Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-2, mei
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 mei: Jozua 8:24-35
Het eerste gevoel dat je bekruipt kan zijn: hoe kan de slachtpartij onder de inwoners van Ai samen gaan met het brengen van offers voor de Heer en het luisteren naar zijn heilzame geboden? De slachtpartij in Ai (en in de andere steden) blijft buitengewoon moeilijk te plaatsen. Misschien is het het beste om het daar dan ook maar gewoon bij te laten. Zonder het te willen oplossen of goedpraten, wil ik toch ťťn ding aanstippen. De verovering van Kanašn is geen speelse zaak, maar iets van buitengewone ernst. Het gaat echt om leven en dood. Hoe bewust zijn we ons daar nog van dat het bij God en in het geloof gaat om leven of dood?

2 mei: Jozua 9
Dit is een nogal wonderlijk verhaal. Spannend ook, met iets van humor en vindingrijkheid: hoe de Gibeonieten de IsraŽlieten in de luren leggen. Veelzeggend is het korte zinnetje in vers 14: zij vergaten de Heer om raad te vragen. Wat zou er zijn gebeurd, als ze het wťl hadden gedaan? Positief is dat de IsraŽlitische leiders willen stŠŠn voor wat ze beloofd hebben. Ze hadden kunnen zwichten voor de druk van het volk. Hoe vaak doen leiders dat niet? Maar ze willen zich houden aan het hen gegeven woord. Jozua schaart zich hierachter en komt met een aanvaardbare oplossing: houthakkers en waterputters zullen de Gibeonieten zijn.

3 mei: Jozua 10:1-27
Toen ik klein was, gold dit verhaal denk ik als een van mijn grote favorieten. Een heroÔsch verhaal over de coalitie van vijf koningen, die Gibeon aanvallen, maar door IsraŽl onder leiding van Jozua volledig verslagen worden. Toen ik een kind was, redeneerde ik als een kind. Andere dingen vallen mij nu evenzeer op. De Heer zegt: 'Ik zal u de overwinning geven'. De Here die hagelstenen laat vallen, waardoor er meer mannen gedood worden dan in de strijd. De zon en de maan die door God worden stilgezet. Dus, vers 14: De Heer streed voor de IsraŽlieten. Gods kracht beslist. Wat dat betreft, is er nog niks veranderd.

4 mei: Jozua 10:28-43
Indrukwekkend mag de veldtocht zeker heten. Grote gebieden van het land worden zo veroverd, omdat de God van IsraŽl strijdt voor de IsraŽlieten. Ere wie ere toekomt! Zo wordt het beloofde land in bezit genomen. Hiermee wil God zijn naam vestigen. Volken wil Hij onderwerpen en brengen onder zijn gezag. Hoe is dat vandaag? Zijn kerken en christenen nog 'wereldveroverend'? Ook wij trekken de wereld door achter onze Jozua aan, Jezus van Nazaret. Het gaat om hetzelfde: maak alle volken tot mijn discipelen. Maar de weg waarlangs is wel anders. Niet meer militant, in de weg van wapens, wťl in de weg van het kruis.

5 mei: Jozua 11
Het verslag van de verovering van het noorden wordt gedaan in Jozua 11. Alweer een coalitie die het moet afleggen. Zo gaat dat. Mensen zoeken bondjes, spannen samen, denken daarmee sterk te staan. Maar sterk sta je alleen met de God van IsraŽl naast je. Dan heb je bondjes niet meer nodig. Ervaart u, ervaar jij dat ook zo? Opvallend trouwens in die lijst van veroveringen: de Here had alle steden en hun bevolking - behalve die van Gibeon - koppig gemaakt. Verzet moet aan de dag komen om de overwinning te kunnen behalen. Maar nu is er vrede. Dank aan God!

6 mei: Jozua 12
Dit hoofdstuk laat zich lezen als een soort samenvatting. Alle koningen en steden die verslagen zijn worden op een rij gezet. De lijst is indrukwekkend. Koningen van naam en faam. Eenendertig in totaal. De Here doet wat Hij beloofd heeft: 'Ik zal u het land in bezit geven, niemand zal voor u standhouden' (Joz.1,3-5). Zo kun je, moet je het boek Jozua ook lezen. Niet alleen maar als een spannend verslag van een verovering. Daar doorheen en daaronder als een getuigenis, dat God 'geen van zijn woorden ter aarde laat vallen', maar ze alle ťťn voor ťťn waarmaakt. Laat dat ons maar veel mogen zeggen!

J.M. Oldenhuis, Sauwerd

7 mei: Jozua 13
Als Jozua oud geworden is, draagt de HERE hem op om het land aan de stammen van IsraŽl toe te wijzen. De HERE somt al de gebieden op die nog niet veroverd zijn. Van de Kanašnietische bevolking die daar nog leeft, zegt de HERE: "Ik zal hen verdrijven voor de IsraŽlieten". D.w.z.: Jozua, laat de verovering van die gebieden maar aan Mij over. Als mijn volk zijn roeping verstaat, elke stam in zijn eigen gebied, zal Ik hun strijd zegenen zoals Ik uw strijd gezegend heb. Hier wordt geloof van Jozua gevraagd!
In het overzicht van de gebieden in het Overjordaanse die al eerder door Mozes aan Ruben, Gad en de halve stam Manasse waren toegewezen, valt op dat in de verzen 14 en 33 gewezen wordt op de bijzondere positie van de stam van Levi. Heeft dit ons vandaag nog iets te zeggen over de plaats van de predikanten in de kerken en hun honorering? Zie ook 1 Kor. 9: 13 en 14.

8 mei: Jozua 14
Het land Kanašn wordt door het lot verdeeld. Praktisch gezien de beste oplossing. Het voorkomt het gebruik van verkeerde methoden om de beste plaats te krijgen: ellebogenwerk of vriendjespolitiek. Ook principieel gezien is dit de beste werkwijze. Want het lot maakt hier Gods persoonlijke beschikking zichtbaar. Hij geeft ieder het zijne. Geen toeval, maar wijsheid van God.
Ieder deelt dus in hetzelfde verbond, maar leeft daarbinnen op z'n eigen grond. Wel in ťťn land, maar op een verschillende plek. Dat blijft in de kerk altijd zo. Ook vandaag is er in de kerk verscheidenheid. Niet ieder kan op dezelfde stoel zitten en we kunnen niet allemaal vooraan staan. Je bent allemaal gelijk als kinderen van God, maar ieder heeft gelukkig wel z'n eigen plek. Ook daar zit God achter, minder direct dan via loting, maar toch heel persoonlijk.
De HERE had Kaleb indertijd beloofd dat hij het stuk land dat hij gezien had, als erfdeel zou krijgen. Dat is nu 45 jaar geleden. Deze belofte wordt nu vervuld. Kaleb weet dat hij in dit gebied nog strijd zal moeten leveren. Maar zijn hoop is op God. En hoop op de HERE wordt nooit beschaamd!
Zijn Gods beloften voor u interessant of uw toeverlaat?

9 mei: Jozua 15:1- 20
De stam van Juda komt het eerst aan de beurt. Dat ligt ook voor de hand. Aan Juda waren bijzondere beloften gegeven: het Davidische koningschap en Davids grote Zoon (Gen. 49: 8ev.). Heel nauwkeurig worden Juda's grenzen beschreven. Als deze stam naar z'n gebied getrokken is onder leiding van Kaleb, verdrijft deze de Enakieten uit het hem toegewezen Hebron. Maar er is nog een stad waar de Enakieten zich ophouden: Debir. OtniŽl verovert de stad. Kaleb komt zijn belofte na en geeft hem zijn dochter Aksa tot vrouw. Zij blijkt een vrouw met een gezond zakelijk inzicht. Als het veroverde gebied dor en droog blijkt te zijn, spoort zij haar man aan haar vader om wat vruchtbaar land erbij te vragen. Als OtniŽl aarzelt, doet ze het zelf. Kaleb geeft wat zij vraagt en is daarbij allerminst karig!

10 mei: Jozua 15:21-16:10
Ook Ekron, Asdod en Gaza blijken tot het erfdeel van Juda te behoren (vs. 45 - 47). Dit is het gebied dat wij vandaag kennen als de 'Gazastrook', die onder bestuur staat van de Palestijnen. In de bijbelse tijd was dat ook al een apart gebied. In die streek woonden de Filistijnen. God deelde ook landstreken toe die nog niet waren veroverd. Daar moest dus om gevochten worden. Maar Juda heeft nagelaten om het metterdaad in bezit te nemen.
Door die traagheid en gemakzucht van Gods volk kon daarom later ook Filistea in Psalm 87 genoemd worden. Dat was een verrassende wending in het lot van dit volk: ook van de Filistijnen mochten er later Sionskinderen heten. Na Pinksteren is dat ook gebleken. En vandaag wonen er Palestijnse christenen in de Gazastrook. Door het ongeloof van IsraŽl is het heil ook tot deze heidenen gekomen, om met Paulus te spreken. Ook wij mogen in dat heil van God delen. MaarÖ wat God toezegt, moeten wij ons ook eigen maken. Dat kan alleen via de Geest.
In hoofdstuk 16 en 17 wordt het erfdeel van de stammen van Jozef (EfraÔm en Manasse) beschreven. Dit waren de grootste stammen. Zij zouden ook in de toekomst steeds voorop gaan.

11 mei: Jozua 17
Vers 2ev.: Bij de toewijzing van het erfdeel van Manasse worden zes mannelijke nakomelingen genoemd. Een van hen, Chefer, blijkt geen mannelijke nakomelingen te hebben. Zijn zoon Selofchad had uitsluitend dochters. Het 'geslacht' Chefer bestaat daardoor uit vijf ongehuwde vrouwen. Zij komen met het verzoek om het erfdeel te mogen ontvangen dat hun door de HERE beloofd was (Num. 27: 1 - 7). Zij zouden het deel van hun vader krijgen. Aan het verzoek wordt voldaan.
Vers 14ev.: De kinderen van Jozef (EfraÔm en Manasse) komen bij Jozua met de klacht dat hun gebied te klein is, want zij zijn met zeer velen. In feite is dit een aanklacht tegen de HERE, die hen een groter gebied had toegewezen dan ťťn van hen ooit alleen zou hebben gekregen. Jozua doorziet hun redenering en vangt hen op hun eigen woorden (vs. 15). Hun antwoord getuigt van gemakzucht en ongeloof. Maar Jozua gaat hiervoor niet opzij. Zijn besluit komt hierop neer: goed, u krijgt meer dan ťťn stuk land. Bij wat u als erfdeel al is toegewezen, krijgt u het bergland met zijn uitlopers er nog bij. U bent met zeer velen en dus sterk genoeg om het tot een bewoonbaar gebied te maken. En ook al zijn de Kanašnieten met hun ijzeren strijdwagens machtig, u zult hen overwinnen. Als u maar - zo wordt stilzwijgend verondersteld - vertrouwt op de HERE en zijn kracht. Hoe gelovig en gehoorzaam toont Jozua zich hier!

12 mei: Jozua 18
De tabernakel wordt opgericht te Silo. Bij het heiligdom vindt de verdeling van het land onder de overige zeven stammen plaats. Zeven stammen, want de stam van Levi krijgt geen speciaal gebied. Zij hebben het voorrecht de HERE als priester te dienen. Een commissie van 21 wordt benoemd om het overige land in kaart te brengen en in delen te splitsen. Lang genoeg had men getalmd met het in bezit nemen van het land van de belofte. Nu moet eindelijk die belofte eens gegrepen worden. Je merkt hier de aarzeling bij de stammen. Is dit de voorbode van latere afval?
Als de commissie met haar werk klaar is, verloot Jozua de verschillende gebieden voor het aangezicht van de HERE, bij het heiligdom te Silo. Het eerste lot valt op de stam Benjamin. Het krijgt een betrekkelijk klein gebied toegewezen tussen Juda en EfraÔm.

13 mei: Jozua 19:1-39
De beschrijving van Simeons erfdeel wordt begonnen en beŽindigd met een verrassend gegeven: Simeon krijgt een aantal steden toegewezen die op het grondgebied van Juda liggen. Kennelijk heeft men in overleg met Jozua besloten om het nog niet veroverde gebeid in zes delen te verdelen en daaraan dan een stuk van Juda als zevende deel toe te voegen.
Tegelijk gaat hiermee een profetie in vervulling die Jakob op zijn sterfbed over Simeon sprak (Gen. 49: 7): de HERE zou Simeon verspreiden onder IsraŽl als straf voor zijn wreedheid tegenover de Sichemieten (Gen. 34).
Verder wordt aan Zebulon, Issakar, Aser en Naftali hun erfdeel toegewezen.

14 mei: Jozua 19:40-20:9
Door het zevende en laatste lot wordt aan Dan toegewezen het stuk land dat ligt ingeklemd tussen Juda, Benjamin en EfraÔm: voor een deel heuvelland, voor een deel vruchtbare vallei.
Op bevel van de HERE krijgt Jozua een eigen erfdeel, een stad naar eigen keus: Timnat-Serach. Voor de rest van zijn leven is Jozua hier blijven wonen.
De HERE laat zes 'vrijsteden' aanwijzen. In geval van dood door schuld kon je naar zo'n asielstad vluchten. Er volgde wel een proces, maar daar werd de aansprakelijkheid nauwkeurig gewogen. Je hoefde niet meer bang te zijn voor de familie die het bloed van de gestorvene probeerde te wreken.
De HERE wil respect en ruimte voor de noodzakelijke rechtsgang. Geen vergeldingsdrang maar een leefbaar en vredig samenleven!

15 mei: Jozua 21
De stam van Levi zou 48 steden krijgen, waaronder zes vrijsteden. De aanwijzing van deze vrijsteden werd in het vorige hoofdstuk beschreven. Nu is de aanwijzing van de andere 42 priester - of Levietensteden aan de orde.
Plechtig sluit de kroniek af: "Zo heeft de HERE aan IsraŽl het gehele land gegeven, dat Hij gezworen had hun vaderen te zullen gevenÖNiet een van alle goede beloften, die de HERE aan het huis van IsraŽl had toegezegd, is onvervuld gebleven; alles is uitgekomen" (vs. 43, 45).
Toen Abraham, de stamvader van het volk IsraŽl, wegtrok uit zijn geboorteland, Ur der ChaldeeŽn, deed hij dat op grond van wat God gezegd had. Hij zou de vader van een groot volk worden. De HERE beloofde hem daarbij een land waarin dat volk zou kunnen leven.
Als Jozua na de verovering het land heeft verdeeld onder de stammen van IsraŽl, is die belofte van God vervuld. De HERE maakt waar wat Hij gezegd heeft! Dat gold toen, het geldt ook nu.

16 mei: Psalm 50:1-15
Toen het volk IsraŽl na 40 jaar zwerven door de woestijn op het punt stond om de Jordaan over te trekken, gaf Mozes aan hoe het de Here in het beloofde land zou dienen. Het mocht volstrekt niet op de manier van de Bašlsdienst. De Bašlsgelovigen zagen hun goden als rekenmeesters met een nauwkeurige boekhouding, aan wie je flink moest betalen. Op die manier had je recht op geluk. De Here vraagt niet om zo'n betaling. Hij wil deze slavernij niet. Psalm 50 biedt ons een kijkje in de kerk van later. De afval is toch gekomen. Aan het brengen van offers geen gebrek. Het geloof van de IsraŽlieten is rekenen geworden. Zij denken dat ze er de Here mee kunnen betalen. Wat de Here mist is: een hart dat Hem liefheeft en een mond die Hem lof brengt.
Het wordt koud in de kerk als voor ons het dienen van God niet meer inhoudt dan het voldoen aan een aantal plichten. De Here blijkt van lofoffers te houden. Wat is dat prachtig, dat wij de Here mogen loven. De HERE zegt zelfs dat de lofzangen van zijn kinderen voor Hem een troon zijn!

17 mei: Psalm 50:16-23
Niet alleen de verbondsbreuk, maar ook de huichelachtigheid van velen van zijn volk is Hij zat. Ze blijven maar doen alsof er niets aan de hand is!
Blijft het volk van God, blijven u en ik, ook nu niet vaak doen of er niets aan de hand is? In plaats van ons te bekeren? Hoe graag gaan we niet důůr met het afkopen van onze schuld: onze God slechts uiterlijk te gehoorzamen door bijvoorbeeld maar geld te storten op diverse giro- of bankrekeningen, terwijl we het niet doen vanuit ons hart! Alsof de HERE niet dwars door zulke namaakoffers heen kijkt!
De offers van ons hart, dŠŠr komt het op aan! De voortdurende dank die we de HERE brengen in woord en daad, dŠŠr ziet Hij dagelijks naar uit, ook vandaag weer. Laten we Hem niet vergeten, maar veel bedanken voor wat Hij ons geeft door zijn verbond met ons in onze Heer Jezus Christus.

18 mei: Jozua 22:1-20
De stammen Ruben, Gad en de helft van de stam Manasse hadden bij de verdeling van het land op eigen verzoek een gebied ten oosten van de Jordaan toegewezen gekregen (het huidige JordaniŽ). Mozes was hiermee akkoord gegaan met Gods instemming. Wel moesten de mannen van deze stammen eerst hun broeders van de overige stammen gaan helpen in de strijd. Daarna mogen zij terugkeren naar hun gebied.
Als zij terugkeren richten ze vlak bij de Jordaan een altaar van geweldige afmetingen op. Als de andere stammen daarvan horen, denken ze dat deze twee en een halve stam een eigen, afgescheiden eredienst willen inrichten. Verbreken ze daarmee niet de geestelijk eenheid van heel IsraŽl? Dit wordt als een zo grote bedreiging gezien dat ze op het oorlogspad gaan tegen hun eigen broeders. Er dreigt dus een burgeroorlog te ontstaan. Of is hier sprake van een misverstand?

19 mei: Jozua 22:21-34
Gelukkig, het is een misverstand! Het altaar is alleen maar bedoeld als een kopie van Gods altaar, als een herinnering, en zeker niet als een vervanging. De bedoeling is juist om door deze blijvende herinnering de eenheid met de andere stammen vast te houden. Het conflict wordt bezworen en het contact wordt hersteld en verdiept. Hoe gemakkelijk had inderdaad de Jordaan een buitengrens kunnen worden, water dat scheiding brengt. Maar dat was niet Gods wil. Dat blijkt ook later in Psalm 60, als David zingt over oost en west als Gods domein, waar zijn volk gevestigd mag zijn.
In Nederland heb je ook wel eens het idee dat het westen het centrum is en het oosten een achterhoek. In de kerk kun je onwillekeurig ook in die termen gaan denken. Maar dat is vandaag nog kwalijker dan in Jozua 22. Want het kerkcentrum is nu niet meer op aarde, maar in de hemel. De wereld heeft geen uithoeken waar je verder van God afstaat dan in de beschaafde wereld.

20 mei: Jozua 23
Jozua waarschuwt IsraŽl voor verkeerde beÔnvloeding. Want het staat als Gods volk nog in de kinderschoenen. Jozua bindt het hen in zijn afscheidspreek nog een keer op het hart. Alle soort van omgang met heidenen in hun omgeving wordt ten strengste verboden. Zeker een gemengd huwelijk is in Gods ogen gruwelijk. Die aanpassing zou voor hen een valkuil zijn.
Later is het helaas inderdaad zo gegaan. In de Rechterstijd begon het al. Men deed precies wat God had verboden. Met alle ellende van dien. Dat moet ůns evengoed wat te zeggen hebben. Want wat God taboe verklaart, heeft ook voor ons juist vaak grote aantrekkingskracht. In de wereld, maar niet van de wereld. Dat is boeiend, maar ook bedreigend. Alleen dichtbij God blijft het gevaar op afstand.

21 mei: Jozua 24
In het verbond is het alles of niets. Daarom moeten de afgoden de deur uit. IsraŽl belooft dat ook te doen. Door het jawoord wordt het verbond van hun kant vernieuwd. Van Gods kant was dat niet nodig. Hij had juist een opsomming gegeven van wat Hij sinds Abraham tot nu toe als hun God had gedaan. Daar mocht wel een 'update' van IsraŽls verbondsafspraken tegenover staan. 'Tot uw dienst', zeggen ze dan ook gelukkig naar het voorbeeld van Jozua zelf. We proberen het niet alleen, we beloven het hierbij opnieuw. Een markant moment als het dagelijks leven in het beloofde land gaat beginnen. Juist zo'n keus geeft het leven richting en koers. God is heel blij als we zover komen, bij de openbare belijdenis en op zoveel andere momenten. Je mag er ook van uitgaan dat Hij die keus zegent.
Het boek Jozua eindigt met drie graven: van Jozua, van Jozef en van de hogepriester Eleazar. Mensenlevens breken af. Hun invloed werkt nog een tijd na, maar ook daaraan komt een eind. Zorg ervoor dat u de HERE blijft liefhebben!
Hoe alleen kunt u het waarmaken dat u met uw hele hart God dient? (Vgl. Joh.15: 5)

J.M.A. Groeneveld, Bedum

22 mei: Rechters 1:1-21
Ik wil de komende dagen de bijbellezingen eens vragenderwijs benaderen. Daarbij kan een mens zich erin trainen echt bewust te lezen of te luisteren. Het verdient wellicht voorkeur om eerst de vragen te lezen en daarna het bijbelgedeelte. Daarbij zou een naslagboek als Tekst voor Tekst (Boekencentrum) heel goede hulpdienst kunnen verrichten (het is een ťťndelig kort en meestal betrouwbaar commentaar op heel de bijbel, eigenlijk een must in elk christelijk huis(gezin), en zo kort en bondig dat je er juist bij bijvoorbeeld de bijbellezing aan tafel met elkaar naar grijpt). Het verdient de voorkeur om het samen-bijbellezen (bijv. na de maaltijd aan tafel) interactiever te maken onder elkaar, omdat je dan met elkaar gaat opletten om samen naderhand nog eens even bepaalde dingen uit de bijbellezing te overdenken (dat hoeft helemaal niet heel lang te duren, niet het vele is goed maar het goede is veel).
Nu dan Rechters 1:1-21: Hoe kom je klaar met telkens weer die bloedige berichten (soms helemaal uitgemeten: zie vers 6 bijvoorbeeld!) over uitroeiÔng van de Kanašnieten, de oorspronkelijke bewoners van het land? Welke functie heeft vers 21?

23 mei: Rechters 1:22-2:5
Vanaf vers 27 komen er juist berichten van overwinningen die niet behaald zijn. Wat is de functie daarvan? Kondigt dat de moeiten waarover het boek Rechters gaat handelen al aan? Kun je zoiets voor vandaag nog toepassen (zeg niet te snel nee)?...

24 mei: Rechters 2:6-3:6
Hoe is het mogelijk: in het tijdsbestek van twee generaties (of ťťn?) spoelt het bewust met God leven en wat Hij ooit voor hen deed helemaal weg. Kun je dit naar vandaag toepassen? Zie je bij ons ook zulke signalen? Kun je zeggen: zodra bijvoorbeeld de kerkdiensten niet meer trouw bezocht worden, is binnen een enkele generatie een heel deel van het levende geloof weg? Of ligt het zo radicaal niet?

25 mei: Rechters 3:7-31
Na OtniŽl heeft het land 40 jaar rust, daarna komt de oppervlakkigheid weer opzetten: speelt ook nu de generatiekwestie weer? Nemen wij als ouders en kinderen tijd om echt samen, over en weer, met elkaar met het geloof bezig te zijn? Hoe zou dat indien nodig te verbeteren zijn? Is uitstel daarvan afstel?

26 mei: Rechters 4
Debora neemt als vrouw de leiding: mag dat wel? Hoe verhoudt zich dat met Paulusīvoorschrift, dat vrouwen aan mannen ondergeschikt moeten zijn, omdat mannen het hoofd zijn (lees bijvoorbeeld 1 Tim.2)?

27 mei: Rechters 5:1-18
De stam Ruben vond het blijkbaar niet zo nodig om heel actief mee te doen aan het bestrijden van Jabin en Sisera (vers 16). Kun je je indenken, wat er bedoeld wordt met die 'overleggingen' die de Rubenieten daarbij erop nahielden? Blijkbaar gaat het in het leven altijd om afwegingen, om ergens voor of tegen kiezen, om ergens je energie aan te besteden of niet enzovoort. Kun je wat concrete voorbeelden voor je eigen leven bedenken, waarbij 'overleggingen' een rol spelen?

28 mei: Rechters 5:19-31
Wordt de heldenrol van JaŽl niet al te wraaklustig bejubeld? Mag je de vijanden van God wel zo de dood in wensen?

29 mei: Psalm 51:1-11
Vers 7: is het nu zo, dat David hier wegkruipt achter het feit dat hij in (erf)zonde ontvangen en geboren is? Wat had David allemaal gedaan om Batseba te veroveren? Betekent dat ook, dat David dus best een hele periode gehad moet hebben, waarin hij nauwelijks een echte levende geloofsband naar God erop nahield?

30 mei: Psalm 51:12-21
Probeer eens na te gaan welke verschillende stappen David allemaal doormaakt in zijn schuldbelijdenis naar God toe.

31 mei: Rechters 6:1-24
Is dat eigenlijk een teken van ongeloof, dat Gideon een teken vraagt, dat het echt de HERE is die met hem spreekt? Mogen wij vandaag ook nog tekenen vragen?

M.A. Dronkers, Helpman