achab. Daarmee wordt zelfs de toekomst van het huis van David op het spel gezet.
Maar de HERE blijft trouw aan zijn Woord (zie ook 2 Kronieken 21:7) en zorgt ervoor dat ťťn van de prinsen aan het bloedbad ontkomt. De brandende lamp was het symbool van het bewoonde huis. Zo bleef het huis van David "bewoond" en ging de geschiedenis door naar de komst van die grote zoon van David: onze Heiland Jezus Christus!

15 november: 2 Kronieken 23
Wonder boven wonder blijft de kleine Joas gespaard. Zijn oom, de priester Jojada, is niet alleen getrouwd met een prinses, maar blijkt zelf ook politiek-militair inzicht te hebben. De zorgvuldig geplande staatsgreep wordt -onder Gods zegen- perfect uitgevoerd.
Jojada maakt gebruik van het moment om Juda erop te wijzen dat men Gods eigen volk is. Er wordt een verbond gesloten waarin koning, priester en volk zich opnieuw toewijden aan de HERE. Door de dingen vast te leggen wordt afgerekend met vrijblijvendheid. Er wordt een keuze gemaakt waaraan men elkaar kan houden.
Hierna rekent Jojada af met de macht van de Bašl-cultus in Jeruzalem. Hij heeft nu ook de vrije hand om de dingen rondom de dienst aan God passend te regelen.

16 november: 2 Kronieken 24
De regeringstijd van Joas valt in twee delen uiteen. Zolang Jojada leeft is Joas gericht op God en zijn dienst. Joas weet geld en enthousiasme los te maken voor de restauratie van de tempel.
Na de dood van Jojada laat Joas zijn oren hangen naar de adel van Juda. Er komt weer ruimte voor de afgodendienst. De HERE stuurt profeten om koning en volk te waarschuwen, maar men weigert te luisteren. Joas laat zich zelfs betrekken in een samenzwering om Zecharja, de zoon van Jojada, uit de weg te ruimen. Een valse aanklacht leidt tot het vonnis: dood door steniging. Het wordt nota bene op het tempelplein voltrokkenÖ.
De HERE neemt het niet. Een klein vijandelijk leger krijgt Juda op de knieŽn. De koning raakt gewond en wordt terwijl hij ziek te bed ligt via een samenzwering gedoodÖ..

L.C. Buijs, CGK Groningen

17 november: Psalm 105:1-22
'In het verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal', is nog niet zo vreemd gezegd. Zeker christenen dienen hun historie te kennen. En vooral Gods gang met zijn volk door de tijden heen. Daarom is Psalm 105 voor ons zo belangrijk. God komt zijn beloften na. Abraham, Isaak en Jakob werden dat gewaar. Ze werden beschermd (15). Abram overleefde Egypte (Genesis 12:10vv.) en Jozef, de zoon van Jakob, kreeg zo waar grote macht in datzelfde land. ZÚ kwam er redding uit brood-nood. Achter dit alles ligt 's HEREN trouw aan zijn verbond. Daar kan een verbondskind op rekenen. Blijf maar Ps. 105:5 zingen bij de doop.

18 november: Psalm 105:23-45
Voortdurend valt in dit gedeelte van Ps. 105 op dat God regeert. Eerst maakt Hij Jakobs nageslacht zeer talrijk (24), dan zet Hij de Egyptenaren op tegen zijn volk, daarna zendt Hij Mozes en Ašron naar het land van de Nijl (25). Ook achter de 10 plagen zit Gods hand.
Daarom is de Here het ook die zijn rijk beladen volk haalt uit dat riskante land. Met de wolk van zijn presentie omgeeft Hij hen dag en nacht (39). Ook voedt Hij hen met vlees en vis in de woestijn. God baant een weg door de wildernis. Ze komen terecht in het beloofde land. Kanašn valt met al zijn rijkdom hen in de schoot.
Wat kun je dus anders doen dan deze Machtige loven? De mens die Gods inzettingen onderhoudt, komt wis en zeker eens Thuis. Hallelujah!

19 november: JoŽl 1:1-2:14
Ineens staat daar JoŽl, de zoon van PetuŽl. Wij weten alleen zijn naam en de naam van zijn vader. Toch zegt dat al veel. JoŽl betekent: De HERE is God en PetuŽl : Ik ben overwonnen door God.
Eťn is de Almachtige. Hij beheerst de seizoenen en Hij bestuurt heel het wereldgebeuren. God kan een verzengende droogte zenden en een alles verslindende sprinkhanenplaag. En waar blijft dan de mens? Laat die zich klein maken voor de Geweldige God. Laat de mens tot de HERE roepen om uitkomst (1:14). Alleen zo is er overleven. Dat geldt nog steeds.

20 november: JoŽl 2:15-3:5ļ
De mens die zich klein maakt voor God, vindt gehoor bij de grote Regeerder. De HERE toont dan zijn medelijden (2:18). De ramp drijft weg. Er komt een open lucht. De dieren krijgen het weer goed (2:22), de velden herademen en de mens gaat zeggen: 'de HERE heeft grote dingen gedaan' (2:21). Blijdschap in de HERE gaat mensen vervullen. Er is op aarde niets dat meer blij maakt.
En daarna? Dan gaat de heilige Geest met kracht mensen vervullen (3:1-2). Ze moeten wel spreken van Gods grote daden. Niemand van de belijders kan zwijgen. In Hand.2 zien we dat gebeuren. Op die Pinksterdag spreken ze in alle talen van Gods verlossend werk via Jezus. Bij duizenden (Hand.2:41) geven mensen zich gewonnen. Met deze belijdenis komt een mens erdoor als alles kraakt op 'de grote en geduchte dag des HEREN' (3:4-5).
Hebt u zich al toevertrouwd aan God? Heb jij Jezus al als jouw Redder aanvaard?

21 november: JoŽl 4:1-21ļ
Het wordt eens volstrekt duidelijk Wie regeert. Er komt een beslissende dag en een finale slag. De boosheid van de mensen wordt gestraft. Wie wilden zondigen, gaan eraan. God laat niet met zich spotten. Dat moet terdege beseft.
'Maar de HERE is een schuilplaats voor zijn volk' (16). In Jeruzalem mocht eeuwen de verzoening gezocht ťn gevonden worden. Opgelucht gingen de pelgrims weer naar huis. Wŗt is God goed voor ons!
Juist bij die tempelstad sprak Jezus: 'Het is volbracht.' Het is door Hem helemaal volmaakt geklaard. Wonen kan de HERE bij zijn volk (21).
Eens gaat dat compleet heerlijk in vervulling. De apostel Johannes hoorde dat al: 'Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn' (Openb.21:3). Dat blij uitzicht is er voor ieder, die schuilt bij God.

22 november: 2 Kronieken 25
Het hart van koning Amasja is verdeeld (2). Dat blijkt in zijn leven. Aan de ene kant respecteert hij de wet die Mozes aan Gods volk mocht geven. De kinderen hoeven niet te sterven als gevolg van de zonden van hun vaders (Deut.24:16). Hij vertrouwt op Gods hulp in de strijd (IsraŽls huurleger heeft hij niet nodig). Bij hem is helaas ook een andere kant. De goden van het verslagen heidenvolk - de HERE helpt dus! - worden door hem op een voetstuk gezet. Zelfs gaat hij er voor op de knieŽn (14).
Gods toorn kan dan ook niet uitblijven. Amasja verliest de strijd tegen IsraŽl en zelfs wordt tempelgerei als buit geroofd. Het levenseinde van deze koning is diep triest. Ook hij komt door een samenzwering om het leven.
Dienen wij de HERE met een toegewijd hart?

23 november: 2 Kronieken 26
Wat lijkt het prachtig te gaan met koning Uzzia. Hij leeft naar de goede leer. Zoekt echt God en ontvangt royaal loon. God maakt zijn regering voorspoedig. Wijd en zijd wordt dit erkend. Wie op God vertrouwt, wordt 'wonderbaar' (15) gebouwd.
Maar dan stijgt de roem hem naar het hoofd. Behalve koning wil hij zich ook als priester laten gelden. Moedig treden de priesters hem tegemoet. Ze waarschuwen de koning met klem. Die laat zich door niemand meer gezeggen. Dan moet God wel gaan spreken. Zichtbaar vertoont zich bij Uzzia de melaatsheid. Het gevolg is dat hij ook als vorst terzijde komt te staan. Tot aan zijn dood moet hij als een afgezonderde leven. Zelfs zijn graf komt apart te staan. 'Hij was melaats' (23).
Hoogmoed doet een mens diep vallen.

24 november: 2 Kronieken 27
Eindelijk komt er een koning bij wie woord en daad ineen vloeien. Jotam weet zijn plaats als vorst. Dus gaat hij zich niet als een priester gedragen. Deze koning wil God dienen zoals het hoort. Alleen dit bekoort het volk niet. In 2 Koningen 15:35 lezen we dat het volk nog steeds offert op de hoogten. Een mens is hardleers. Toch volhardt Jotam. Hij blijft standvastig in het geloof. Wij lezen van geen strijd in zijn levenstijd.
Deze rust in Juda en Jeruzalem kon wel eens te maken hebben met 's konings standvastige geloofswandel. Leven naar Gods geboden loont. Pak de Heidelbergse Catechismus er maar eens bij (24 en Antwoord 86)

25 november: 2 Kronieken 28
Wie dit hoofdstuk leest, schrikt. Huivert. Kan zoiets in Juda/ Jeruzalem gebeuren? Kan de kerk zo diep verwereldlijken?
Wŗt kan een mens zijn Schepper krenken (25). Achaz wil niets meer met God te maken hebben. De tempel laat hij dicht spijkeren. Hij verklaart de God van zijn vader David (2) voor dood.
Ziet deze koning dan niet hoe dan alles moet vastlopen? Dat vanaf nu van alle kant de vijanden zullen toeslaan? Ze worden van Hogerhand gezonden (19). De HERE laat niet met zich spotten. Nooit.

26 november: 2 Kronieken 29:1-19
Wŗt een verrassing is de zoon van Achaz! Meteen -'in het eerste jaar zijner regering, in de eerste maand' (3)- gaat Hizkia over tot reformatie. De door zijn vader ontwijde tempel wordt gereinigd. De Levieten krijgen van de nieuwe vorst duidelijke bevelen. Haal al (!) het onreine weg uit Gods heiligdom. Dat is de enige weg om aan Gods toorn te ontkomen (8). Hizkia ziet verband tussen Gods oordelen en IsraŽls ontrouw. Zijn begeerte is het om het verbond met de HERE te vernieuwen (10). Hij vindt medewerkers. Levieten en ook priesters (16) laten zich inschakelen. Na 16 dagen is de tempel schoon. Er is geen spoor meer te zien van de vreselijke ontwijding van Achaz.
Reformatie bestaat uit daden. Zonder omwegen en meteen. Wŗt is de HERE goed dat Hij mensen aanspoort om helemaal te gaan voor zijn dienst. De daad van 1 (Hizkia) zet velen aan het werk. Waarom zou dat vandaag niet kunnen?

27 november: 2 Kronieken 29:20-36
Er blijven verrassingen komen. Tot in het laatste vers: 'want onverwacht was deze zaak geschied' (36) klinkt dit door. Wie had dit een maand geleden kunnen vermoeden? Een eerbiedige en feestvierende menigte bij een totaal gereinigde tempelÖ Niet te geloven, maar het is toch echt waar. Ook in de kerk gebeuren wonderen!
Hizkia staat er vroeg voor op. Hij kan niet langer wachten. De oversten van de stad gaan mee. Ja, velen uit het volk zijn present. Eerst het zondoffer (21), want wat we allen diep gezondigd. Alleen via bloed van offerdieren is verzoening mogelijk (Leviticus 17:11). Maar als dit gedaan is, kan de muziek klinken. Een lied vol vreugde wordt aangeheven. Velen vieren met een blij hart dat het weer goed is tussen de HERE en zijn volk.
Dit is voor een mens op aarde de grootste vreugde.

28 november: Psalm 106:1-27
Deze Psalm maakt de lezer klein. Zo zijn wij mensen dus. De HERE is goed (10), maar wij doen kwaad (6vv.).
Wŗt deed de HERE een wonderen! Al in Egypte, bij de Schelfzee, de hele woestijnreis door. Het hield maar niet op, maar wij zeurden als verwende kinderen. Mozes en Ašron kregen er een moeilijk leven door. Bij de Horeb danste het volk als de heidenen voor het stierkalf. Zo onteerden (20) ze hun Verlosser. Als Mozes niet in de bres was gesprongenÖ.(23). Tot in Kanašn bleven ze eigenwijs. Bij duizenden vielen ze in de woestijn. Dat moest de HERE wel doen. En de verstrooiing onder de volken moest wel komen (27).
Wat is een mens hardleers. Wat heeft hij de ogen vaak dicht voor Gods wonderen (7).

29 november: Psalm 106:28-48
Wat is de bedoeling van deze Psalm? Voor iedere lezer is het van belang om daar eens rustig over na te denken. Wat wil deze dichter bij zijn eerste lezers oproepen? Waarom is onder de leiding van de Heilige Geest deze Psalm voor ons opgenomen in het Psalmboek en dat nog wel aan het slot van boek 4 (90 -106)? Hoe wil God dat deze Psalm landt in mijn leven? Welke opdracht krijg ik hier?
De verzen 46 en 47 geven de indruk dat de eerste hoorders in ballingschap zijn weggevoerd. 'Het kostelijke land' (24) lag achter de horizon. Terecht, want wŗt hadden ze zich misgaan.. Is er nu geen uitzicht meer? De dichter ziet een uitweg. Maar ťťn uitweg. 'Verlos ons, HERE, onze God, verzamel ons weder uit de volken' (47).
Gods bewogenheid is voor zondige mensen het enige houvast. Die is voor eens en altijd bewezen op Golgota. Daar hing Jezus als bewijs van Gods liefde. Daar moet dan wel Amen op gezegd. Halleluja is dan wel het hoogste woord dat wij mensen kunnen spreken (48). Dat doet u/ jij toch?

30 november: 2 Kronieken 30:1-15a
Hizkia heeft een droom. O, als Juda en IsraŽl eens weer samen de HERE gaan dienen. Dat zou toch geweldig zijn. Als koning heeft hij de macht om aan de verwezenlijking van deze droom te werken. Velen van zijn volk weet hij enthousiast te maken. Er groeit verlangen om samen het Pascha te vieren. Pascha: het feest van de bevrijding uit het slavenhuis Egypte. De HERE greep toen immers in met krachtige hand. En Hij blijft dezelfde. 'Want genadig en barmhartig is de HERE, uw God: Hij zal het aangezicht niet van u afwenden, indien gij tot Hem wederkeert' (9b). Jeruzalem geraakt vol! Velen geven de HERE hun hand (8). Het is Gods hand, die bewerkte dat zij ťťn van zin werden.
Dat kan dus. Gelovigen die elkaar vinden in het samen dienen van hun God. Zich ťťn voelen in het dienen van HERE en daar ook samen vorm aan geven. Wat we lezen in 2 Kronieken 30 roept verlangen op. Wie droomt niet eens van de ware zichtbare eenheid van al Gods kinderen?
Bemoedigend is te weten dat Gods hand wonderen kan bewerken. Hij kan trouw maken. Geven wij de HERE de hand (8)? Als we dat echt doen, dan kan dat voor de zichtbaarheid van Christus' gemeente op aarde wel eens prachtige gevolgen hebben. Daar bad ook de Heer van de kerk vol verlangen om (Joh. 17:20-23).

M. H. de Boer, Hoogkerk