Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-3, mei
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 mei: Psalm 84
"Eén dag is in uw huis mij meer dan duizend zonder U, o Heer." Misschien zullen we dit morgen wel weer zingen. Menen we dat dan ook? Ik denk het wel. Het valt mij steeds meer op, hoeveel christenen verlangen naar een sterke relatie met God. Ook als iemands geloof even niet zoveel voorstelt. Vraag je hem of hij het kwijt zou willen, dan is zijn antwoord heel vaak hartgrondig 'nee.'
Maar nu de mensen, die geen behoefte hebben aan God: hoe moet je houding tegenover hen zijn. Het mooiste is, als ze jaloers worden op u, op jou. Net zo als je het op die dichter kunt worden. Hij preekt niet, maar hij zingt en je hoort hoezeer hij het meent!

2 mei: 2 Koningen 15:1-31
Het klinkt nogal eentonig. Je weet bijna van tevoren, wat er over de volgende koning zal worden gezegd. Maar als God voor een volk kiest, kiest Hij daar echt voor. Dus heeft Hij ook aandacht voor hun gewoonten. Eén van die gewoonten is om precies bij te houden, welke koningen er zijn geweest en wat er tijdens hun regering gebeurde.
Toch kan eentonigheid ook leerzaam zijn. Je ziet dat aan de zonde van Jerobeam, die elke koning van Israël weer opnieuw bedrijft. Je ziet daaraan ook, hoe verstrekkende gevolgen een verkeerde beslissing hebben kan. Een goede gewoonte leer je moeilijk aan. Een slechte gewoonte leer je moeilijk af.

3 mei: 2 Koningen 15:32-16:20
Achaz valt uit de toon. Wat een zonden! Je kunt het zo gek niet bedenken, of hij doet het. Creatief in het kwaad. Kennelijk kan het nog erger dan al die anderen. En het wordt breed uitgemeten. Het moet dus blijkbaar goed tot ons doordringen.
Het is natuurlijk ook verschrikkelijk. David moest het eens weten: een nakomeling van hem. Maar zulke dingen gebeuren. Zo geniaal is de duivel en zo slecht kunnen mensen worden. Natuurlijk, God is de sterkste. Maar neem ook maar eens de tijd om echt ontzet te zijn over het kwade.

4 mei: 2 Koningen 17: 1- 23
Onvoorstelbaar! Baäl en Astarte verliezen het van Jahwe. De muren van de sterke grensstad Jericho storten in elkaar. De ene na de andere stad valt. Kanaänitische legers worden vernietigd. En dan woont in het land Kanaän een nieuw volk. Wie had dat ooit gedacht?
De Israëlieten waren best wel bang voor de goden van dat goede land. Maar Jahwe is geweldig! Baäl en Astarte en al die andere goden en godjes stellen echt niets voor.
Maar het duurt niet lang of je ziet Israëlieten knielen voor een opgerichte steen en voor een gewijde paal. Het werd zelfs een hardnekkige zonde. Het is Israëls ondergang geworden. Onvoorstelbaar! Als wij de muren van Jericho in elkaar hadden zien storten, hadden wij dat nooit gedaan.
Maar wij hebben ook afgoden. Denk eens aan de afgod van de macht. Als iemand duidelijk veel macht heeft, durf je hem niet aan te tasten. Maar zijn we dan echt vergeten, wat God daarvan vindt en wat Hij kan? Vandaag bijna 60 jaar geleden stortte het Derde Rijk in elkaar. Wie deed dat eigenlijk?

5 mei: 2 Koningen 17:24-41
Het tienstammenrijk werd bezet gebied. Er kwamen mensen te wonen met vreemde talen, een vreemde cultuur, vreemde godsdiensten. Die laatste waren overigens niet zo vreemd. Het land kreeg waar het om vroeg. 'Hopeloos', zo zou je denken. Gedurende de Tweede Wereldoorlog hebben heel veel mensen dit vast en zeker ook gedacht. Maar gelukkig waren er ook anderen!
Als God ergens aan begint, geeft Hij dat niet prijs. Zo blijft het land dat Hij eenmaal veroverd heeft, zijn land. De nieuwe bewoners hebben dat maar te aanvaarden. De Schepper stuurt leeuwen om hen kwaadschiks tot gehoorzaamheid te brengen.
Als Jezus op aarde komt, verkeert Samaria nog steeds in een uitzonderingspositie. Maar als de Geest is uitgestort, komen ook Samaritanen tot geloof (Handelingen 8). En vandaag is Samaria, de streek rond de berg Gerizim, een oord van vrede tussen Palestijnen en Israëli's in.
Ook als alles hopeloos lijkt, is God er nog. Niet dat Israël nog steeds het heilige land zou zijn. Maar het is wel een stukje van Gods wereld. En is het niet een aanklacht, dat juist op dat stukje grond zo hardnekkig gevochten wordt? Maar God geeft nooit op waar Hij aan begonnen is.

6 mei: 2 Koningen 18:1-16
"De Here stond Hizkia terzijde en in alles wat hij ondernam, had hij succes." Weet u wel wat dat betekent?
Stel het je maar voor. De Judeeërs slaan een bres in de muren van Gaza. Achter de ontstane opening verschijnen Filistijnse strijders, het zwaard in de vuist. Maar de Israëlieten slaan hun tegenstanders tegen de grond. Daar liggen ze met bebloede wangen en zwaar verminkte armen en benen. Hoe kan God daar nu achter staan?
In de tijd van Hizkia was oorlog voeren gewoon. Wij vinden, dat God dat oorlogvoerende volkje duidelijk had moeten maken dat het op moest houden. Maar waarom?
Misschien kunnen onze achterachterkleinkinderen wel niet begrijpen, dat God ons heeft geduld. Er zijn bij ons vast en zeker gewoonten, die zij heel verkeerd zullen vinden én terecht!

7 mei: 2 Koningen 18:17-37
Macht is een afgod, waar je zomaar voor knielt. Je geeft toe aan iemand met een grote mond. 'Dan is hij tenminste weer een poosje tevreden', zo denk je bij jezelf.
Hizkia - Hizkia nota bene! - verzamelt al het zilver van de tempel en alle zilveren voorwerpen uit de schatkamers van zijn paleis. Ja, hij laat zelfs het gouden en zilveren beslag afhalen van de deuren en deurposten waarop hij dat zelf heeft laten aanbrengen. Het is een armoedig gezicht. Nu geen zilver en goud meer, maar heel gewoon hout.
Maar als Hizkia denkt dat dit helpt, heeft hij het mis. En als Eljakim en Sebna en Joach veronderstellen, dat de Assyrische opperbevelhebber wel in het Aramees wil spreken, dan is dat een naïeve gedachte. Natuurlijk heeft hij er alle belang bij om het volk zo bang te maken, dat het zijn eigen leiders demoraliseren gaat.
Met macht valt niet te onderhandelen. In elk geval niet met demonische macht. Geef de duivel geen voet!

8 mei: 2 Koningen 19:1-13
Als iemand macht heeft, kun je daar soms bang van worden. Toch is iemand die macht bezit, zelf ook maar een schepsel. De koning van het machtige Assyrië ontvangt het bericht, dat koning Tirhaka van Nubië tegen hem oprukt. Hij verifieert het niet, maar gelooft het direct. Zoiets gebeurt vaker. Je ziet daaraan, dat zelfs machtige mensen hun zwakke kanten hebben. Soms voelen ze zich opeens heel erg bedreigd. Wat niet meteen wil zeggen, dat ze dat ook laten blijken. Zo spreekt de koning van Assyrië stoere taal. "U hebt zelf gehoord, dat de koningen van Assur altijd alle landen die zij binnenvielen, hebben verwoest." Stel je voor, dat Hizkia zich laat intimideren. Dan kan hij Jeruzalem nog net even veroveren, voordat Tirhaka komt. Altijd te proberen! Maar een machthebber blijft een schepsel en hoe stoerder de taal, des te groter is de onzekerheid.

9 mei: 2 Koningen 19:14-37
Heb jij, hebt u wel eens een brief gekregen waar je vreselijk van schrok? Je kon er niet van slapen. Je bedacht allerlei strategieën, mogelijkheden om wat dan ook te doen. Maar je vond al die strategieën riskant. Die brief heeft wel wat teweeg gebracht!
Ook Hizkia ontvangt een verschrikkelijke brief. Maar wat doet hij? Hij rolt de brief open en legt deze vóór de Here neer. Waarschijnlijk deed hij dat in de voorhof, vlak vóór de ingang van het tempelgebouw.
Waarom zouden wij dat vandaag ook niet doen? Natuurlijk, de tempel is er niet meer. Maar God is er wel. En Hij kan echt wel zien, wat er in die brief staat die je gekregen hebt. Wat meer is: Hij kan en wil je ook beschermen, je wijsheid geven, een wonder doen desnoods. Hij ziet echt wel hoe je geschrokken bent en Hij doet daar vast iets mee.

10 mei: 2 Koningen 20
Hizkia staart door het venster naar de zonnewijzer. Die zonnewijzer is een dak in de vorm van een trap. Intussen liggen meer dan tien treden daarvan in de schaduw. Straks valt onherroepelijk de nacht. Dan gebeurt het wonder. Opeens is het dak tegenover hem weer bijna helemaal licht.
Kan dit wel? Normaal gesproken niet. Wij kennen een aantal natuurwetten en dit verschijnsel strijdt met een deel daarvan. Natuurwetten zijn best belangrijk en wetenschap is het ook. Maar overschat die wetenschap niet. Als je denkt dat je dankzij de wetenschap weet hoe het in alle tijden en overal is gegaan en zal gaan, dan heb je het mis.
God brengt heel wat in beweging voor dat ene kind van Hem, die doodzieke Hizkia. Dat wil Hij en dat kán Hij. Ook zonder dat er verder in het heelal ook maar één ramp gebeurt.

T.S. Huttenga, studentenpredikant Groningen

11 mei: Psalm 85
Hartstochtelijk en fel zijn de woorden. God heeft herstel gegeven. Nieuw leven. De totale ommekeer. Geweldig is het wat in de eerste vier verzen staat. Maar niet alles is nog goed. Denk aan de tijd vlak na de eerste terugkeer. De grote wending is geschied. Wat Jesaja had geprofeteerd is werkelijkheid geworden: Onze mond werd vervuld met lachen en onze tong met gejuich (Ps.126)! Een nieuwe schepping was het! En nu wordt op die basis luide de diepe aangrijpende hartstochtelijke roep: blijf ons uw gunst geven, wend uw woede van ons af. O schenk ons toch uw heil! Daar roept een man, nee een gemeenschap, om de werkelijkheid die God gegeven heeft en geven zal. En die wordt niet beperkt tot het particuliere gevoel. Recht, gerechtigheid, trouw, vrede, ruimte, leven… dat zijn de termen die in dit gebed naar voren komen. Bidden is worstelen op de basis van de bewezen genade. En het is nooit vlak. Er is geen plaats voor gearriveerdheid. Hier is de diep doorleefde roep om God te houden aan het beloofde herstel van de hele aarde! En dan wordt Gods vrede verkondigd. Een vrede die veel wijdere kringen trekt dan de eigen ziel. Hemel en aarde worden er in betrokken. Vrede die de aarde herstelt. Gods koninkrijk is wereldwijd. En het herstel dat Hij bewerkt, reikt letterlijk tot aan de einden der aarde. Gaan we daarin mee?

12 mei: Hosea 1:1-2:3º
Tere beeldspraak en ruige taal wisselen elkaar af, hartstochtelijk is het appel dat als in een laatste oproep het volk bereikt. En de boodschap van Hosea is zo schokkend, dat er al de eeuwen door mensen zijn geweest, die gezegd hebben: dit kan niet waar zijn, geen echte werkelijkheid. Je kunt je toch niet voorstellen dat God een man opdraagt een vrouw te trouwen van wie hij van te voren weet dat die hem ontrouw zal zijn, zo erg, dat de kinderen die geboren worden niet eens meer zijn eigen kinderen zijn. En toch zal dat de enige juiste opvatting zijn van wat we hier lezen. Hosea leeft in de nadagen van het tienstammenrijk. Koning Jerobeam II. Noordelijk rijk. De dramatische jaren vóór de val van Samaria in 722. Tijd van welvaart. Maar ook van ontrouw. Afgoderij, afval. Toen heeft God als nooit te voren aanschouwelijk onderwijs gegeven: Hosea moet in zijn eigen leven het voorbeeld laten zien van wat het volk doet tegenover God. De namen van zijn kinderen spreken boekdelen. Jizreel: want daar heeft Jehu huisgehouden en heeft hij zijn eigen koers gekozen. Lo-Ruchama: geen barmhartigheid meer. Het einde. In de naam klinken al de donkere tonen van de ondergang, de ballingschap. Lo-Ammi: niet mijn volk. En ieder die dat jongetje heeft gekend of heeft geroepen is op directe manier geconfronteerd met deze boodschap. En dan toch eindigt dit stuk met de verkondiging van herstel. Ja toch. Dat zul je steeds weer zien in dit boek. Zo is God. Dit is het einde! Het zal nog één keer worden overtroffen: in Jezus Christus

13 mei: Hosea 2:4-25º
Nu komt de 'toepassing', ruig en realistisch is de taal, schokkend de beeldspraak. Je verschiet er bij van kleur. Zo spreekt God. Recht op de man af. Hij is niet bang voor de confrontatie. Hij raakt je hart. Heel de verhouding met God wordt gevat in het kader van een huwelijk: het verbond is het huwelijk, afval is overspel, afgoden zijn minnaars, de bruid die achter hen aanloopt wordt een hoer. En iedereen wist waar de profeet Hosea over sprak. En ieder moest ook concluderen: de woede van de getergde echtgenoot is terecht. Wat moet je dan concluderen over de woede van God? En dan volgt daar ineens de taal van de liefde: ik neem haar mee de woestijn in, daar was de bruidstijd, de totale overgave en de algehele afhankelijkheid. Overweldigend zijn de woorden die dan volgen. Een nieuw verbond, de herstelde verhouding, nieuwe bruidsdagen, liefde en trouw, leven en overvloed, De namen veranderen. Niet-mijn-volk wordt: Mijn volk en Zonder-medelijden wordt Medelijden. Alsof er niets is gebeurd geeft de bedrogen echtgenoot opnieuw zijn liefde! Zo is God. Kennen we Hem? Kennen we Hem zoals Hij hier spreekt? Raakt Hij ons?

14 mei: Hosea 3
En nu nog een keer, nota bene! Hosea moet die vrouw terugnemen. En de strafmaatregelen zullen ten doel hebben om haar terug te buigen naar de oude verhoudingen. Na alles nog maar weer terug gaan naar die vrouw! En werken aan herstel, alsof dat in de lijn der verwachting kan liggen. Haar man zijn. Hoe is het mogelijk! En zo moet duidelijk worden, wat God eigenlijk zelf doet ten opzichte van het volk. On-mogelijk, onvoorstelbaar! Als een mens het doet, schudt iedereen zijn hoofd. Is er wel ergens in de bijbel iets te vinden dat dit realisme evenaart? Ja, Jezus Christus, die voor de ogen van de mensen zijn lijden heeft volbracht. Maar verder? Nergens. En zo laat God merken hoe ver zijn liefde gaat. Grondeloze barmhartigheid is de term die in de gereformeerde formulieren wordt gebruikt. Liefde zonder basis in de realiteit betekent dat. Wat voor termen zouden wij eigenlijk gebruiken, als een van onze kennissen zoiets zou doen? En zo is God jegens ons. Volslagen….. vul maar in.

15 mei: Hosea 4
In hoofdstuk 4 begint een nieuw deel van dit boek dat doorloopt tot en met hoofdstuk 11. Een aaneenrijging van snijdende preken, confronterende uitspraken, aangrijpende beelden. Het verwijt klinkt, dat men God niet 'kent'. En dat is uiteraard geen boekjeskennis, kennis van de feiten van de geschiedenis, de jaartallen van Gods ingrijpen. Maar het is de kennis die een man en een vrouw van elkaar hebben in het huwelijk. De vertrouwelijke omgang (Ps.25). En degenen die de positie hebben om het volk de nodige kennis te geven, de priesters, hebben de meeste schuld. Zij hebben de kennis van God veracht. En nu geeft Hij ze over aan hun eigen verdwazing. Er bestaat de uitdrukking dat de zonde zich zelf straft. Dat is veel te simpel gezegd. Maar wel is het zo, dat zelfs de ergste ondergang tenslotte datgene is wat een mens zelf kiest, als Hij God verlaat. Het oordeel van God is vaak, dat Hij de keus die de mens zelf gemaakt heeft, bevestigt. Doet dan God de mens geen onrecht? Nee, beslist niet. Hij geeft de mens over aan zijn eigen wegen. En zie dán maar eens wat er van komt.

16 mei: Psalm 86
De psalm staat wel haaks op dat wat we de laatste dagen bij Hosea gelezen hebben. Hier staat een mens in nood. Het dodenrijk slaat over hem heen! En hij zoekt God. In eenvoud en trouw en met aandrang. "Ik ben uw knecht" en "Niemand is U gelijk". En ik ken U uit alles wat van U bekend is. De vaste grond voor het gebed in nood, ook al slaat die totaal over een mens heen, ligt niet in zijn eigen zekerheid, maar in dat wat God geopenbaard heeft: zijn trouw, zijn aandacht, zijn macht en zijn toekomst. Het vrome en krachtige gebed gaat niet uit van een automatisme (God helpt toch wel) maar is de intense roep van de knecht die weet dat hij geen rechten heeft op de genadige toezeggingen van de grote sterke God. O God help me toch, U kunt het, en als U het niet doet, dan weet ik nog dat U het gekund hebt. De hartstochtelijke aandrang heeft geen zweem van dwingelandij. Dat is bidden!

17 mei: Hosea 5-6
De hele godsdienst onder leiding van de priesters is zo veruitwendigd en dus verkankerd, dat er geen terugkeer meer mogelijk is. Alleen als God zal optreden kan er iets nieuws komen. Zo ver kan eigen gekozen vroomheid dus komen! Het oordeel wordt aangekondigd. Het is totaal. De bazuin blaast alarm. God zelf is de mot en de beeneter. Alles verziekt. Dat is zijn oordeel. Ontdekkend zijn de beelden. De hele maatschappij raakt verziekt. Zo slaat God en het gaat diep. En waarom? Is het doel tenslotte de totale ondergang? Nee, het doel is bekering, herstel van een rest. Tóch voortgang van zijn plannen. En als dan de woorden van inkeer klinken, komt de scherpe reactie van God: wat moet ik dan met jullie? Gaat het dan om het onderhouden van een paar regels? Om de buitenkant? Nee: liefde wil ik en geen offers! Bekering is pas bekering als ze vanuit het hart opkomt! En tenslotte is het alleen God, die een nieuw hart kan geven. Het oude is te ziek en te verrot. Dat is schrikken voor een mens.

18 mei: Hosea 7
Ruige taal, scherpe beelden, mokerslagen die maar doordreunen. Er komt geen eind aan de samenzweringen en koningsmoorden. De samenzweerders houden, net als de bakker zijn oven, het vuurtje warm. Intrigues, onbetrouwbaarheid, en het zoeken van steun bij de wereldmachten. God wordt voorbijgelopen. Het volk wordt een koek waarin alle ingrediënten zijn gebakken, zonder dat er nog van een eigen stijl sprake is. Naïef als duiven vliegen ze in het vangnet. De wereldmachten zullen hun netten over hen uitspreiden en hen vangen. God gebruikt hen daar voor. En er komt géén bekering! Woorden als zweepslagen! Zo spreekt God ook. Hosea is het boek van de getergde God.

19 mei: Hosea 8
Voort gaat het met de aankondigingen van het oordeel. Aanklacht na aanklacht. Beeldspraak na beeldspraak. Sarcasme over de minnegeschenken! Verwijten over het heulen met de wereldmachten, de afgoderij met de stierkalven, en de trotse bouwwerken. Secularisatie, zouden we vandaag zeggen. Je sterk maken en volhouden en doorgaan, bij alle rampen die gebeuren. Wij zullen dóórgaan! En daar staat het dan: Ik zal een vuur werpen in zijn steden. Maar wat helpt het nog dan? Dan geeft de mens tenslotte nog de schuld aan God: hoe kan Hij dít toelaten? Kan Hij niet béter voor de wereld zorgen? Enz. Wanneer brengen rampen ons tot bekering?

20 mei: Hosea 9
De ballingschap wordt al uitgetekend. Er wordt gesproken over terugkeer naar Egypte. Dat zijn termen aan het oude verbondsstatuut ontleend (Deuteronomium). Dat is de meest krasse vorm van afbraak van alles wat God heeft opgebouwd met en voor zijn volk in het beloofde land. De terugkeer naar Egypte staat voor totale afbraak van de hele geschiedenis.
De profeet zal er voor worden uitgescholden, crazy verklaard. Maar hij reageert met verscherping van zijn woorden. En dan herinnert hij met een schitterend beeld aan die goede oude tijd. God vond dit volk als druiven in de woestijn. Dat is iets wat je totaal niet verwacht: druiven in de woestijn! En alles wat dit volk ontving, kreeg het van God. En toen liepen ze al naar Baal Peor (Num.25). En daarmee gaf het volk toen al zijn visitekaartje af. Eigenlijk is het altijd zo door gegaan. En nu komt de afrekening. De heel verschrikkelijke reeks eindigt met: God zal hen verwerpen…. Zijn deze woorden nog overgekomen toen in de dagen van Hosea? Hoe ver moet je 'weg' zijn om niets meer te horen? Wanneer word je helemaal doof voor deze woorden?

21 mei: Psalm 87
Het lied van Jeruzalem, de stad van God. Het centrum der wereld. Gods werk blijft niet beperkt tot het kleine landje dat Israël heet. Dat was maar een begin, een opstap, een voorspel. Het bruggenhoofd om van daaruit de hele wereld te veroveren. "Jeruzalem" als de plaats waar God vaste voet verkregen heeft, is werkelijk het centrum der wereld En van daaruit zal zijn werk doorgaan. Het herstel komt. En de lof op God zal de lucht vervullen. Begin maar vast mee te zingen. Vanuit 'Jeruzalem'.

22 mei: Hosea 10
Het was zo goed en mooi: Gods zegen (vs.1a); en de zegen van God nota bene bracht ze op de weg naar de afgoden: die kregen de dank voor wat God gaf (vs.1b). Daarvoor kan de straf niet uitblijven (vs.2), dat is vroeger al aangekondigd. En van de eigen gekozen koning is geen hulp te verwachten (vs.3), die koning wordt weggevaagd; en de afgod waar ze hun vertrouwen op gezet hebben ook. Wat heb je nu aan een stierkalf dat als overwinningstrofee in de tempel staat van de vijand. Waar treur je nu over dan? (vs.4-5) Schitterend is de taal, en indrukwekkend de beeldspraak. De koning die als een spaander is op het watervlak! Hij wordt meegesleurd in de bandjir van het geweld dat heel Samaria zal overspoelen! Let er op dat juist de beelden waarmee de profeten de algehele ondergang van Gods volk tekenen, terug komen in Openbaring! En dan hebben die beelden niet de lading van: zo groot is Gods toorn over de grote boze wereld! Maar: dat zijn de beelden van Gods toorn over zijn afvallige kerk! In scherpe bewoordingen wordt het karakter van Gods volk blootgelegd (9-15). Boos en slecht van het begin af aan. Tegen de achtergrond van deze typeringen krijgt Gods initiatief om juist dit volk uit te kiezen nog meer reliëf. Het is een spiegel voor ons.

23 mei: Hosea 11-12
Na al de mokerslagen, komen de woorden van nodiging. De schildering van de bruidstijd. De tere klanken van het grootse begin. Ik heb Israël liefgehad toen het een kind was. Ik leerde Efraim lopen. Ik nam het op in mijn armen. Laat de beeldspraak alstublieft tot u doordringen. Geweldige taal gebruikt Hosea. Schril en schrijnend wordt dan het vervolg. Ze gingen weg, toch, en de vader bleef op de uitkijk staan, wachtend op de terugkeer van zijn verloren zoon. En dan komen de woorden die als het ware geprest worden uit zijn getergde hart: hoe zou ik je prijsgeven, je overleveren, zal Egypte dan toch het einde zijn, en zal alles dood lopen in Assur? En dan staat daar God, God in zijn majestueuze kracht: geen mens, God, Hij straft, Hij slaat, Hij heeft het recht aan zijn kant. De ballingschap komt waarin alles tot de grond toe wordt afgebroken, dat zal de zuivering zijn, de omkeer, de nieuwe schepping, dwars door de brand die een rest zal overlaten. Hij zuivert, Hij trekt een rest er door heen, Hij zet zijn plan door, het zal niet doodlopen in het niets, de geschiedenis wordt geen vicieuze cirkel, en er zal geen grijnzende vijand zijn die zich verheugen kan op de ondergang van wat God begonnen is op deze aarde. Let op. Dat is wat de Dordtse Leerregels zo vroom en eerbiedig onder woorden hebben gebracht! Gods souverein welbehagen. Zijn de termen nog bekend? Is de huiver nog aanwezig? De diepe eerbied voor deze God?

24 mei: Hosea 13
Krijgt u bij de lezing van dit op één na laatste hoofdstuk van Hosea niet het gevoel, dat het u overweldigt? Het is net alsof het altijd nog weer indrukwekkender kan worden gezegd, feller, hartstochtelijker, indringender. Nog meer beelden, nog treffender beeldspraak. God die daar spreekt, heel direct en persoonlijk, als de getergde, en achter elk snerend woord brandt zijn liefde. Wat doet u dat beeld van de leeuwin die zijn welpen niet meer koestert maar de prooi verslindt? Dat beeld van de berin van jongen beroofd, die de borstkas van zijn prooi openrijt. Als het niet in de bijbel stond, als het er niet stond als eigen woorden van God, zouden we God daarmee dan wel durven afschilderen? O de prietpraat dat God liefde is en alles gladstrijkt en er altijd voor ons is, waarbij zijn toorn wordt weggemoffeld, en een boek als Hosea dicht blijft, het is beeldendienst, waarbij zijn liefde tot pasmunt wordt. Is dat niet precies de zonde geweest waartegen Hosea zo hartstochtelijk is tekeer gegaan. Gaat God zelf daar aan het eind van de geschiedenis van het tienstammenrijk niet in volle kracht staan om ze allemaal nog eenmaal terug te roepen en tegen te houden op de weg die naar de ondergang voert? Als een berin die een borstkas openrijt, als een leeuwin die het gedierte des velds verscheurt. Daar staat het: Mijn oog kent geen medelijden. Ik vind dat huiveringwekkend. Bedenk het wel: het is allemaal zo gegaan. Lees Klaagliederen, lees Ps.137. De wreedheden zijn te afschuwelijk om zonder emoties te lezen. En dan die bekende zin: dood waar zijn uw pestziekten, dodenrijk waar is uw verderf? Ze is bekend geworden uit het betoog van Paulus in 1 Kor 15. En daar gebruikt hij het als een overwinningsroep. Jezus heeft de dood verslagen: dodenrijk waar is uw overwinning, dood waar is uw prikkel? Hier fungeert deze zin tegengesteld: de pestziekten van het dodenrijk en de ondergang van de dood worden opgeroepen om hun werk te doen over het afvallige volk. Tegen deze achtergrond krijgt de overwinningsroep van Paulus zijn geheel eigen kracht: Jezus heeft deze ondergang overwonnen, deze straf gedragen. Nu verkeert deze zin in zijn tegendeel!

25 mei: Hosea 14
Dit is het einde van dit boek. Daar loopt het op uit. Al dat geweld, heel die straf, alles wat daar over gezegd is, de brede rivier van het donderend geweld mondt uit in een stroom van liefelijke woorden. De Vader opent zijn armen, spreekt uit zijn hart, laat zijn diepste drijfveren zien. Kom toch terug. En Ik zal je vrijwillig liefhebben. Die liefde is dus niet gegrond op de prestaties, op een verdienste. Zelfs niet op het goede werk van de bekering! Slechts gebaseerd op de gronden die God bij zich zelf heeft. (Heb ik al niet een keer eerder verwezen naar de Dordtse Leerregels, dat veel gesmade geschrift, dat toch ook juist altijd daarom de kritiek heeft opgeroepen, omdat het zo radicaal afrekent met ook maar enige gedachte aan een steunpunt in ons voor Gods genade?) Daar loopt dat geweldige boek Hosea op uit: Ik zal je genezen; dauw over de velden, kleuren van de lelie, pracht van de olijfboom, de geur van de ceders van de Libanon. Ik ben als een altijd groene cypres, het symbool van het altijd durende leven.
God heeft zich laten kennen in dit wonderlijke, grootse, ruige en tere boek.
En ik hoef u niet te herhalen wat er helemaal aan het einde staat in vers 10. Lees die woorden tenslotte nog maar een keer.

J.T. Oldenhuis, Helpman

26 mei: 2 Koningen 21:1-18
(Het is geen vrolijk rooster dit keer en dat geldt dus ook van de aantekeningen erbij, maar God houdt het ook ons voor juist nu er nog tijd van genade is, 2 Petr.3:8,9! Lees die tekst alstublieft als beheersend aperitief aan het begin van elke dag van dit bijbelrooster!!)
Bij Manasse vindt een definitief keerpunt ten kwade plaats, zelfs de vrome Josia die na hem komt krijgt het volk niet meer fundamenteel om. Manasse is de ´Achab´ van het tweestammenrijk (Juda) genoemd. De afgoden rukken nu op tot in de tempel van de HERE. Het volk van God wordt verleid tot een vorm van heidendom, waar zelfs de heidenen nog een puntje aan konden zuigen. In het bestek van twee tot drie generaties (Manasse regeerde 55 jaar!) vindt deze omwenteling plaats. Je kunt je oren gewoon niet geloven als je dit verslag van de Koningenschrijver hoort. Waarom vermeldt hij trouwens de bekering van Manasse niet, zoals de Kronist (2 Kron.33:10-20) wel doet, het feit dat Manasse zich verootmoedigde op het eind van z´n leven en zelfs de afgoden uit het land en de tempel wegdeed? In ieder geval blijkt een gedurende meerdere generaties verleid volk niet best meer terug te buigen (-het verbond Gods van vader op zoon krijgt een omgekeerde dynamiek als de duivel z´n voet er tussen gezet heeft, wat dat betreft snap je soms, vergun me de opmerking, de argeloos oppervlakkige vorm van ´voorleven´ van ouders niet, hun gebrek aan precisie en toewijding in het voorleven van het verbond van de HERE). Zo is ook zoontje Amon definitief de weg kwijt, als hij de troon moet overnemen. Een vader die aan het eind van z´n leven er nog es ernst mee gaat maken moet nergens op rekenen wat z´n nageslacht betreft.

27 mei: 2 Koningen 21:19-22:7
Amon maakt de hervormingen die Manasse nog aan het eind van zijn leven probeerde in te voeren weer ongedaan. Een samenzwering ruimt hem uit de weg. Uit 2 Kron.34 valt af te leiden, dat zijn zoon Josia in zijn achtste regeringsjaar, dus toen hij zelf een joch van zestien was, de HERE gaat zoeken en een paar jaar later een begin met hervormingen maakt. De naam van David valt gelukkig weer in het verslag, de glans van het verbond licht op, zij het dat alles te laat blijkt. Maar toch.

28 mei: 2 Koningen 22:8-20
Bij de restauratie van de tempel komt het verbondsboek (de wet van Mozes zal wel bedoeld zijn) boven water, dat normaliter als het geopenbaarde Woord van de HERE naast de ark in het heilige der heiligen behoorde te liggen, maar nu blijkbaar ´weg´ was geraakt. Hoe kan het, hè: het Woord gewoon weg, kwijt, terwijl de tempel (-als een zo goed als leeg omhulsel, vormendienst heet dat-) nog overeind staat. Het Woord weg en Juda evenals zijn vorsten zijn de koers helemaal bijster. Zonder een geopende bijbel loopt het leven in enkele generaties volledig uit de rails, de VVB bleek trouwens nog wel (uit gewoonte? of als ´verzekeringssom´?) overgemaakt in verband met de verbouwing (bouwen bindt soms nog een tijd ook al is het Woord als eigenlijk bindmiddel en ijkpunt daarin verdwenen). Hulda kan de oordeelsaankondiging van God nog wel even als uitgesteld aankondigen, maar niet als afgesteld. De oprecht vrome Josia valt uiteindelijk op het slagveld, maar zal de deportatie van Jeruzalem niet meer hoeven mee te maken. Hij valt in de handen van God.

29 mei 2 Koningen 23:1-14
De rillingen lopen je over je rug bij de opsomming van de gruwelen die Josia allemaal verwijderen en verbranden moet en laat na de verbondsvernieuwing. Het spoor van ontrouw wordt terug beschreven tot op Salomo. Deze zwarte catalogus laat als in een spiegel zien hoe lang van geduld (lankmoedig) de HERE onder dit alles gebleven was. Als God je eenmaal uit zijn Boek wist, nou dan heb je het er ook echt naar gemaakt. God heeft naar Jezus´ gelijkenis van de verloren zoon/dochter echt steeds maar op de uitkijk gestaan, maar Hij is er moe onder geworden (dat is geloof ik het enige waarvan ergens in de bijbel gezegd wordt, dat God er vermoeid onder kan raken: van onze zonden, voor het overige is God onuitputtelijk en nooit achter adem, vooral in zijn trouw en liefde, ps.121), en daarom komt het oordeel toch onafwendbaar.

30 mei 2 Koningen 23:15-30
Josia trekt zelfs in zijn hervormingsdrang het voormalige (gedeporteerde) tienstammenrijk in en vernietigt de hoogte van Bethel met haar gewijde paal (asjera). Hij laat grafschennis plegen ten aanzien van allen die zich rondom deze hoogte van het gewijde stierkalf hadden laten begraven: het oordeel over de doden wordt zo ook aan deze zijde van de dood alsnog voltrokken, laat staan hoe het aan gene zijde toe zal zijn gegaan: het is niet niks om ´te vallen in de handen van de levende God´ als je de weg van het Verbond definitief achter je gelaten hebt om de goden van deze eeuw te aanbidden. Het pascha wordt sinds eeuwen weer stipt gevierd naar de voorschriften van het boek van het Verbond en dus in Jeruzalem, zie voor een imposante beschrijving daarvan 2 Kron.35: ´zulk een Pascha was in Israël niet gevierd sinds de dagen van de profeet Samuël zoals Josia het vierde met de priesters, de Levieten en geheel Juda en Israël dat zich daar bevond en met de inwoners van Jeruzalem´ (2 Kron.35:18). Zelfs de pesachvieringen onder David en Salomo en later nog Hizkia konden daaraan blijkbaar niet reiken. Over (de noodzaak van) stijl gesproken, over liturgie, over heilige voorbereiding en plechtige viering van de maaltijd van Jahwe, de maaltijd van de Heer Jezus Christus, over diepgang en eerbied: wie durft onder zulke aanwezigheid van de HEER zelf dan zingend en vierend met de hand(en) in de zakken te staan...?
Wat een pracht getuigenis over Josia (vs.25)! Toch blijft de HERE onvermurwbaar, waarbij opnieuw Manasse als het definitieve keerpunt genoemd wordt.

31 mei: 2 Koningen 23:31-24:7
Weer zet het kwaad zich door. Zonde is en blijft een raadsel, ook als je ziet welke waarschuwende oordelen God stuurt. Joahaz wordt als koning van Juda vazal van Egypte, evenals zijn (oudere) broer Jojakim die in zijn plaats door de Farao op de troon gezet wordt. Het land zucht onder afdracht van de enorme egyptische boeteheffing. Egypte is als een scherp riet, dat je je hand doorboort; zonde loont uiteindelijk nooit. Later komt Nebukadnessar (de toekomstige koning van Babel), die Farao Necho verslaat in de slag bij Karkemis (605 voor Christus) en Jojakim tot vazal maakt, ondanks zijn poging tot verzet. Opnieuw valt de naam Manasse: vanaf zijn duivelse regering is er zoveel gepasseerd dat God tot in Zijn diepste gekrenkt heeft, dat het woord valt: de HERE wilde dat niet vergeven. Daar wordt je koud van, van zo´n zin. Komt daar op oudtestamentische wijze om de hoek kijken, wat Jezus later als onvergeeflijk beschreef: de zonde tegen de Heilige Geest. Dat is meer dan het ´bedroeven´ (Jes.63, Ef.4:30) van God en de Geest. Dat is willens en wetens alle signalen van Gods Verbond en zelfs van zijn Verbondswraak negeren en God onder (nog niet eens boven) op de hoop gooien van het heir des hemels aan afgoden dat je dient. Kan een natie ook onder zo´n oordeel gaan vallen? In ieder geval is met Jojakim het huis van David als koningsmacht zo goed als uitgeregeerd. Meer dan ooit lijkt de komst van de grote Zoon van David achter de horizon verdwenen. Als het verbond van God toch eens van mensen afhing.

M.A. Dronkers, Helpman