Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-2, april
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 april: 2 Koningen 4:38-44
Wat de jonge profeten in Gilgal overkomt, is bepaald geen aprilgrap. De dood zit echt in de pot. Geen mop van een grappenmaker die hoopt op een dubbele portie, maar dodelijk ernst. Eindelijk is er weer eens volop te eten (meegebracht door Elisa). Heerlijke geuren doen iedereen watertanden. Een van de jongens heeft er spontaan nog een voorraadje wilde komkommers bij geplukt. Dat wordt smullen. Nee, dat wordt een voedselvergiftiging. Goddank: Elisa is er zelf bij. Een handvol meel - teken van leven - maakt het eten goed.
In diezelfde tijd komt iemand de eerste opbrengst van de gersteoogst brengen: 20 broodjes en een zakje koren. De hongersnood is voorbij. 100 mensen eten van een maaltijd voor vier personen. En ze houden nog over ook. Hoe dat kan? Dat is niet zo moeilijk: "naar het woord van de HERE!" Later gebeuren er door Gods Zoon nog meer van dit soort wonderen. Voor God is niets onmogelijk. Hijzelf is de allerbeste levensverzekering. Hij geeft levend brood.

2 april: 2 Koningen 5
Om bij de afgoden in het gevlei te komen moet je sterke staaltjes uithalen en flink betalen. Misschien willen ze jou dan wel genezen, vooropgesteld dat ze niet je eigen droomhelden zijn. Našman heeft vast al zijn best gedaan om van zijn 'huidvraat' af te komen. Het heeft hem niet geholpen. Dan toch maar luisteren naar dat vrome slavinnetje uit IsraŽl. Maar zeven keer baden in de Jordaan, die sloot van IsraŽl, dat is wel erg simpel. Nou ja, op aandringen van anderen, doe je 't dan. Maar 't is werkelijk te gek voor woorden. Vooral ook nog, omdat die halfgare profeet (vgl. 9:11) zijn boodschap door zijn knechtje liet overbrengen. En dat tegen hem, zijne excellentie, de generaal van Aram. Het toppunt van onfatsoen.
Heeft Našman na zijn wonderlijke genezing - en meer dan dat! - nu echt in God geloofd? Was hij bekeerd? Maar dan ga je toch niet meer naar de tempel van de afgoden? Ook al kost het je je baan. Waarom ging hij niet lijden om zijn geloof? Stop even! Wees maar niet wijzer dan God zelf. Jezus Christus aarzelt niet de naam van Našman te noemen als voorbeeld tegen de ongelovigen van Nazaret (Luc.4:27). Ook voor nu: kijk liever naar Našman op dan op hem neer. En let op Gods liefde en geduld met zondige mensen. Zijn wij beter dan Našman?

3 april: 2 Koningen 6:1-23
Weer zo'n raar opschrift: ging het nu echt om die bijl? Welnee! De 'plaats van samenkomst' (kerk, campus) in Jericho is te klein geworden. Te klein! Dat betekent groei. Is dat niet fijn? Samen gaan ze een nieuw gebouw timmeren. Samen de schouders eronder: gemeenschap der heiligen. En dan kan een van hen niet meer meedoen. Zijn geleende bijl plonst in de rivier. En de gedachte komt boven: is God tegen? Maar nee: via Elisa zorgt God voor voortgang. Hij verandert even een van Zijn natuurwetten. De Schepper zelf leidt de gemeenteopbouw.
Nog zo'n prachtige geschiedenis. Elisa is met zijn profetieŽn de koning van Aram steeds te glad af. "Nou, dan pakken we die Elisa toch op?" Eitje toch? Dotan wordt omsingeld in de nacht. Dat zal Elisa niet weten. Wat niemand ziet, dat ziet Elisa. En bij zijn knecht gaan ook de ogen open: "Zij die bij ons zijn, zijn talrijker dan zij, die bij hen zijn!" Op de hele berg waar Dotan op ligt wemelt het van de hemelsoldaten. Tussen Elisa en Aram is een muur van vuur. En dan komt de grap: bij de hele Aramese meute gaan de ogen dicht. En ze gaan pas weer open, wanneer ze middenin Samaria staan. En dan: een etentje en "Wel thuis!" Dan sta je toch wel met je ogen te knipperen. Die God van IsraŽl is toch een wonderlijk Heer. Als je dat maar doorhebt. Ogen open voor Zijn macht, Zijn genade, Zijn verlossing!

4 april: 2 Koningen 6:24-7:2
Een ezelskop: dat is nog te doen. Maar duivenpoep: dat is toch niet te pruimen? Elke cent is er ťťn teveel. Maar wat als je vergaat van de honger? Dan wil je wel. Het kan nog veel erger: je eigen kind opeten. Kannibalisme. Dat is het toppunt van nood. Wanneer Koning Joram het hoort, scheurt hij zijn kleren. Hij is net zo radeloos als zijn volk: rouwkleding aan onder zijn vest. Maar nu zal hij zijn woede koelen op de schuldige van al deze ellende. Met eigen handen gaat hij die Elisa vermoorden. Is die niet Gods man? En is het niet God, die deze belegering van Samaria door Aram heeft toegestaan? "Wat zou ik nog op de HERE hopen?", zegt hij. Nee, dat hoeft hij niet te proberen. Behalve als hij zich bekeert, als heel IsraŽl zich bekeert. En toch, die goede God komt met Zijn woord: "Morgen zullen de prijzen weer normaal zijn, van de gewone dagelijkse kost." Dat kan alleen maar, als Ö Ja, de redding is nabij! Zeker weten.

5 april: 2 Koningen 7:3-20
Je kunt natuurlijk schamper reageren op Gods belofte van redding uit de nood - en 't is in zekere zin nog wel te begrijpen ook dat die officier zo reageert - maar je komt wel met de consequenties te zitten: wel kijken maar aankomen niet. Het perspectief verspringt van de ellende in Samaria naar de situatie erbuiten. Vier melaatsen doen de ontdekking van hun leven. Uit de beschutting van de stadsmuur, waar ze evenveel honger lijden als in de stad, gaan ze - tegen de avond - op zoek naar eten. Of ze nu blijven zitten of overlopen naar de vijand, dat maakt niks uit. Ze komen bij het legerkamp en vinden alles verlaten. De ArameeŽrs zijn gevlucht, nadat de HERE ze bang gemaakt had. Er is eten in overvloed. En allerlei mooie spullen. Ze graaien van alles bij elkaar. Maar dan staan ze weer met beide benen op de grond en gaan het melden aan de poortwachter. De koning stuurt verkenners uit en stelt vast dat de kust veilig is. Dan trekt de hele stad uit en doet zich te goed aan wat er in het legerkamp ligt opgestapeld. Het leven wordt weer normaal. Alleen, de adjudant van Joram heeft het nakijken. Die doet niet mee aan het bevrijdingsfeest. Als IsraŽl nu maar leert van deze nood en deze redding. Als ze zich nu maar aan God overgeven. Aan Hem ligt het niet.

6 april: 2 Koningen 8:1-24
De HERE laat IsraŽl zeven jaar honger lijden. De Sunemitische en haar gezin hoeven dit lijden niet mee te maken. Op advies van Elisa wijken ze tijdelijk uit naar Filistea. Na terugkeer vraagt de vrouw de koning om haar te helpen haar huis en akker terug te krijgen (is haar man overleden?). Gechazi zit juist de koning te vertellen over 'de grote daden van Elisa'. Hij is net bezig met het verhaal over de opwekking van die jongen van de Sunemitische vrouw. Laten ze nu op datzelfde ogenblik levend en wel het paleis binnenkomen! De koning is enthousiast en helpt uitbundig. Ja, wat heet toeval? Hoe vaak ervaren wij niet de leiding van Gods Geest in ons leven? God heeft alle draden van ieders leven en werk in handen. Aan Zijn hand lopen wij veilig en zonder risico.
God straft ook. Maar dat doet Hij om Zijn volk tot inkeer te brengen. Hij schakelt daarbij zelfs vreemde volken en vreemde koningen in. Zo kan het gebeuren dat Elisa naar Damascus gaat om HazaŽl tot koning over Aram te zalven. Wat HazaŽl doet, kan absoluut niet door de beugel. De moord op Benhadad, de onderdrukking van IsraŽl, het is vreselijk. Toch is hij middel in Gods hand en kan hij niets doen tegen de wil van God. Tegen Gods verlossingsplan kan hij niets beginnen. HazaŽl is niet meer dan een stofje aan een weegschaal. Fffft, weg. Gods kinderen hebben toekomst: meeregeren met Christus over de nieuwe aarde.

H. Venema, Onnen

7 april: 2 Koningen 8:25-9:15
Zo op het oog had Achab veel goeds gedaan voor het land: rust in het land zelf en rust in de kwetsbare relatie met de zuiderburen Juda. De koningshuizen zijn verwant geraakt en trekken samen ten oorlog (8:25-29). Maar de rust die was gebracht, was oppervlakkig. Achab heeft het volk in godsdienstig opzicht geruÔneerd (9:7-10). De buitenkant zegt dus niet alles. Wees er maar op bedacht. Zo wordt het einde van Achabs koningshuis aangekondigd. Jehu zal het vonnis uitvoeren.

8 april: 2 Koningen 9:16-37
God vergeet niet waar Achab en zijn familie mee dachten weg te komen: moord op profeten, op Nabot, het volk de Bašls laten dienen. Hier wordt verteld hoe de meest prominente leden van Achabs familie aan hun einde komen. Ook het koningshuis van David heeft zich ingelaten met de wandaden van Achab en ontkomt dus niet aan straf. Izebel is met haar houding nu en eerder model komen te staan voor de grote hoer in Openb.19:2, het gepersonifieerde kwaad. Oog in oog met de dood buigt ze nog haar knieŽn niet. Wat kunnen mensen toch verblind zijn!

9 april: Psalm 81
De klacht van God in vers 14 weerspiegelt de stand van zaken in IsraŽl, bijvoorbeeld ten tijde van Achab. Jehu's optreden bracht misschien een korte opleving, maar als Hosea en Amos (een eeuw na Achab) profeet zijn, blijkt dat er niks veranderd is: nog steeds is er onwilligheid om God te dienen. Terwijl het zo mooi begonnen was: Ik redde u (vers 8). Ja, het had zo mooi kunnen zijn: het feest van het leven met God (vers 1). Wat verknoeien wij mensen toch vaak zelf veel!

10 april: 2 Koningen 10:1-17
Jehu pakt het grondig aan. De dood van meer dan honderd prinsen uit Achabs huis is volgens het mandaat van God. Maar waarom moesten ook Achabs ambtenaren en vertrouwelingen dood (10:11)? Jehu's 'ijver voor de Heer' (10:16) is dus maar gedeeltelijk echt voor de Heer. Jammer genoeg gebeurt het veel te vaak dat mensen wat schuin is goedpraten als zijnde 'ijver voor Gods zaak'. Ook Jehu komt hier niet mee weg, zie Hos.1:4.

11 april: 2 Koningen 10:18-35
Je kunt wel merken dat Jehu geen politicus, maar militair is. Hij pakt het strategisch aan. Aan de Bašlsdienst komt alleen een einde, als je de voorgangers aanpakt. God 'beloont' Jehu met een (beperkte) dynastie. Maar wat heeft Jehu dan zo goed gedaan in Gods ogen? Genoemd worden alleen: het vonnis over Achabs huis en de beŽindiging van de Bašls-dienst. Maar jammer genoeg - en zie je dat niet terug in je eigen leven en in de kerk - de vernieuwing gaat niet diep genoeg bij Jehu. De gouden kalveren in Bethel en Dan blijven staan.

12 april: 2 Koningen 11:1-20ļ
Ondertussen in Jeruzalem... Nu zie je pas goed, welke bedreiging het koningshuis van Achab vormde voor de belangen van God. Atalja, Achabs dochter, moordt alle prinsen uit het huis van David uit. Het voortbestaan van Davids koningshuis staat dus op het spel en hangt aan een zijden draadje en daarmee tegelijk de toekomst van Gods volk. Het zijden draadje heet: Joas. Gered door zijn tante. Op de troon geholpen door zijn oom. Gelukkig is er langs deze ene zoon van David toch nog een toekomst. In IsraŽl en Juda gaan de Bašls eruit. Maar hoe echt en blijvend is die vernieuwing?

13 april: 2 Koningen 12:1-22ļ
In dit hoofdstuk blijkt hoe klein en kwetsbaar het plantje van de geestelijke vernieuwing vaak is. Joas neemt wel initiatieven, maar is nog wel erg jong. Het duurt jaren voordat de tempel echt gerenoveerd wordt (12:6). De priesters vinden het niet erg dat God zich zolang maar moet behelpen met een bouwval (12:8). En als er geld komt, dan is het zuinigheid troef: geen zilver en goud (12:13). Hoe diep steekt dan de liefde voor God? En het vertrouwen op God? Kijk naar Joas: HazaŽl komt en wordt afgekocht (12:17-18). Is dat geloofsmoed?

14 april: 2 Koningen 13: 1-21
De zonen van Jehu zitten op de troon. En je ziet dat het onder hun (groot)vader ingezette herstel zich inderdaad niet doorzet. Het zat immers ook bij Jehu al niet zo diep. Over Bašl lees je niet, maar als een refrein keert wťl terug: 'hij week niet af van de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, IsraŽl had doen bedrijven' (13:2,11). De oude profeet Elisa wordt nog ťťn keer, voordat hij sterft, met het gebrek aan vertrouwen en daadkracht bij de koningen van IsraŽl geconfronteerd.

15 april: 2 Koningen 13:22-14:14
Lezend over Amasja ga je begrijpen waarom de profeet Amos (optredend tijdens de regering van zijn zoon Uzzia/Azarja) het huis van David 'een vervallen hut' noemt. Niet dat deze zoon van David alles verkeerd doet. Amasja doet wat recht is in Gods ogen. Maar: niet zoals zijn vader David (14:3). Hij is gehoorzaam aan bepalingen van Gods wet (14:6), maar het volk mag gewoon doorgaan met het offeren op de hoogten (14:4). En dan die naÔeve overmoed tegenover Joas: laten we ons met elkaar meten (14:8). Hoogmoed komt voor de val. Amasja heeft het aan den lijve ondervonden.

16 april: 2 Koningen 14:15-29
Een groot deel van het gedeelte van vandaag beschrijft de regeringsperiode van Jerobeam II. Onder deze Jerobeam brak voor het tienstammenrijk een periode aan van economische bloei en politieke rust (zie 14:28). Je zou verwachten dat dit breed uitgemeten zou worden. Maar de Bijbel legt andere maatstaven aan en plaatst de dingen van ons leven in een ander perspectief. Uit 14:27 kun je afleiden, dat wat God betreft de periode onder Jerobeam II een laatste, korte opleving is. De maat is vol en binnenkort zal het met het tienstammenrijk gedaan zijn.

17 april: Psalm 82
Deze psalm kan vragen oproepen. God in de vergadering der goden. Hoezo dat? God is toch de enige God! Hier moet gedacht worden aan de 'raadsvergadering van hemelingen' (Ps.89:8). Iets dergelijks kom je ook tegen in 1Kon.22:19-22 en Job 1:6-12. God staat op en klaagt hen aan. De 'goden' worden aangesproken als de machthebbers op aarde. Ze falen in hun taak: opkomen voor het recht en voor de armen en behoeftigen. Reken maar dat God ook zo de VN toespreekt en ter verantwoording roept: wat doen jullie om het recht te handhaven en de oorlogskinderen te verdedigen?!

18 april: Jona 1:1-16ļ
Een wonderlijk boekje en een wonder van een boekje. Dat we nu Jona lezen, komt omdat in 2 Kon.14:25 (zie 16 april) zijn naam is genoemd. De Jona van het boek is dezelfde als de profeet Jona ten tijde van Jerobeam II. Daarmee laten we mooi alle discussies over historiciteit en zo links liggen. De kracht van het boek Jona is er niet van afhankelijk. In Jona 1 lezen we hoe een profeet onder zijn opdracht probeert uit te komen. Tegenstribbelende profeten zijn er meer (Mozes, Jeremia), maar Jona pakt het wel erg grondig aan. Ook een beetje dom: 'ging ik wonen aan het uiterste der zee, ook daar zou uw hand mij geleiden, uw rechterhand mij vastgrijpen' (Ps.139:9-10). Dat zie je maar weer!

19 april: Jona 2:1-11ļ
Wie zingt er nou psalmen in de buik van een vis? Dat klinkt nogal ongeloofwaardig, zeggen velen. Vergis je niet. In de Bijbel gebeurt het vaak genoeg dat mensen psalmen zingen 'in de nacht' en 'uit diepten van ellende' (bv. Ps. 130). En wat dacht je van Paulus en Silas in de gevangenis van Filippi (Hand.16:25)? Geen afstand is te groot en geen afgrond is te diep voor God om reddend in te grijpen. Daarover zingt Jona vanuit de diepte. 'Wie is als de HERE, onze God, die zeer hoog woont, die zeer laag neerziet, in de hemel en op de aarde' (Ps.113:5-6)?

20 april: Jona 3
Over de missie van Jona hebben we het dan nog niet gehad. Jona moet Gods oordeel aanzeggen aan Ninevť. Ninevť was de hoofdstad van de AssyriŽrs, een uiterst roofzuchtig en moordzuchtig volk. Maar wie had ooit gedacht, dat dit volk met hun koning vooraan massaal - inclusief de dieren! - voor God op de knieŽn zouden gaan. Over opwekkingen gesproken! En God bewijst zich als de hoorder van het gebed, niet alleen voor IsraŽl, maar ook voor dit heidense volk. Hij ziet af van zijn oordeel. Wat een geweldige God! Hij luistert als je Hem vraagt om genade, ongeacht kleur, ras, en identiteit.

21 april: Jona 4
Jona kan het niet hebben. Ik wist het wel, zegt hij, u bent veel te goed voor deze wereld (4:2). Zo is het maar net. Gods hart is groter dan het onze. Maar Jona geeft zich niet meteen gewonnen. En vandaar die gevoelige en bijna humoristische les die hij krijgt van God. Jona maakt zich kwaad om een boom, waar hij zelf niks voor heeft gedaan. Mag God dan niet bewogen zijn met al die mensen - en alweer: en dieren! - die roepen om genade? Jo-na's hoofd ziet rood van de hitte en ik hoop ook van schaamte.

22 april: Psalm 83
Als je net Jona hebt gelezen, kun je je afvragen of Psalm 83 niet in tegenspraak is met Jona. Bij Jona is er genade voor Ninevť en in Psalm 83 klinkt de roep om wraak voor IsraŽls tegenstanders, waaronder Assur. Toch spreken ze elkaar niet tegen. Er is genade en ontferming van God, ook voor hen die buiten staan (Jona). Maar wie God niet zoeken en verharden in hun verzet tegen Hem, roepen het oordeel over zichzelf af (Ps.83). En bovendien: in Psalm 83 is het doel niet vernietiging, maar eer en erkenning van de Heer (83:19), oftewel of God zich wil bewijzen als Heerser op deze aarde.

J.M. Oldenhuis, Sauwerd

23 april: Amos 1 en 2
In vs. 1 staat, dat de profeet de woorden van dit boek gezien heeft. Dat wil niet zeggen, dat hij ze al van tevoren kon lezen. Amos was een ziener. Een ziener weet meer dan andere mensen. Omdat Gůd hem meer laat zien!
Als kind van God kijk je verder dan deze maatschappij en verder dan dit leven. Toch ben je niet wereldvreemd. Dat was Amos ook niet. Hij zag vooral, hoe kwaad God over allerlei zonden worden kan.

24 april: Amos 3
Stel dat je morgen een scherpe boetepreek hoort. Het zou je kwaad kunnen maken. 'Wij zijn toch kinderen van God! De dominee gaat echt te ver.'
De dominee is in de kerk niet de enige profeet. Maar hij is er wel ťťn. Soms haalt hij fel uit. Dan slaat hij alarm. En een gemeente van profeten en profetessen kan heel goed beoordelen of hij gelijk heeft.
Nu, zelfs een goede boetepreek is een geschenk.

25 april: Amos 4
In IsraŽl bracht men heel ijverig in de heilige plaatsen Betel en Gilgal de offers, die God had voorgeschreven. Daar hoorde ook het lofoffer bij. Nu legden de IsraŽlieten in hun ijver ook een aantal gezuurde koeken op het smeulende offervlees. Maar ze waren vergeten, dat God dŠt verboden had.
Alles waar te voor staat, is niet goed. Dat geldt ook van 'te vroom.'
Je kunt een heel lang en mooi gebed uitspreken, omdat je iets goed moet maken bij God. Maar de Here Jezus waarschuwt voor omhaal van woorden. Je wordt alleen verhoord, omdat je God houdt aan wat Hij heeft beloofd.

26 april: Amos 5
Amos kondigt IsraŽl's ondergang aan. Maar die ondergang doet de profeet zelf groot verdriet.
IsraŽl stelt hij voor als een jonge vrouw. Zo'n vrouw is het teken van kracht, schoonheid en toekomst. Maar aan die schoonheid komt een eind. De profeet ziet het vůůr zich en hij uit zijn verdriet in een luide klacht.
Gevoelens van boosheid en verdriet vermengen zich, als iemand van wie je houdt niet meer gelooft. Maar de Vader in de hemel hoort deze klacht, begrijpt het en geeft zelfs troost.

27 april: Amos 6
Het gemak waarmee sommige mensen oordelen over God, slaat om in bijgelovige angst, als die God wel degelijk iets blijkt te kunnen. Soms schrikt een kerkverlater van ernstige woorden, die hij op een begrafenis te horen krijgt.
De oom over wie Amos spreekt waarschuwt de enige overlevende in dat doodstille huis. 'Hou je koest, man. En noem vooral de naam van God niet. Straks ben jij zijn volgende slachtoffer.'
Dat bijgeloof klopt natuurlijk niet. Maar er is wel reden om bang te zijn, als je niet van God wilt houden.

28 april: Amos 7
Als Amos profeteert, hebben de IsraŽlieten geen spijt. Maar de profeet die hun het oordeel aanzegt, is tegelijk hun pleitbezorger. Amos ziet zijn eigen woorden in vervulling gaan. Dit wordt een nationale ramp! 'Here HERE, vergeef toch!' smeekt hij.
De grote pleiter is Christus. Vandaag komt Hij op voor mensen, waar geen advocaat weg mee zou weten. Hij pleit, ook al vragen wij daar niet altijd om.

29 april: Amos 8
Het lijkt wel een stilleven. Een mand met rijpe vruchten van het IsraŽlitische land. Vijgen, druiven, olijven en nog veel meer.
Maar de schijn bedriegt. Als er veel scheef zit in je leven, wordt je voorspoed tot een gestolen zegen. Materieel succes en uiterlijke godsdienstigheid zeggen niet alles.

30 april: Amos 9
Is er voor IsraŽl nog hoop? Amos wijst IsraŽl op Juda, waar het koningshuis van David regeert. God blijft bij wat Hij aan David heeft beloofd.
Vandaag is het Koninginnedag. Wij danken God voor koningin Beatrix, voor haar plichtsgetrouwheid en nauwgezetheid. Maar de beste Koning woont boven. Als je bij Hem het herstel zoekt van je zwakke bestaan, zul je een goed leven hebben. Tot in eeuwigheid!

T.S. Huttenga, studentenpredikant Groningen