Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-2, juli
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 juli: 2 TimoteŁs 1
Echt geloof, is dat eigenlijk wel mogelijk? Vandaag wordt ons geloof regelmatig onder druk gezet. Er gebeurt zoveel en er zijn zoveel vragen.
De apostel Paulus zit gevangen. Vanuit zijn gevangenis schrijft hij een brief aan TimoteŁs in Efeze. Hij weet, dat het geloof van zijn leerling onder druk staat. Het is ook niet niks, als die bewonderde leraar van je gevangen zit. Toch twijfelt Paulus niet aan TimoteŁs' geloof. Hij kent hem als een oprecht kind van God. Trouwens ook zijn moeder en grootmoeder waren echte gelovigen.
Van belang is niet, dat je op alle vragen een antwoord krijgt. Van belang is wel, dat je het geloof kunt zien leven in concrete personen die je regelmatig ontmoet.

2 juli: 2 TimoteŁs 2
Is dat niet een beetje te gemakkelijk? Ook al zijn wij ontrouw, God blijft trouw. Werkt dat niet in de hand, dat wij doen wat wij willen? God laat ons immers toch nooit los.
Als je misbruik maakt van de goedheid van God, dan ga je met zo'n uitspraak aan de haal. Maar als je van Hem houdt, en je zet je voor Hem in, vind je in zo'n tekst een geweldige steun.

3 juli: 2 TimoteŁs 3
In Efeze waren dwaalleraars actief. TimoteŁs had het er maar moeilijk mee Paulus maant hem tot nuchterheid. 'Blijf jij bij wat je geleerd hebt en met overtuiging hebt aangenomen.' Hij wijst hem ook op het nut van de Schrift.
Dwaalleraars komen wij niet of nauwelijks tegen. Wij leven in een beschermd klimaat.
Vragen zijn er wel. Die kunnen ons zelfs bang maken. Maar als je de bijbel leest, kom je een heel eind. Wel goed lezen, dus niet haastig, om maar gauw een antwoord te hebben.

4 juli: 2 TimoteŁs 4
Al die groeten: het lijkt zo menselijk. En als iets te menselijk op ons overkomt, denken wij al gauw aan concurrentie met het goddelijke. Maar waarom eigenlijk?
Ze staan gewoon naast elkaar: TimoteŁs, Paulus' beste vriend, God, die te prijzen is tot in eeuwigheid, Prisca, Aquila, Erastus, Claudia, TimoteŁs nog een keer, God nog een keer.
Zo moet het ook. Als mens heb je met God, maar ook met mensen te maken. En ieder blijft zichzelf. De mens blijft mens en God blijft God.

T.S. Huttenga, Groningen-West

5 juli: 1 Petrus 1
Vanuit Babylon (5:13) schrijft Petrus aan de christenen in Klein-AziŽ. Hij begint ermee God te prijzen omdat Hij een pracht-erfenis voor ons bestemd heeft: de 'zaligheid', de redding die bij Christus' terugkeer een feit zal zijn. Daarom kan ons geloof in Christus samengaan met onuitsprekelijke vreugde: niet het verdriet over allerlei ellende heeft het laatste woord in de geschiedenis, maar Christus en de redding die Hij brengt. De profeten van het O.T. hebben daarvan al iets aangevoeld, ook al begrepen ze de reikwijdte van hun aankondigingen vaak niet. Om deze grootse toekomst hebben we alle reden om ons heilig te gedragen, als mensen die horen bij Christus en die door Hem voor een hoge prijs gekocht zijn. Dat betekent concreet: liefde voor elkaar. Het onvergankelijke zaad, Gods Woord, moet zo in ons leven tot bloei komen.

6 juli: 1 Petrus 2
Als christen hebben we niet alleen een eigen kŪjk op de dingen; als het goed is houden we er ook een heel eigen gedrŠg op na: het moet te mťrken zijn dat we bij Christus horen. Daarom spoort Petrus ons aan dat we ons als levende stenen voegen in het bouwwerk waarvan Christus de hoeksteen is. Tegelijk waarschuwt hij ervoor dat Christus voor ongelovigen fungeert als de steen waarover zij struikelen. Maar gelovigen hebben recht op unieke titels: ze zijn een koninklijk priesterschap, een heilige natie - woorden ontleend aan Ex.19:6. Maar adeldom verplicht: ons gedrag moet bij onze titels passen en zo een wervend effect hebben op onze omgeving. Daarbij hoort dat we voor ons christelijk gedrag desnoods lijden over hebben; we zijn immers volgelingen van Christus, en Hij had letterlijk alles over om zijn Vader trouw te blijven.

7 juli: 1 Petrus 3
Ook in het huwelijk moet het te merken zijn dat christenen zich door hun geloof laten leiden. Zo spoort Petrus vrouwen aan hun man niet te behagen door een modepop te zijn maar door hun christelijke instelling. Omgekeerd moeten mannen zich bewust zijn van de kwetsbaarheid ťn de waarde van hun vrouw. Vrouw-onvriendelijkheid heeft een blokkerende invloed op je leven met God. En dan verbreedt Petrus zijn aansporingen weer: heb onderlinge liefde, kom voor je band met Christus uit, accepteer eventuele moeiten als gevolg van je christen-zijn - zoals ook Christus zijn lijden aanvaard heeft.
Daaraan verbindt Petrus een passage over Christus' prediking aan 'de geesten in de gevangenis' (vs.19-20). Die uitdrukking wordt verschillend uitgelegd:
- Overleden gelovigen uit o.a. Noachs tijd die opgesloten zaten in het voorportaal van de hel. Volgens rooms-katholieken zou Christus na zijn sterven hun de boodschap van de bevrijding hebben gebracht.
- Heidenen uit die tijd, die immers gevangen zaten in de duisternis van het ongeloof. Dan slaan deze verzen op Christus' prediking via de apostelen. In Noachs tijd hadden de heidenen geen gehoor gegeven aan Noachs prediking, maar Christus ' prediking via de apostelen had gelukkig wel effect.
- Afvallige engelen die bijv. in Noachs tijd destructief bezig zijn geweest en voorlopig al opgesloten waren (verg. 2 Petr.2:4-5). Dan kun je deze verzen zo lezen dat Christus' gang naar de hemel deze gevangen engelen duidelijk maakte dat Hij Heer is van alles en iedereen.
Hoe je het ook uitlegt, er is duidelijk alleen redding bij de levende Christus met zijn woord.

8 juli: 1 Petrus 4
Christus' lijden moet ons aansporen zelfs het geschamper van niet-christenen ervoor over te hebben om te vechten tegen de zonde en gericht te zijn op wat God wil. En mochten we om ons christen-zijn moeiten ondervinden, dan moeten we daar niet verbaasd of geschrokken van opkijken: eigenlijk is dat te verwachten, alleen al als je bedenkt hoe Christus zelf ontvangen is. In zekere zin is het dan ook een vůůrrecht dat we om onze band met Christus lijden, zoals Hij dat ook heeft ondervonden. Laten we ons daarbij toevertrouwen aan God, want als onze Schepper en Vader helpt Hij ons door het lijden heen.

9 juli: 1 Petrus 5
Petrus begint hier met een tekst die aangehaald wordt in het bevestigingsformulier voor ambtsdragers, met als kern: 'Wees goede onderherders van de hoofd-herder Christus!' Daarna spoort Petrus de gelovigen aan nederig te zijn. Daarmee bedoelt hij niet dat we onszelf de grond moeten instampen. We moeten onze plaats beseffen tegenover de heilige en almachtige God. Parmantigheid als zouden wijzelf god zijn, is belachelijk; we moeten, juist omgekeerd, ons realiseren dat we schuldig en nietig zijn. Ook moeten we ons in zijn bestuur van ons leven schikken. Dat gaat samen met geborgenheid, want dezelfde God die boven ons uit torent, zorgt voor ons in onze moeiten. Dat kan moed geven, ook als we pijnlijk ondervinden hoe de duivel z'n uiterste best doet mensen onderuit te halen. Maar God zij dank is het einde overwinning, volmaaktheid. Wie bij Christus hoort, kent daarom vrede.

10 juli: Psalm 56
Het opschrift verwijst naar 1 Sam.21:10-15: David is voor Saul gevlucht naar de filistijnse koning van Gat. Als daar zijn overwinning op Goliat wordt opgehaald, wordt David zo bang dat hij zich als een gek aanstelt, met als resultaat: hij wordt vrijgelaten. In deze psalm maakt David duidelijk dat dit ťťn kant is van zijn verhaal. Gůd is er ook nog, en die heeft beloofd dat David koning zou worden. Met al z'n angst klampt hij zich daaraan vast (vs.5,12), want hij vertrouwt erop dat God zijn belofte waarmaakt. Gods betrokkenheid bij zijn kinderen gaat immers zover dat Hij hun verdriet nauwkeurig bijhoudt (vs.9). Hij is mťt ons, zoals ook Christus beloofd heeft: 'Ik ben met jullie, tot aan de voleinding van de wereld' (Mat.28:20). En dat betekent: eens komt er een keer in onze moeiten, soms hier al (zoals in Davids geval), soms pas hierna. In dat opzicht hebben wij iets onaantastbaars: er kan van alles met ons gebeuren, we kunnen zelfs het leven erbij inschieten, maar dwars door alles heen komen we uiteindelijk heelhuids aan op onze bestemming: het leven in Gods nabijheid met licht en geluk als ons deel.

11 juli: 2 Petrus 1
Blijkens 3:1-2 is dit een vervolg op 1 Petrus. Dus is ook deze brief oorspronkelijk vanuit Babylon geschreven aan christenen in Klein-AziŽ. Petrus maakt zich zorgen: er lopen zoveel dwaalleraars rond, dat de christenen daardoor het goede spoor bijster zouden kunnen raken. Dat wil hij tegengaan. Hij herinnert allereerst eraan hoe bevoorrecht we zijn door ons geloof in Christus. Naar Gods belofte krijgen we deel aan de goddelijke natuur (vs.4). Met deze opmerkelijke uitspraak bedoelt Petrus dat we het eeuwige leven krijgen. Gezien die toekomst moeten we hier en nu al vruchten laten zien van ons geloof. Dat geloof heeft overigens een stevig fundament, aldus Petrus: met twee andere apostelen is hij er getuige van geweest dat God op een berg Jezus als de Christus heeft aangewezen. Trouwens ook de oudtestamentische boodschap is niet door mensen uit de duim gezogen: ze hebben gesproken namens God en zijn gedreven door zijn Geest. Daarom is heel de Bijbel een lamp die het duister verdrijft.

12 juli: 2 Petrus 2
Ondanks de stevig gefundeerde boodschap van het evangelie (zie hoofdstuk 1) zijn er de eeuwen door dwaalleraars geweest. Ook in Petrus' tijd laten zij van zich horen. En zoals altijd zijn ook in hun geval leer en leven met elkaar vervlochten: ze doen afbreuk aan de leer over Christus, maar tegelijk kiezen ze voor een leven dat spot met Gods geboden. Tegenwoordig zijn we heel terughoudend in onze veroordeling daarvan. Maar Petrus gebruikt sterke typeringen: redeloze wezens (vs.12), schandvlekken (vs.13), bronnen zonder water (vs.17), slaven van het verderf (vs.19), die zich met allerlei ranzigheid bezighouden. Al zappend op tv komen we daar zo vaak mee in aanraking, dat we de verontwaardiging daarover misschien wat kwijtraken. Maar Petrus waarschuwt: zoals in de loop van de geschiedenis goddelozen telkens gestraft zijn, zo zullen ook de goddelozen van nu tenslotte niet vrijuit gaan.

13 juli: 2 Petrus 3
God neemt de afwijzing van Christus hoog op? Goddeloze ranzigheid wordt eens afgestraft? Juist die boodschap vond in Petrus' tijd en vindt in onze tijd geen gehoor meer: 'Kom nou, de geschiedenis gaat onafgebroken door. We kunnen doen en laten wat we willen! Volgens jullie komt Christus terug om te oordelen? Dat zeggen jullie al 2000 jaar.' Wacht even, zegt Petrus: in Noachs tijd dachten de mensen ook dat het wel zou loslopen. Maar toen kwam dan toch de zondvloed. Zo is nu het wachten op de grote eindbrand. Inderdaad wachten we al 2000 jaar, maar wat is 1000 jaar voor God?! Dus vergis je niet: die eindafrekening komt. Dat God die nog heeft opgeschort, is alleen omdat Hij ons nog de kans wil geven tot inkeer te komen. Want God ziet het liefste dat mensen zich aan Hem gewonnen geven. Maar op een gegeven moment is die eindbrand er. Daarop moeten wij ons hier en nu voorbereiden door gericht op God te leven; dan zullen we straks de nieuwe wereld persoonlijk meemaken. Er staat dus veel op het spel. Daarom moeten we ons niet van de wijs laten brengen door dwaalgeesten.

14 juli: Ruth 1
Dit boek speelt zich af in de tijd van de richters. 'In die dagen was er geen koning in IsraŽl; ieder deed wat goed was in zijn ogen' (Richt.17:6; 21:25). In diezelfde tijd was God ermee bezig om een einde te maken aan die wanorde. Het boek Ruth eindigt immers met een geslachtslijst: Boaz (de man van Ruth) - Obed - IsaÔ - David! Maar de mensen uit die tijd merkten niks van Gods inzet. Integendeel, het boek begint met weinig voorbeeldige gelovigen: Elimelech en NoŲmi. Ze vluchtten weg van een hongersnood naar het heidense Moab (zie daarover: Deut.23:3-8). Ze lieten hun beide zoons met Moabitische meisjes trouwen (hiertegenover: Deut.7:3). Het einde van deze episode was dat Elimelech en z'n zoons stierven en dat NoŲmi met de Moabitische Ruth terugkeerde naar Betlehem: verbitterd om wat Gůd haar had aangedaan. Haar reactie was begrijpelijk, want je man en zoons verliezen is verschrikkelijk. Pijnlijk is dat er bij haar geen schuldbesef was over haar falen; ook was er geen oog voor de trouwe liefde van Ruth en voor het einde van de hongersnood. Toch zette God deze beide mensen in bij de uitvoering van zijn plan. Bemoedigend voor ons. Kijkend naar het onbegrijpelijke van ons leven kunnen we ons afvragen: 'Wat komt er terecht van Christus' belofte over de komst van zijn koninkrijk?' Maar God kennende kunnen we zeker zijn: dwars door alles heen is Hij op weg: alles wůrdt nieuw!

15 juli: Ruth 2
Dit hoofdstuk doet aan als een pastorale idylle: een niet-gewaardeerde allochtoonse wordt tijdens het werken in de oogst gastvrij onthaald door een rijke boer. Het is ontroerend hoe zorgzaam Boaz zich met Ruth inlaat (bijv. vs.8-9,14-16) en hoe bescheiden Ruth zich opstelt (vs.10,13). Een levensecht trekje is dat Boaz zijn, vast ruige, knechten flink de pin op de neus heeft gezet om Ruth niet lastig te vallen (vs.9). Prachtig is vooral hoe God in dit hoofdstuk ter sprake komt. Zo maakt Ruth gebruik van een recht dat Gůd de armen had gegeven (zie Lev.23:22). Verder kwam Ruth 'bij geval' (vs.3) op Boaz' land terecht, maar wij weten achteraf dat hierin Gods sturende hand actief was: Hij had plannen met Boaz en Ruth. Mooi is ook hoe Boaz Ruths verhuizing naar Betlehem typeert: ze is komen schuilen onder Gods vleugels (vs.12). Tenslotte is treffend hoe door Boaz' royale behandeling van Ruth de bitterheid van NoŲmi omgezet wordt in bewondering voor Gods goedheid (vs.20). Zo ziet de goede verstaander meer dan het gewone; daarin ziet hij tegelijk Gods werkelijkheid gaande.

16 juli: Ruth 3
Omdat Boaz familie van haar is doet NoŲmi via Ruth een beroep op hem voor hulp. 's Nachts gaat Ruth naar Boaz op de dorsvloer. Een geheime ontmoeting, want NoŲmi wil Boaz niks afdwingen: hij moet zonder gezichtsverlies kunnen weigeren. In haar verzoek sluit Ruth aan bij een uitspraak van Boaz. Die had gezegd: 'Je bent komen schuilen onder Gods vleugels' (2:12); nu zegt Ruth: 'Spreid uw vleugel uit over uw dienstmaagd' (vs.9), ofwel: 'Maak het waar dat God over mij waakt, en wel door mij als uw vrouw te aanvaarden.' Gods zorg wordt immers vaak tastbaar via mensen. Mooi is dat Boaz geen misbruik maakt van de situatie. Wel garandeert hij dat hij zich voor NoŲmi en Ruth zal inzetten. Zonder dat deze personen het door hebben stuurt God hen zo dat de komst van David stap voor stap dichterbij komt. Zo is God: Hij wil dat wij onze verantwoordelijkheid nemen, maar onderwijl geeft Hij dat een plek in zijn regie.

17 juli: Ruth 4
Boeiend is hoe creatief Boaz de wet toepast: hij verbindt (op eigen initiatief of volgens een bestaand gebruik?) de wet inzake de losser (Lev.25:25) met de wet inzake het zwagerhuwelijk (Deut.25:5-6). Een vondst: NoŲmi had er niks aan als zij wel haar land terug had, maar als met haar dood haar gezin zou zijn uitgestorven. Beide wetten geven zo aan dat God zijn kinderen een blijvende plek op aarde gunt. Dat is nog altijd een doelstelling van God: Hij gunt ons in deze wereld het goede leven tot in eeuwigheid, zoals ook Christus als de goede herder erop uit is dat wij 'leven hebben en overvloed' (Joh.10:10). Daarom laat God het lukken dat Boaz trouwt met Ruth en dat ze samen Obed als zoon krijgen. Hierdoor heeft NoŲmi, die eerst zo bitter was, uitzicht gekregen. Maar hierdoor ligt ook de weg naar David open en via hem de weg naar Christus. Het wachten is nu nog op de terugkeer van Christus. Het boek Ruth maakt ons duidelijk dat we gerust kunnen zijn over Gods plannen: Hij zet die onstuitbaar door en gebruikt daarbij onwetende en soms zelfs tegenstribbelende mensen.

18 juli: Psalm 57
Van David weten we dat hij een weerbare man was, voor geen kleintje vervaard. Al was hij angstig, hij durfde vijandige dieren en mensen tegemoet te gaan. Vooral in de Psalmen wordt de Šchtergrond van Davids weerbaarheid en moed duidelijk: hij zocht telkens de bescherming van God. Daarbij besefte hij dat niemand rťcht heeft op bescherming: het is door Gods vergevende liefde, door Christus dus, dat Hij naar zijn kinderen omziet (verg. vs.2a,4c). Maar dan mťrk je die bescherming ook. David heeft daar ervaring mee opgedaan. Daarom is zijn hart gerust (vs.8) en is hij erop gespitst om de lof op God te zingen. Want hoeveel bedreigingen er ook mogen zijn in ons leven, Gods goedheid en trouw zijn werkzaam, en dat geeft ons leven uitzicht. Uiteindelijk komt alles goed. Hier bidt David er nog tweemaal om: 'Laat over de hele aarde uw glorie stralen' (vs.6b,12b), maar eens Ūs het zover en dan mogen Gods kinderen daarvan genieten.

C. van der Leest, Groningen-Oost

19 juli: 1 SamuŽl 1
Peninna pest Hanna elke keer weer. Hanna's reactie is opmerkelijk: ze scheldt en tergt niet terug. Ze zwijgt. Haar etenslust wordt haar ontnomen en ze huilt. Maar daar blijft het niet bij. Ze brengt haar grote verdriet ook bij God. Het blijkt haar er ook niet om te doen om een trotse moeder van een zoon te zijn. Nee, het gaat haar uiteindelijk om het Koninkrijk van God. Krijgt ze een zoon, dan is hij voor de HERE.

20 juli: 1 SamuŽl 2:1-11
Vrouwen spelen voor God in zijn heilsgeschiedenis een prominente rol. SamuŽl zal belangrijk zijn voor de God van IsraŽl. Eeuwen later horen we Maria (let op de overeenkomsten in de lofzangen van beide vrouwen - Lukas 1). In deze lofzang horen we ook al de paasklokken luiden: de HERE doodt en doet herleven, Hij doet naar het dodenrijk neerdalen en daaruit opkomen (vers 6)

21 juli: 1 SamuŽl 2:12-36
Van Eli lezen we dat hij zat en dat hij at. Wat een tegenstelling met Hanna! Zijn zonen maken van het heiligdom een onheiligdom. Zij maken van de buik hun god. Als zij zelf maar aan hun trekken komen. De mensen van IsraŽl gaan Silo meer en meer mijden. Het heeft niets meer te maken met de dienst aan God. Temidden van die puinhoop neemt de jonge SamuŽl toe in aanzien en gunst, zowel bij de HERE als bij de mensen (vers 26)

22 juli: 1 SamuŽl 3
Vanaf dit hoofdstuk wordt Eli niet meer getooid met zijn functie, namelijk die van priester. En in vers 20 spreekt men niet alleen meer van de jonge SamuŽl, maar lezen we ook dat heel IsraŽl tot de erkenning kwam dat hij profeet was. Let ook op het verschil tussen vers 1 (woord des HEREN schaars enz.) en vers 19-4:1. Het woord van God kwam weer op z'n plaats in IsraŽl.

23 juli: 1 SamuŽl 4
IsraŽl leeft losgeslagen van zijn fundamenten en doet als de andere volken: je god voor je eigen karretje spannen. Dat is hetzelfde als vloeken. Gods Naam (dus Hemzelf) misbruiken. God wordt als een mascotte gebruikt die door mensen wordt gehanteerd. Maar God laat Zich niet misbruiken. IsraŽl lijdt een smadelijke nederlaag. Eli, Chofni en Pinechas komen om en de eer is weg uit IsraŽl.

24 juli: 1 SamuŽl 5
Humor. Dagon valt voorover neer voor de ark des HEREN. Het is een echte afgod, dus zijn er mensenhanden nodig om hem weer overeind te helpen. De volgende dag hetzelfde verhaal, maar nu lagen de beide handen van het beeld van Dagon afgehouwen op de drempel. Dagon onthand. Die van de God van IsraŽl niet. In vers 11 lezen we dat Zijn hand zeer zwaar drukte.

25 juli: 1 SamuŽl 6:1-7:1
Met de hooggeplaatsten van de steden achter de wagen aan gaat de wagen met de ark over de grens. Dat moet een potsierlijk gezicht geweest zijn. Eind goed, al goed? Vergeet het maar. In vers 19 lezen we dat God een slachting aanricht onder de IsraŽlieten in Beth-Semes. Zeventig mensen komen om. Ze konden hun nieuwsgierigheid naar de ark niet bedwingen. Opnieuw onheiligheid. Bij Eleazar in Kirjath-Jearim staat de ark veilig.

26 juli: 1 SamuŽl 7:2-17
Er is nota bene twintig jaar nodig voordat het volk tot bezinning komt. Het hoge woord komt eruit: we hebben tegen de HERE gezondigd (vers 6). Ze gaan vasten en ze doen de afgoden uit hun midden weg. Terwijl SamuŽl nog bezig is te offeren rukken de Filistijnen op. En God grijpt reddend in. Eben HaŽzer (letterlijk: steen van hulp).

27 juli: 1 SamuŽl 8
Is het fout dat IsraŽl om een koning vraagt? Nee. Lees maar in Deuteronomium 17:14-20. Het mocht dus best. Alleen: hoe vragen ze het? Wat willen ze met die koning? In 1 SamuŽl 8 blijkt dat ze opnieuw een mascotte willen. Een koning die optreedt, met wie ze zich kunnen vertonen. Ze verwerpen God (vers 7). En wat God ook zegt (door SamuŽl) er moet en zal een koning komen. En God geeft een koning.

28 juli: 1 SamuŽl 9
Overdreven uitgebreid wordt de zoektocht van Saul naar de ezelinnen beschreven. O Goddelijke logistiek! Ondertussen is God bezig om Saul naar SamuŽl te brengen (vers 15 en 16). God gebruikt hele gewone dingen van alledag (ook vandaag voor u en jou) om dwars daar doorheen bezig te zijn met Zijn plan. Let erop en verwonder u!

29 juli: 1 SamuŽl 10
Het is niet zo, dat God expres Saul heeft uitgekozen om koning te zijn met de bedoeling dat hij zou struikelen en God daarna kon zeggen: zie je wel?! Gelukkig, zo is onze God niet. God kiest Saul omdat hij een goed koning over IsraŽl kan zijn. Als je goed naar Saul kijkt, dan kun je hem bleu en schuchter noemen. Als God hem ongevraagd geen tekenen had gegeven tijdens zijn terugreis, dan hadden ze hem waarschijnlijk niet eens tussen het pakgoed gevonden. Hij zou zijn gevlucht. Kortom, ootmoed genoeg bij Saul.

30 juli: 1 SamuŽl 11
Een gemeen vijandelijk plan. De mannen van IsraŽl zullen ongeschikt gemaakt worden om ooit nog te kunnen vechten. De Geest van God greep Saul aan (vers 6) en hij mobiliseert het volk (vgl. Rechters 19 en 21 als het gaat om het span runderen in vers 7). IsraŽl overwint, Saul geeft God de eer en er komt geen bijltjesdag om Sauls rechten te herstellen (vers 12 en 13). Hier is het hoogtepunt van het koningschap van Saul. Inderdaad: hij had een goed koning kunnen zijn.

31 juli: Psalm 58
God haat onrecht. En Hij deed er ook wat aan: Christus kwam om als enige rechtvaardige rechter alle onrechtvaardige rechters te richten. Maar wel op een bijzondere manier: Hij veroordeelde hen door Zich met hen te vereenzelvigen en in hķn plaats het oordeel waar Psalm 58 om riep, te dragen. En dat was maar goed ook, want hoe recht is ons levenÖ?!

P.J. den Hertog, CGK Groningen