Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-3, december
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 december: 2 Kronieken 30:15b-27
Vreugde golft door Jeruzalem (21,23,25,26). Zoiets geweldigs was sinds koning Salomo niet meer voor gekomen in de tempelstad. Zeven dagen feest vinden ze te kort. Ze kunnen nog niet van elkaar scheiden. Graag willen ze samen hun dank aan de goede God nog langer vreugdevol gestalte geven.
Koning Hizkia –wàt kijken we hem hier in het hart- verschaft royaal de middelen. Duizenden offerdieren stelt hij beschikbaar. Het is nu de tijd om God uitbundig te danken.
Nog een ding kan de lezer hier opvallen. De koning is allereerst een voorbidder voor zijn volk (18 en 19). Van de priesters wordt met nadruk gezegd dat hun biddende stem doordrong tot in de hemel (27).
De gebedshouding siert ons mensen. Daarmee eren we de HERE het meest.

M. H. de Boer, Hoogkerk

2 december: 2 Kronieken 31
Onder de regering van Koning Hizkia vindt er in Juda een reformatie plaats. Israël keert terug naar God. De tempel in Jeruzalem wordt gerestaureerd en gereinigd. De erediensten en de feesten worden in ere hersteld. De Israëlieten bekeren zich metterdaad tot de HERE, de God van het verbond. Voor de Israëlieten na de ballingschap – ik ga ervan uit dat Ezra het boek Kronieken heeft geschreven om Israël te bemoedigen – moet het een geweldige troost en stimulans zijn, dat er continuïteit is: God gaat verder met hen. De eredienst toen en nu, de tempel toen en nu, ze wijzen naar dezelfde God die trouw is aan Zijn Woord! In dit kader staan ook de bijdragen, heffingen, regelingen en registers in verband met de tempeldienst: “met getrouwheid wijdden zij zich aan het heilige.” Hizkia zocht God en was voorspoedig. Zo gaat het iedereen die met volle toewijding trouw is aan de HERE.

3 december: 2 Kronieken 32:1-23
Hizkia blijft trouw aan de HERE, ook in moeilijke tijden. Wanneer Sanherib van Assur de steden van Juda belegert, neemt Hizkia wel allerlei maatregelen om Juda te verdedigen. Maar voor alles roept hij hen op om niet bang te zijn, want – zegt hij – “met ons is meer dan met hem. Met hem is een vleselijke arm, maar met ons is de HERE, onze God (dat zei Elisa vroeger ook al, 2 Kon.6:16-17). Ook al probeert Sanherib dat met zijn brallende woorden te ontkennen (climax in vs.15), Juda gaat niet om voor zijn angstoffensief. Zij doorzien de dwaze fout van Sanherib: hij beschouwt de levende God als ‘maaksel van mensenhanden’. Hij zal er wel achterkomen. Het loopt slecht met hem af. Maar Hizkia is bij alle volken hoog geëerd. God geeft ieder die Hem dient een hoge titel en veel roem (vgl. Filip.2:9-11).

4 december: 2 Kronieken 32:24-33
Toch blijkt ook die trouwe Hizkia een ‘gewoon mens’, zelfs nadat God hem op wonderlijke wijze van een dodelijke ziekte heeft genezen. Ook al weet Hizkia dat hij zijn leven aan God te danken heeft, al dat aanzien van de volken stijgt hem naar het hoofd. Hij wordt hoogmoedig. Maar Goddank, Hizkia heeft berouw en bekeert zich tot de HERE. Hizkia doorstaat de geloofsbeproeving. God weet wat in Hizkia’s hart is en zegent hem daarom met grote rijkdom en luister. Zo is Hizkia een zoon van David: een gelovig man, getypeerd door zijn vrome daden. In Christus, de ware Zoon van David, is het leven van Hizkia en van iedere christen (gezalfde!) gegarandeerd.

5 december: 2 Kronieken 33
Dan wordt Hizkia’s zoon Manasse koning over Juda. Wat een vreselijke schok: hij is het tegenbeeld van zijn vader. Hij doet precies het tegenovergestelde. Wat Hizkia zorgvuldig heeft opgebouwd, breekt Manasse tot de grond toe af; wat Hizkia weloverwogen heeft vernietigd, bouwt hij weer op. Het is in één woord schandalig. Hij krenkt de naam van de HERE waar hij maar kan. De duivel is in Manasse en in Juda gevaren. Ze doen meer kwaad dan de volken om hen heen. De wereld op zijn kop. God kan dit niet aanzien en komt met zijn straf: Manasse wordt door de generaals van Assur aan haken en kettingen weggevoerd. Weg uit Gods ogen. Dan erkent Manasse dat de HERE God is. God opent zijn ogen, Manasse bekeert zich en mag van God weer koning zijn. God is goed, barmhartig, liefdevol voor Manasse, voor iedere zondaar die tot bekering komt. Hij sluit elke verloren zoon die terugkomt, in Zijn armen (Luk. 15). Opnieuw is er reformatie. Juda komt terug bij de HERE. En dan is het ook weer: God met ons. Jammer dat Manasse’s zoon Amon dat niet heeft ingezien. Hij moet zijn slechte daden met de dood bekopen.

6 december: Micha 1
Introductie
Tijdens de regering van Hizkia en zijn beide voorgangers Jotam en Achaz is behalve Jesaja en Hosea ook Micha – “wie is als de HERE?!” – werkzaam als profeet van God (tussen 750 en 685 v. Chr). Hij komt uit Moreset, een stadje in Zuid-Juda. Verder is er niets over hem bekend. In Jer.26:18 wordt zijn naam genoemd. En bij de geboorte van Jezus Christus in Betlehem herinneren de Joodse schriftgeleerden zich Micha’s profetie daarover (Mat.2:1-12).
Indeling:
1 Het oordeel over Israël en Juda (Micha 1 t/m 3)
2 Er is nog hoop (Micha 4 t/m 5)
3 Het rechtsproces van de HERE (Micha 6)
4 Van somberheid naar overwinning (Micha 7)
Micha 1: Oordeel, a
De profeet Micha ‘schouwt’ het Woord van de HERE – openbaring via visioenen dus – over Samaria en Jeruzalem, de hoofdsteden van Israël en Juda. Hij kondigt het oordeel aan over Samaria, het onheil over Jeruzalem en hij bekritiseert de ontelbare misstanden in Israël en Juda. Deze profetieën dateren dus van voor de val van Samaria (722) en voor de reformatie van Hizkia in Juda (vanaf 715). De hele aarde zal het straffend optreden van de HERE zien: Hij zal alles stukslaan en verbranden. Niets blijft overeind. Gods volk zal in ballingschap gaan. Het land zal kaal en leeg achterblijven: een niemandsoord. Micha ziet het allemaal voor zijn ogen gebeuren en breekt in snikken uit.

7 december: Micha 2: Oordeel, b
Geen goed woord heeft Micha over voor de rijke landeigenaars die maar in weelde baden en zich niet bekommeren om de armen die creperen van ellende. ’s Nachts dromen die rijke onderdrukkers hun kwade plannen bij elkaar, ’s morgens voeren ze die meteen uit ten koste van de toch al zo arme sloebers. Nooit is het genoeg (voorbeelden in vs.6-11; vergelijk het 10e gebod). Maar in de naam van HERE: het is gedaan met hun machtsvertoon en hun corrupte dieverijen. Ze gaan eraan. Alles wordt hun afgepakt. Door de HERE zelf. Hij komt met Zijn straf. Toch een opluchting dat dit gedeelte eindigt met een heilsprofetie: de HERE zal Zijn schapen verzamelen. Hij zal de versperde wegen en poorten openbreken. God straft om te redden. Er is hoop: “Het zal er gonzen van mensen.”

8 december: Micha 3: Oordeel, c
De leiders van Israël/Juda wordt de wacht aangezegd. Vooral de valse profeten, die tegen betaling of een hap eten elke gewenste ‘blijde boodschap’ leveren, krijgen het zwaar te verduren. Kijk eens op wat voor een gruwelijke manier zij hun slachtoffers afmaken. Er wordt gestroopt, gevild, uitgebeend, gebroken en gehakt, als in een slachterij. En dan ook nog zeggen: “Is de HERE niet in ons midden? Ons zal geen kwaad overkomen.” Hoe durven ze! Maar het wordt aardedonker om hen heen. Sion wordt omgeploegd tot een akker, Jeruzalem wordt een hoop stenen en de tempelberg een oerwoud. Dit zegt Micha, “vol van kracht, van de Geest van de HERE.” Hij spreekt de waarheid, gratis, onomwonden. Later, in de tijd van Jeremia – de ballingschap van Juda is dan al begonnen – herinnert men zich die woorden nog precies (Jer.26:18). Ze zijn zelfs opgetekend voor ‘de kerk van alle tijden’: Pas op! God duldt geen onrecht. Van niemand. En helemaal niet van Zijn eigen volk. Geloof in Christus! Hij redt van zonde, corruptie, machtswellust. Hij bekommert Zich om ieder die zijn leven aan Hem geeft. De toegang tot Hem is gratis. Ook al is Hij de Koning van alle koningen. Nee: juist omdat Hij dat is. Vrede en gerechtigheid zijn de peilers van Zijn regering. Dat is echte blijde boodschap!

9 december: Micha 4: Hoop, a
Na al die donkere wolken van onheilsprofetie met slechts zo nu en dan een sprankje licht, breekt nu ineens de zon door: het komt weer goed, Jakob en Jeruzalem! Samen met Jesaja (2:1-5) zingt Micha dat prachtige duet over de volken die naar Gods huis op Sion komen en zich laten leren over de wegen en paden van God. Sion is het centrum van de hele wereld: daar komt het Woord van de HERE vandaan; daar gaan de volken naar toe (Ps.84, 122). Laat er nu nog veel ellende zijn. En er komt vast ook nog veel tegenslag (de ballingschap). Maar het einde zal voor Gods volk goed zijn. In het laatst van de dagen brengt Hij uit alle volkeren Zijn kinderen bijeen. Dan zal het voor altijd vrede zijn. Gods oordeel zorgt voor eeuwige rust. Alle wapentuig wordt gerecycled tot werktuigen voor de landbouw. Niet meer elkaar bevechten in de oorlog, maar samen eten aan één tafel! Wie denkt hier niet aan de bruiloft van het Lam? Er is hoop: feest op komst.

10 december: Micha 5: Hoop, b
Micha gaat nog verder, wordt nog preciezer: “En u, Betlehem Efrata, …, uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël …” Nu breekt het ‘Licht der wereld’ door: de Messias komt! De Goede Herder (vgl. Ezech.34) zal hen weiden in de kracht van de HERE. Gods volk zal rustig wonen, want geen vijand durft meer aan te vallen. De beloofde Vredevorst zal groot zijn tot aan de einden van de aarde (Mat.28:18-20). Hij zal – alles omvattende – vrede (sjalom) zijn. Er zal bevrijding komen voor “het overblijfsel van Jakob”. Alle vuiligheid in het land aan toverij, waarzeggerij en afgoderij zal met Gods vijanden voor altijd verdwijnen. Het leven wordt weer goed, heilig, paradijselijk. Want: God met ons, door de beloofde Messias.

11 december: Micha 6: Rechtsproces
Micha heeft gesproken over oordeel en onheil en over hoop op bevrijding. Nu zijn we in de rechtszaal. We horen hoe de HERE Zijn aanklacht indient tegen Israël. Hij beveelt het volk om te luisteren naar Zijn beschuldiging en om hun verdediging voor te bereiden tegen de (in vs.9-16) volgende concrete aanklachten. Het vonnis ligt klaar om uitgesproken te worden. Onbegrijpelijk dat Israël het zover heeft laten komen. Wat heeft de HERE immers niet voor hen gedaan? Alleen al de verlossing uit Egypte en de bevrijding van Balak en Bileam zijn voldoende om het recht van de HERE te erkennen en eigen schuld te belijden.
Hoe zal Israël het goed maken? Door veel offers te brengen stem je God toch wel gunstig, denken ze. “Helemaal niet,” zegt Micha. God, “maar door gehoorzaamheid!” En dat weten zij ook best (vergelijk 1 Sam.15:22; Ps.40:7-9). De Here vraagt “niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen .met uw God.”

12 december: Micha 7:1-13: Overwinning, a
De samenleving van Israël/Juda is tot op de bodem verziekt door fraude en corruptie. Voor gezagsdragers is er geen enkel respect. Ze verdienen het ook niet (vergelijk het 5e gebod). Je huisgenoten – zelfs je eigen echtgenoot – bij wie je je toch veilig zou moeten voelen, zijn je vijanden. Thuis zelfs loert het gevaar. De muren hebben oren. Micha geeft een heldere typering: “Tot kwaad doen staan de handen goed.” Geen mens heeft twee linker handen als het gaat om het doen van slechte dingen. Er is daarom alle reden tot somberheid: Wie kan zijn zondeschuld ooit aflossen? Zie HC 5: Wij maken onze schuld dagelijks groter. Er is maar één uitweg: God Zelf moet het doen door de zending van Zijn Zoon. Daarom: “Maar ik zal uitzien naar de HERE, ik zal wachten op de God van mijn heil.” Dat is de hoop van Sion., dat boete doet voor haar zonden. Het einde is de overwinning.

13 december: Micha 7:14-20:
Overwinning, b
Een kudde schapen in het veld. De Herder weidt hen met Zijn staf net als vroeger. God is weer de Herder van Israël (Ps.23). Laat de HERE toch opnieuw Zijn wonderen laten zien, net als toen in de dagen van de uittocht uit Egypte. Alle volkeren waren stomverbaasd. Ze hadden het lef niet de door de woestijn trekkende kudde van God aan te vallen. O nee. Wie het wel probeerde, kreeg lik op stuk. Ze sidderden voor de Almachtige. “HERE, laat dat toch opnieuw gebeuren. Dan zal de hele wereld U vrezen, U dienen! Dan zal iedereen U erkennen als de grote Overwinnaar.” Of dit gebed verhoord wordt? Nou en of! Je zult wel moeten, gelet op de feiten.
Slot (vs.18-20; lees ook Ps.103)
“Wie is een God als U?!” Vergeving, ontferming, trouw: de HERE doet wat Hij heeft beloofd. Van oude dagen af, al op de dag van de zondeval, heeft Hij het gezworen. Steeds opnieuw heeft Hij verlossing beloofd. En Hij heeft het gedaan ook, in de eeuwen na Micha en na de ballingschap. Toen is Micha’s profetie vervuld: in Betlehem Efrata is de Heiland geboren, Christus de Heer. Aan het kruis op Golgota heeft Hij de schuld betaald. Aan Gods eis is recht gedaan. Ons vonnis is geveld: vrijspraak! Geen doodstraf maar eeuwig leven.

14 december: Psalm 107:1-22
Micha profeteert de ballingschap: Samaria gaat naar Assur, Jeruzalem naar Babel. Dat is de straf van de HERE over de ontrouw van Zijn volk. Maar Micha spreekt ook al over bevrijding en overwinning voor ‘het overblijfsel van Jakob’. Het oordeel komt, maar ook de redding.
In Psalm 107 is die ballingschap voorbij. De dichter kijkt erop terug. En hij roept op om de HERE te loven voor Zijn verlossing. Uit alle windrichtingen heeft Hij Zijn verlosten verzameld. In vier levendige taferelen (tableaux vivants) tekent de dichter de ellende van Gods kinderen, hun redding door God zelf (gebedsverhoring) en hun dankbaarheid voor die redding (dezelfde indeling als de Heidelbergse Catechismus).
- Stel je voor: een groep zwervers dwaalt in de woestijn, zonder eten, zonder onderdak. Op hun roepen, antwoordt de HERE: Hij redt hen uit de nood. Daarop past maar één reactie: lof voor de HERE om zijn goedheid. Wie denkt hier niet aan Israël in de woestijn? God heeft hun het beloofde land gegeven, met steden, dorpen, akkers en boomgaarden. Looft de HERE!
- Stel je voor: een stel mensen zit gevangen in een donkere cel. Eigen schuld: ze hebben Gods Woord veracht en hun eigen zin gedaan. Daarvoor moeten ze boeten. Op hun gebed tot God, verlost Hij hen uit de angst. Ze zijn vrij. Opnieuw: hier past alleen maar dankbaarheid. Wie denkt hier niet aan de ballingschap in Assur en Babel. Nu is die ellende voorbij. Goddank!
- Stel je voor: een stelletje dwazen (ongehoorzame kinderen van God) leeft in de zonde. Ze weten best dat dat niet goed is, maar ze trekken zich er niks van aan in hun onverschilligheid. Dan komt de straf. Ze worden doodziek. God hoort hun bidden en geneest hen door Zijn woord. Rest alleen maar dankbaarheid. Voorbeelden te over in de bijbel. Ook van de enige remedie: Looft de HERE, want Hij is goed!

15 december: Psalm 107:23-43
Stel je voor: een konvooi handelsschepen op zee met elk een forse bemanning. Je kunt nog zoveel inzicht hebben, maar wanneer er een orkaan losbreekt, dan kun je helemaal niets doen. Doodsangsten sta je uit. Denk maar aan de discipelen van Jezus, ’s nachts op het Meer van Galilea. Die zeelui roepen tot de HERE. En Hij redt hen: de storm gaat liggen, de golven komen tot bedaren. En ze arriveren veilig op de plaats van bestemming, in “de haven van hun begeerte.” Zou je dan niet uitbreken in gejubel: Looft de HERE! (Zie ook Hand. 27).
God is de Schepper. Hij regeert over de door Hem ingestelde natuurwetten: moerassen zijn nat, maar kunnen veranderen in dorre woestijnen en omgekeerd. Hij is het die de mensen zegent met opbrengst, jong vee, kinderen. Dat kun je ontkennen, vooral als je het goed hebt en welvaart kent (“edelen”), maar dan zul je het merken ook. Dan beschermt Hij de armen, de nederigen (“oprechten”), die altijd Hem om zegen bidden.
Wie is wijs? Dat is hij die de genade van God in zijn leven ervaart en die Hem daarom dagelijks prijst. Psalm 107 is een complete ‘geloofsleer in het kort’: ellende, berouw, bekering, verlossing, vergeving, heiliging, dankbaarheid. De naam van Christus wordt niet genoemd, maar je bent een dwaas als je Hem niet ziet. Lof en geloof: daarmee toon je je wijsheid. Looft de HERE, want Hij is goed!

H. Venema, Onnen

16 december: Nahum 1:1-14º
Hoe komt dit eerste hoofdstuk van de profeet Nahum over? Komt de HERE over als een Wreker, als een grimmige Persoon, waar je bang voor moet zijn? Maar lees secuur. Hij is vol grimmigheid voor zijn tegenstanders, Hij toornt tegen zijn vijanden(2).
Hier allereerst tegen Nineve, de residentiestad van de Assyriërs. Daar is kwaad bedacht tegen de HERE (11). Daar wordt eigen roem centraal gezet en dat kan de God niet dulden. Alleen Hij regeert de wereld en al haar bewoners (5). Wie dat niet erkent, gaat eraan. Maar wie schuilt bij de Machtige, wordt zijn hulp gewaar. Hier ligt ook de troost van dit bijzondere profetenboek. De God van Israël, de Vader van onze Here Jezus Christus, staat boven alle wereldmachten.
Daarom is dit boekje vast van hand tot hand gegaan onder de gelovigen van Juda. Ze vonden er houvast in. Nahums naam (hij die troost) zagen ze bevestigd in wat hij moest opschrijven. Deze vertroosting kan nog steeds ervaren worden. Simeon nam eens de Vertrooster van Israël in zijn armen (Luc.2:25, 28). En wat Jezus zelf sprak vlak voor zijn hemelvaart: 'Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde…' (Mat.28:18-21) zegt voor altijd genoeg.

17 december: Nahum 2:1-14º
Nineve, die grote stad, gaat eraan. De profeet Nahum ziet het al gebeuren. De poorten zwaaien open, de schitterende paleizen zinken ineen (6). Al de bijeen geroofde schatten vallen nu anderen ten buit. Waar blijft de eens zo krachtige leeuw (11-13)? Het is de HERE der heerscharen die ingrijpt (13). Hij wil Israël herstellen (2).
Na eeuwen kan ons dit nog bemoedigen. Boven alle wereldmachten staat de God van Abraham, Isaak en Jakob. Hij zal al zijn vijanden verslaan. In Psalm 2 wordt ons dat getekend. Meteen krijgen we de opdracht mee om bij de Zoon te schuilen. Veilig zijn we bij de Leeuw uit de stam van Juda. Voor altijd veilig in Jezus' armen.

18 december: Nahum 3
Eens veroverden de Assyriërs No-Amon. In 663 voor Chr. viel deze stad aan de Nijl waarvan men dacht dat ze onoverwinnelijk was. In 612 voor Chr. onderging Nineve hetzelfde lot. Wie had dat kunnen denken? Toen Nahum dit profeteerde waren de Assyriërs nog zo aanzienlijk als een grote zwerm sprinkhanen (17).
Kort na deze 'Godsspraak over Nineve' (1:1) ligt de koning van Assur met al zijn geweldigen in een doodsslaap (3:18). Andere volken verheugen zich over haar val. Want was er ooit een oorlogslustiger volk op aarde geweest (19; vgl. 1-4)? De beschrijving van haar ondergang doet denken aan wat we lezen in Openbaring 17:1,2 en 18:23. Het 'wee' (1) is dus wel op zijn plaats. Wie niet buigt voor het Woord des HEREN wordt de schande gemaakt (5). Wij laten ons toch wel waarschuwen?

19 december: 2 Kronieken 34:1-21
Opnieuw komt in Juda een wending, maar nu ten goede. Koning Josia, die van huis uit geen echte geloofsopvoeding had meegekregen, begint als hij 16 jaar is 'de God van zijn vader David te zoeken' (3).
Hij ziet dan helder zijn taak voor zich. Wèg moeten de Baäls en heel die afgodendienst. Hij gaat grondig te werk (5) en kijkt heel breed (6v.). Ook buiten Juda en Jeruzalem valt er veel te reformeren. Deze koning is daadkrachtig! Vanzelfsprekend verlangt hij het huis des HEREN te herstellen. Er wordt royaal geld beschikbaar gesteld en ook dat werk wordt krachtig ter hand genomen (12v).
Dan de verrassing. De priester Hilkia vindt 'het boek van de wet des HEREN' (15). Een gedeelte van Deuteronomium? Als de koning hoort wat voor altijd staat geschreven, gaat hij de diepte van de zonde van het volk beseffen. Gods toorn is terecht. Hij maakt zich klein voor God. Alleen zo is er uitkomst voor een mens. En toekomst.

20 december: 2 Kronieken 34:22-33
De profetes Chulda mag vorst en volk op de hoogte brengen van Gods plannen. Inderdaad zal Gods toorn over de vreselijke zonde van afgoderij komen. Wat staat geschreven in o.a. Deut.28:15-68 zal werkelijkheid worden. Alleen komt de straf nog niet direct. De HERE heeft de verootmoediging van koning Josia gezien. Daarom zal het onheil niet meteen komen.
De koning beseft wat hem te doen staat. 'Het gehele volk van groot tot klein' op de hoogte brengen. Ieder moet horen wat staat geschreven in het boek van het verbond. Laat er toch verbondstrouw mogen groeien bij het volk.
De reformatie zit Josia hoog. Hoe diep heeft het door gewerkt? En vooral: maken wij ernst met Gods verbond?

21 december: 2 Kronieken 35:1-19
De bijbel levert de lezer steeds verrassingen op. Kijk maar naar vers 3. Moet de ark in de tempel gezet? Maar daar stond ze toch al (1 Kon. 8:6)? Daar mocht ze toch niet worden weggehaald?
De beste verklaring lijkt me dat koning Josia constateert dat de levieten de heilige ark niet meer behoeven te dragen, dat die rustig in de tempel kan blijven staan en dat de Levieten dus andere taken moeten verrichten. Vers 3 is beter te lezen als: gij hebt geplaatst.
Nu die andere taak krijgen ze! Het Pascha moet binnenkort gevierd en daarvoor dient heel wat geregeld. Dat moet secuur gebeuren. Precies zo als is voorgeschreven (4,6).
Het wordt een groots feest. Zoiets is in eeuwen niet gebeurd (18). Ieder mag meedoen. Gods volk hoort ook bijeen. Wàt is mooier dan samen het feest van Gods bevrijdende daden te vieren? Toch prachtig om elkaar in de kerk te ontmoeten en om samen het Avondmaal te vieren?

22 december: 2 Kronieken 35:20-36:10
Als lezer blijf je je verbazen. Heeft Necho, de vorst van Egypte, echt een boodschap van God ontvangen (21)? Komen de woorden van die Farao 'uit de mond Gods' (21)? Nog een vraag: waarom laat de vrome koning Josia zich niet waarschuwen? Moet deze goede reformatie zò eindigen?
Wij mensen kunnen Gods beleid niet doorgronden. Er valt op aarde veel te klagen (24,25). Temeer als je leest hoe het volstrekt mis gaat met de elkaar snel opvolgende vorsten Joahaz, Jojakim en Jojachin. Ze doen alle drie wat kwaad is in Gods ogen. Dat levert wegvoering op naar Egypte (Jachaz) of naar Babel (Jojakim en Jojachin). Zelfs het meest heilige en kostbare tempelgerei wordt afgevoerd. Kan het erger?
Wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen. En sleept velen mee in de afgrond.

23 december: 2 Kronieken 36:11-23
Gods ontferming ontroert.
Al tijdens de goddeloze regering van Sedekia zendt Hij Jeremia (lees Jer. 37 en 38). Hoon is profetenloon (16). De Chaldeeën voeren Gods oordeel over volgehouden afval uit. Het huis Gods, de paleizen, ja alles gaat eraan. Wordt dit het einde?
Nee. God wil verder met zijn plan. Eens zal de ware Davids vorst komen. Daarom is er toch een weg terug uit Babel. Precies op de beloofde tijd. Na 70 jaar herbergt het beloofde land weer Gods volk (vgl. Jer.25:11 en 29:10 en ook Dan.9:2).
Deze Machtige laat niet varen wat zijn hand begon. Er is dus hoop voor wie Gods belofte aanvaardt als betrouwbaar.

24 december: Sefanja 1
Let op de naam van deze profeet. Sefanja betekent: de HERE heeft geborgen. Bij de HERE is bescherming beleden zijn ouders. Gezien 1:1 is aan te nemen dat hij geboren is in de tijd van de extreem goddeloze koning Manasse. Dan zegt de naam Sefanja dus veel! Voor het kind zelf, maar ook voor zijn volksgenoten. Ja ook voor ons. Temidden van barbaars ongeloof mogen Gods kinderen veilig zijn bij de grote nakomeling van Hizkia (1:!). Veilig in Jezus' armen.
Dat is ook wel nodig voor wat allemaal staat te gebeuren. Eens komt de dag van Gods definitieve oordeel. De mensen die zeggen: 'De HERE doet geen goed en geen kwaad' (2b) komen volstrekt bedrogen uit.
Het heeft waarde om 2 Petrus 3:1-10 bij Sefanja 1 te lezen. En je zelf de vraag te stellen; Ben ik voorbereid op die grote dag des HEREN? Houd ik rekening met de terugkeer van Jezus?
Echt: 'elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem hebben doorstoken; en alle stammen der aarde zullen over Hem weeklagen. Ja, amen' (Openb. 1:7).
Zoek bijtijds bescherming bij de HERE. Dan bent u voor altijd geborgen. Veilig aan Jezus' hart.

25 december: Sefanja 2
Op Kerst lezen we Sefanja 2. Is er een verbinding te leggen tussen dit bijbelhoofdstuk en Kerst? Denk er eerst zelf over na.
Een paar ideeën. Allereerst deze: Kerst is dat God Zich laat vinden op aarde. Zoeken heeft dus zin. Zijn wij daarvoor nederig genoeg (3)?
Verder: Jezus' komst heeft wereldwijde betekenis. Sefanja 2 is vol met steden en heidenvolken. Allen keken toen minachtend naar Juda en Jeruzalem. Dat komt hen duur te staan. Jozef en Maria moesten naar Judea (Luc. 2:4) en Jezus moest sterven in Jeruzalem. Daar doet de HERE dus zijn groots werk. Dat moet in elke stad onvergetelijk blijven. Zo niet, dan wordt het een woestenij. Zo bijvoorbeeld Nineve (13-15). De mens, die Kerst over het hoofd ziet, overleeft straks het zien van Jezus niet.

26 december: Sefanja 3
Probeer opnieuw vanuit Kerst dit hoofdstuk te lezen. Zie je verbindingsdraden? Ontdekt u verbanden?
Opvallend in 3:9-20 is de nadruk op Ik zal. Steeds is sprake van Gods ingrijpen (o.a. 9, 12, 19, 20). Alleen door Gods krachtdadig ingrijpen komt voor de mens het heil. Dat zien we ook in heel het gebeuren van Jezus' komst op aarde. Maria, Jozef, de herders en de wijzen, ze worden allen van boven de weg gewezen. Ze laten zich ook de weg wijzen. Dat heet dan ook de bekering. De bekering was in de dagen van Sefanja bepaald niet algemeen. De profeet moet spreken over de 'weerspannige, bezoedelde, verdrukkende stad' Jeruzalem (1vv.). Wijzen uit het Oosten vonden in later tijd geen gehoor bij Herodes en evenmin bij de overpriesters in deze stad (Mat. 2:1vv.).
Toch blijft de heilsbelofte klinken! Kennelijk is het Gods diepste verlangen om ons mensen te redden. Zò graag hoort Hij dat lof voor hem opklinkt vanaf heel deze aarde (19,20).

27 december: Habakuk 1
Habakuk is emotioneel. Hij heeft tal van vragen over het Godsbestuur van mens en wereld. Dat roept herkenning op. Wàt kunnen wij lang roepen tot God zonder dat het voor ons idee helpt. Hoort God me wel?
Toch weet Habakuk meer. Hij moet doorgeven dat de HERE regeert: 'Ik verwek de Chaldeeën' (6). Maar moet het nu zo? Moet zo’n barbaars volk de vrije hand gegeven worden (17)? Kan de Heilige God dat maar blijven aanzien?
Met deze vragen worstelt Habakuk. O ja, hij weet dat onder Gods eigen volk veel mis is. 'De wet verliest haar kracht' (4), maar moet alles vernietigd door die heidense Chaldeeën (16)? Ook wij hebben hier wel zo onze vragen.

28 december: Habakuk 2
Het heeft waarde om over een paar verzen uit dit hoofdstuk extra na te denken.
Vs.4b: maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven. Lees hierbij Rom.1:17, Gal.3:11 en Hebr.10:38 (daar zelfs 'mijn rechtvaardige'). Alleen de mens die verwachtingsvol de handen uitstrekt naar de Here, heeft toekomst.
Vers 17: Wie geen respect heeft voor wat de Schepper heeft gemaakt –bomen, dieren, de mens- die zal zijn straf niet ontgaan. Hoe secuur gaan wij om met het werk van Gods handen?
Vers 14: Lees hierbij Jes. 11:9 en 6:3. Wat wordt ons hier een heerlijk uitzicht geboden! De toekomst is niet aan de chaos. Eens zal alles op de goede plaats staan. Heel de aarde zal vol zijn van een welluidend loflied op de Schepper. Zeer goed (Gen.1:31) zal dan alles zijn.

29 december: Habakuk 3
Laat ons niet soft van God denken. Habakuk beeft over al zijn leden, als hij hoort welke vreselijke dingen bij de wereldcatastrofe zullen gebeuren (16). Deze profeet maakt ons duidelijk dat het verschrikkelijk is om te vallen in de handen van de levende God. Vreselijk voor wie Hem in zijn leven op aarde niet heeft willen kennen en erkennen.
Maar deze geweldige Strijder (8b) is uitgetrokken tot redding van zijn volk (13). Dat geeft Habakuk vertrouwen als alles wankelt: 'toch zal ik rustig afwachten de dag der benauwdheid'. Want deze grootse God is de God van mijn heil (18). Daarom verstomt de jubel bij deze profeet niet ook al lijkt de toekomst nog zo donker (17v.). Zijn voet kan tòch veilig ( zie Ps. 91:12b) en snel (lees Ps. 18:34) gaan. Daar zal die Machtige voor zorgen. Voor altijd (Ps. 18:51b).

30 december: Obadja
Edom waant zich veilig (4), maar zal toen onder gaan. Wat heeft dat volk misdaan? Zich misdadig gedragen tegen zijn broeder Jakob. Toen Juda ten prooi viel aan de Babyloniërs, maakten ze de moeite nog erger. Ze toonden geen sprankje medelijden, alleen maar leedvermaak. Sterker nog: ze deden hun best Juda’s vluchtelingen te grijpen (vgl. Ps.137:7; Ezech.25:12). Dat komt hen duur te staan. Wee wie zich aan Gods volk vergrijpt (Ps. 116:15)! Dat moet nog steeds bedacht.
Te denken geeft vers 17. Lees Joël 3:5 erbij. Door de Heilige Geest gedreven citeert Petrus deze profeet en legt (Hand.2:22vv.) de verbinding met Jezus. Wie God aanroept in Jezus' naam zal behouden worden (Rom.10:13).
Ook over vers 18-21 blijf je nadenken. Zeker 'en het koningschap zal zijn aan de HERE' (21b) doet ver kijken. Eens zal Christus alle vijanden overwinnen en dan zal God alles in allen zijn (1Kor. 15:28). Soli Deo Gloria- aan God alleen de eer! De mens komt dan ook tot zijn hoogste bestemming.

31 december: Psalm 108
Opnieuw ligt een jaar achter ons: dit jaar is bijna geschiedenis geworden. Wat heeft het allemaal opgeleverd? Wat staat ons op deze laatste dag te doen? In Psalm 108 lezen we hierover belangrijke dingen. Twee keer komt dit lied in het Psalmboek voor: 108:1-6 = Ps. 57:8-12 en 108:7-14 = Ps. 60:7-14. Kennelijk zijn deze woorden de moeite van het herhalen waard.
Vers 1-6: Een jubel over de hulp die van God is ontvangen. Dat wij er aan het eind van dit jaar nog zijn én dat wij een Psalm willen lezen, zie daarin maar Gods hand. Hij wil ook graag uit onze mond een danklied horen. Het past om deze genadige God - denk aan Kerst! - wereldwijd te danken.
Vers 7-10: Een herinnering aan wat God eens had beloofd. Israël zal de heerschappij krijgen over heel Palestina. Alleen door te vertrouwen op Gods beloften komt een mens terecht in het beloofde land. De gelovige zal eens wandelen op de nieuwe aarde. Wat de Here belooft, komt Hij na.
Vers 11-14: In dat heerlijk land komen wij niet door eigen kracht. Ook niet met behulp van sterke mensen. Alleen 'met God zullen wij kloeke daden doen' (14a). Was er bij u deze grondhouding in het afgelopen jaar? Ga jij in het komende jaar voor Jezus Christus?
De mens die dat doet, kan gerust zijn (1). Dan gaan we een vaste gang, ook al zullen wij lang niet altijd Gods wegen met ons leven begrijpen. Omgeven door Gods beloften en zijn hulp komt het met ons echt wel goed.

M. H. de Boer, Hoogkerk.