Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-2, april
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 april: Deuteronomium 22:1-12
Naastenliefde is: zijn schade zoveel mogelijk voorkůmen. Dat geldt helemaal voor je eigen broeders en zusters. En ook mťťr: niet alleen materiŽle schade voorkomen, maar opkomen voor zijn geestelijk welzijn. Daarom: hem lŪef hebben.
God heeft deze wereld weloverwogen geschapen. Er is over nagedacht. God heeft een zinvolle orde aangebracht. Dat is wat de mens moet respecteren. Man en vrouw zijn verschillend geschapen, met een verschillende verantwoordelijkheid. De hele natuur zit wonderlijk mooi in elkaar. Dat moeten we honoreren. En God is de Schepper van het lťven. Van het mensen-leven. Daar moeten we zuinig op zijn. Niet alle experimenten zijn geoorloofd (genetische manipulatie, klonen).

2 april: Deuteronomium 22:13-29ļ
Uit dit bijbelgedeelte blijken een paar dingen. Het eerste is, dat ouders een taak hebben ten opzichte van hun kinderen. Ze zijn verantwoordelijk. Ze voeden hen op, nemen het zo nodig voor hen op, bereiden hen ook voor op een huwelijk. Op het moment van de officiŽle huwelijkssluiting zijn ouders van die verantwoordelijkheid ontslagen. Tenzij er iets mis gaat!
Het tweede is, dat God de seksuele gemeenschap tussen man en vrouw nadrukkelijk voor het huwelijk wil reserveren. Op overspel staat de doodstraf. Maar op seksuele gemeenschap vůůr het huwelijk staat op z'n minst een boete. En het verplicht ook tot een officieel huwelijk. De lichamelijke eenwording is uiting van wederzijdse innige liefde. En daarom iets om zuinig op te zijn!

3 april: Deuteronomium 23:1-26ļ
De vele verschillende bepalingen in dit hoofdstuk zijn moeilijk onder ťťn noemer te vatten. Toch hebben ze allemaal te maken met het feit, dat IsraŽl - als volk van God - een heŪlig volk is. Die heiligheid stelt voorwaarden aan de samenkomsten (vs.1-8). Een onbesnedene (wegens lichamelijke verminking of vanwege heidense afkomst) kon niet zomaar meedoen. Die heiligheid houdt ook reinheid en hygiŽne in. Een oorlogssituatie is geen excuus om je daar niet aan te houden: de HERE voert immers de oorlogen! Die heiligheid bepaalt ook je persoonlijke omgang met de HERE. En met je naaste.

4 april: Deuteronomium 24
Het huwelijk is de HERE heilig. Dat blijkt bijvoorbeeld uit vs.5: een goed begin is het halve werk! Daarom kan echtscheiding niet zomaar (vgl. Mat.19). Tijdelijk heeft de HERE dit toch 'gedoogd', maar dan met de voorwaarde, dat er een 'scheidbrief' moest komen. En met het gevolg, dat een tweede huwelijk voor de vrouw "verontreiniging" betekent.
Verder is dit hoofdstuk uitwerking van het thema: je naaste liefhebben. Dus hem niet hard behandelen, de armen van eten en kleding voorzien, hem niet beroven van (een bron van) inkomsten, zijn leven niet in gevaar brengen (bijvoorbeeld door besmetting met melaatsheid).
En voor de verkeerde dingen die iemand doet, is hij persoonlijk verantwoordelijk (vs.16; vgl. Ezech.18).

S.M.Alserda, Hoogkerk

5 april: Deuteronomium 25
Veertig stokslagen, dat liegt er niet om. Maar er mag dan ook niet een slag meer gegeven worden. Het werd de officiŽle lijfstraf van de synagoge. Voor de zekerheid telde men ťťn minder: de "veertig-min-ťťn" heette dat. Volgens Calvijn matigde men zich daarmee de waardeloze lof van mildheid aan, alsof zij God zelf in mildheid moesten overtreffen!! Paulus vertelt, dat hij deze straf vijf keer heeft moeten ondergaan. Vijf keer! (2 Kor.11:24). Hij moet al die vijf keren kapot geweest zijn! De bedoeling van deze bepaling van Deut. 25 is duidelijk: er zal beheersing zijn in de straf, er mag geen uitschakeling volgen uit de maatschappij! Dwz: Je kunt je maar niet laten gaan! Geen ongebreideldheden! En geen fanatisme. En daar kunnen we allemaal nog van leren.
Datzelfde geldt ook van de voor ons gevoel wonderlijke bepalingen van het zwagerhuwelijk. God wil dat de door Hem gegeven plaats in de maatschappij wordt gerespecteerd. "Legale" verrijking dank zij de dood van een ander is diefstal! Een beetje verder nadenken over deze bepaling kan ons ůver de bevreemding vanwege de vorm heen tillen naar de conclusie, dat hier een stuk materialisme bij de wortel wordt afgesneden!
En dan nog weer heel wat anders: geen onbeschaamde handtastelijkheden; ook niet als je ze zou kunnen verontschuldigen vanwege de omstandigheden. "Uit de hardheid van de bepaling mag blijken hoezeer ingetogenheid aan God behaagt", zegt Calvijn. En laten we dat dan maar goed tot ons laten doordingen. En wat leert ons het scherpe woord 'gruwel' ten aanzien van gesjoemel met gewichten over fraude, corruptie, ontduiking etc? Genoeg, denk ik! Al die bepalingen van het oude testament worden door ons wellicht wel eens wat al te gauw op de zolder van de 'afgeschafte wetten' gezet.

6 april: Deuteronomium 26
En hele liturgie van dankbaarheid bij de aanbieding van de eerste vruchten van de oogst. Elk jaar weer opnieuw. En elk jaar wordt daarbij dus weer het hele verhaal van vroeger verteld vanaf de zwervende ArameeŽr tot en met het moment dat jij daar met je mand vol vruchten bij de priester staat: "en nu zie, nu sta ik hier en bied dit aan U aan HERE, mijn God". Het hele verhaal van de geschiedenis in de jaarlijks terugkerende liturgie van de dankdag! En dan die zin: "gij zult u verheugen voor het aangezicht van God". Hij is de God die leven geeft! Vier dan feest en hef het glas! En ja, nog wat: vergeet de tienden niet! En vergeet zijn geboden niet. Royale onderhouding van al die goede bepalingen houdt de stroom van het goede-leven-met-God in zijn bedding. "Dan zal Hij u maken tot een lof en een sieraad en dan zult gij zijn volk zijn in heiliging". Heiliging is altijd weer het slotakkoord van de wet!

7 april: Deuteronomium 27
Het beloofde land - hoe zeker ook de belofte is - kan slechts betreden worden door de poort van de witgekalkte stenen waarop de geboden van God zijn geschreven! Een schitterend voorbeeld van de 'voorwaardelijkheid' van de beloften bij alle onvoorwaardelijke waarachtigheid ervan!
En wat moet dat tegen de bergwanden hebben geschald: de tekst van de wet gesproken door de ene helft, en het antwoord uitgeroepen door de andere helft van het volk! De liturgie-in-wisselzang van de aanvaarding van de wet: de verbondsvernieuwing waarmee het nieuwe leven in het beloofde land zijn plechtige begin zou moeten krijgen. Hoe moet dat 'Vervloekt' en 'Amen' hebben gedreund over de dreven!

8 april: Deuteronomium 28:1-14
Indrukwekkend is dit hoofdstuk. Vandaag lezen we het begin: gezegend zult gij zijn.... gezegend zult gij zijn... Het goede leven valt open. Weidse perspectieven worden geboden. En achter de horizont is er nog meer. Altijd! De ene zin rolt over de andere heen. Gods beloften zijn eindeloos. Zijn beloften kunnen de weg wijzen zoals de wolk het in de woestijn deed. Als je daar dan maar achter aan gaat. De waarheid van Gods beloften hangt niet af van de gehoorzaamheid eraan, maar de vervulling wordt wel daaraan gebonden.

9 april: Deuteronomium 28:15-44
Maar weiger je te luisterenÖ.. Het blijkt de inleidende zin te zijn voor het ene na het andere onheil. Het is ronduit verschrikkelijk het allemaal te horen en te lezen. Het dondert over je heen. En het is nog maar de helft. Morgen gaat het allemaal nog verder. Het is als een afdaling in steeds diepere duisternis: het ene wee is nog niet voorspeld of het volgende wordt al beschreven. En wie bedenkt, dat dit alles woord voor woord ooit ook in vervulling is gegaan, kan zich nauwelijks onttrekken aan een gevoel van beklemming. Het is God zelf, die het allemaal laat opsommen, ramp na ramp. Het is zijn liefde die waarschuwt. Het is zijn liefde waarmee Hij dit volk uit het niets heeft opgetild tot zijn heel speciale eigendom. Het is zijn getergde liefde waarmee Hij hen zal overgeven aan zichzelf, als zij dat verkiezen. Is de straf tenslotte niet altijd de bevestiging van de eigen keus? Is het tenslotte niet zo, dat wie Hem verlaat, zelf hiervoor kiest?

10 april: Deuteronomium 28:45-69į
Het is tenslotte de totale afbraak niet maar van een gezegend leven van evenzoveel personen, maar afbraak van de structuren, de ordeningen, de gezags-, en liefdesrelaties. De natie wordt onder de voet gelopen. Er is geen plek meer om te wonen. Basale gevoelens zullen omslaan. En achter het ene wee duikt nog altijd een volgend op. Het is nooit genoeg. De mens zal de mens een wolf worden. En bescherming zal er niet meer te vinden zijn. De verspreiding over de volkeren is het einde van het nationale bestaan van een volk. En zelfs dan is er nog geen rust: heimwee - de 'tering van de ziel' -zal je kracht verteren. En het allerlaatste is de totale terugkeer naar het punt nul: ik zal u over zee terugbrengen naar Egypte. Dat is een geladen woord. Is alles niet begonnen met die bazuinstoot: "Ik ben de HERE uw God die u uit Egypte heb bevrijd"? De geschiedenis wordt teruggedraaid. Alles wordt ongedaan gemaakt. Terug naar Egypte. Dat is terug naar de dood. En je leest het bij Jeremia: het is allemaal gebeurd. Daaruit leer je God kennen. De God van de zegen en de vloek!

11 april: Psalm 47
Een lied als een tamboerijn. Je springt er bij op. Daarvoor is het ook bedoeld: de oproep aan de hele wereld om op te staan en God te eren, de koning over heel de aarde. Als u nog eens gedacht zou hebben, dat het Oude Testament ook maar een beperkte boodschap had voor een klein volkje op een afgelegen stukje van de wereldbolÖÖ Zijn plannen reiken verder. De lijnen worden wereldwijd getrokken. Dat springt eens uit de voegen van het kleine land rondom Jeruzalem. Zing maar mee en klap in de handen. (Heb u er wel eens op gelet hoe schitterend de Geneefse melodie van deze psalm bij de inhoud past? Dat waren me toch vaklui die componisten van Geneve!)

12 april: Deuteronomium 29:1-28į
Midden in deze herhaling van de lessen van de geschiedenis staat de ontdekkende zin: Het kan zijn dat iemand bij het horen van al deze vervloekingen zichzelf gerust stelt en denkt: Mij kan niets gebeuren ook al ga ik mijn eigen gangÖ." Het is de niet aan enige eeuw gebonden en niet tot enig tijdperk beperkte karakteristiek van de 'goddeloze'. Dat laatste woord gebruiken we niet graag; het klinkt zo zwaar en is zo veroordelend. Maar alle 'goddeloosheid' begint met deze gedachte. En ze ligt zo dicht bij. Namelijk binnen handbereik van elke christen. Nog dichter bij: ergens zo maar in een plooi van het eigen hart. Het woord 'secularisatie' is ook zo'n eng 'groot' woord, dat we graag alleen maar gebruiken voor wat buiten het eigen huis gebeurt. Het begint altijd met een gedachte in het eigen hart. En dan nog wat: hier al, nog vůůr IsraŽl het beloofde land was binnengetrokken, worden Sodom en Gomorra gebruikt als altijddurende levende voorbeelden van wat God doet. Het is een thema dat door heel het
Oude en Nieuwe Testament speelt. Jezus zelf heeft het ook gebruikt.

13 april: Deuteronomium 30
Is dat niet het unieke van deze God, dat Hij van te voren ook aankondigt, dat Hij zal luisteren naar ieder die zich bekeert? Dat Hij dus nooit de zaak gewoonweg definitief afsnijdt. Na al die vreselijke woorden van de voorgaande hoofdstukken, staat dit hoofdstuk als een parel in de vatting van Gods ernst. "Ik heb jullie de keus gegeven" (vs.1). "Kies dan heden" (vs.15). "kies dan voor het leven" (vs.19) En dan vers 11: De wet die Ik je geef, gaat niet boven je macht. Ligt niet op Mars of in het land Utopia. Maar je kent hem uit je hoofd, je draagt hem in je hart. Als het nu eens zo was, dat je er ongelofelijke inspanningen voor zou moeten doenÖ. Ja, dan zou het misschien wel meer impact hebben. Een mens wil immers altijd zelf wat doen: op zijn blote knieŽn naar Rome kruipen, zich kapot geselen in een cel (Luther) -"goede meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beŽrven", vroeg die sympathieke rijke jongeling - maar nee: voor ieder geldt: gewoon doen wat God zegt. Dat is veel 'moeilijker'. Zullen wij het maar naar ons toe vertalen als: Wees nu maar gewoon een christen! Wat een psychologie steekt er achter deze woorden. Wat kent God zijn volkje goed!

14 april: Deuteronomium 31:1-13
Hoe indrukwekkend moet dat geweest zijn: die oude man van 120 jaar, die daar zijn laatste aanwijzingen gaf, zijn opvolger aanwees, de tekst van Gods wet in verzekerde bewaring gaf, en de jaarlijkse voorlezing ervan regelde. Op het Loofhuttenfeest moet dat gebeuren, ja, uitgerekend op het laatste feest in de reeks van de oogstfeesten, het meest vreugdevolle, de jaarlijkse bevestiging van Gods goedheid over zijn volk. Tot en met in het boek Openbaring is dit het grůte feest! En juist dan de voorlezing van de wet.

15 april: Deuteronomium 31:14-30
In dit gedeelte wordt het 'lied van Mozes' aangekondigd. Het is zoveel als de grondwet voor het bestaan van IsraŽl. God zelf geeft er de opdracht voor om dit lied te dichten. Dat is heel bijzonder. Ook als wij alle psalmen in de bijbel als geÔnspireerd beschouwen, dan krijgt dit lied daardoor toch wel een extra accent. Bovendien geeft God de opdracht dat men dit lied uit het hoofd moet leren! Het wordt genoemd in Openb. 15:3, als degenen die de overwinning hebben behaald op het beest en zijn beeld bij de glazen zee staan en zingen "het lied van Mozes, Gods dienaar, en het lied van het Lam".

16 april: Deuteronomium 32:1-18
Daar staat het. De hemel en de aarde, die er altijd zullen zijn tot aan de dag, dat ze worden opgerold, worden als getuigen aangeroepen. Wat hier volgt is van universele gelding. En het wordt gezegd ten overstaan van de blijvende getuigen, wie God is en hoe zijn volk is. Keer terug naar de daden in de geschiedenis: er is geschied en er staat geschreven. De feiten zijn de basis van de dogma's. Het geloof in deze God is geworteld in zijn daden. Bedenk ze, houd ze vast. Leer ze uit je hoofd. "Jakobs kinderen vond Hij in een land van steppenÖ.Hij omringde ze met zijn zorgen". En zo ging het maar door. Hier al worden de tonen aangeslagen waarvan de psalmen hun melodieŽn hebben gemaakt en de profeten hun preken. En de echo's klinken door tot in het nieuwe testament: Johannes de Doper, Jezus, Petrus en Paulus, totdat het lied klinkt bij de "glazen zee". Zo is nu God. En zo is nu zijn volk. "God die hen als een vader had verwekt en als een moeder gebaard, aan Hem gingen ze voorbij, Hem vergaten zij.
" Het is het dreunende dreigende ritme waarop de melodie van de geschiedenis naar ons toekomt.

17 april: Deuteronomium 32:19-38
Toen stond God op. Hij laat niet over zich heen lopen. Het wordt een angstaanjagend lied. En dan staat daar ineens, dat Hij om zijn eigen naam zich tenslotte inhoudt. Hij zou gedane zaken moeten maken, maar wat zal dan de tegenstander zeggen? Het zijn de klanken en de termen die door de grote profeet van de ballingschap EzechiŽl worden overgenomen: "Ik doe het om mijns zelfs wil", zegt de HERE. "En ze zullen weten dat Ik de HERE ben". Hij brengt zijn oude plan tot uitvoering. Dwars door al dat geweld heen, roept Hij een volk tot leven en zal ze als een heilig volk voor zich stellen. En het zal duidelijk worden, dat Hij dat echt alleen doet. Sarcastisch klinkt de vraag: waar zijn nu jullie goden? Jesaja heeft die vraag overgenomen, en Jeremia en je ziet het tenslotte: God treedt op, en ze zullen beseffen, dat Hij alleen God is.

18 april: Deuteronomium 32:39-52
Het lied eindigt met een slotkoor, waarin alle stemmen worden ingezet om Gods grootheid te bezingen. De oproep overschrijdt de landsgrenzen. Het lied richt zich tot de naties. Gods lof moet wereldwijd gehoord worden.
En daarna worden de voorbereidingen getroffen voor het afscheid. Binnenkort zal het plaats vinden. Het wordt het slot van dit grootse boek. Mozes die vooraan ging, en die tussenbeide trad, die pleitte voor zijn volk, zijn dood zal het onderstrepen, dat God geŽerd wil zijn, hoog gehouden, publiek door zijn vertegenwoordigers. Het sterven van deze grote voorganger zal voor eeuwig deze ondertoon meekrijgen. "Want jij en Ašron zijn mij ontrouw geweest, daar bij Kades in de woestijn heb je me mij niet het ontzag betoond, dat Mij toekomt". Hoe vaak doen wij hetzelfde?

19 april: Deuteronomium 33:1-19
De zegenwoorden van Mozes over elk van de stammen van IsraŽl. Zoals vader Jakob zijn zonen bij zich riep voor zijn laatste woorden, zo doet Mozes het nu. Allen passeren ze de revue. Ieder zijn eigen zegen. Woorden van verstrekkende betekenis. Wonderlijk, als we bedenken, dat ze gesproken zijn in de velden van Moab, nog vůůr de Jordaan was overgestoken.

20 april: Deuteronomium 33:20-34:12
Tenslotte: de allerlaatste woorden. Het weids perspectief: IsraŽl, lieveling van de HEER. En er is geen God met deze HEER te vergelijken. Maken wij ons deze woorden ook eigen? Daar staan ze er toch voor in de bijbel? De HEER: het schild dat je dekt, het zwaard dat de overwinning brengt. Vertrouw dan ook op Hem. En doe het niet allemaal zelf.
En toen stierf hij, die merkwaardige man, de enige die met God mocht omgaan. Hoog rijst hij boven allen uit. Zijn gestalte beheerst het oude verbond. En toen riep God hem. Ik heb als kind het verhaal van zijn sterven nooit anders dan met ontroering ondergaan. Ik vond het eigenlijk niet eerlijk. Eťn keer liet hij zich gaan, die meest zachtmoedige man op de aardbodem. En toen mocht hij het land niet meer binnen. Hij mocht het zien, vanuit de verte. En toen ik het later moest lezen voor onze kinderen uit de kleutervertelbijbel van Anne de Vries, heeft het me elke keer dat we er weer aan toe waren opnieuw ontroerd. Ik zou het u wel helemaal nog een keer willen overschrijven van die kunstenaar-verteller. Laat me dan alleen het slot daarvan hier mogen afschrijven:
"Toen heeft Mozes afscheid genomen van de mensen en toen is hij weggegaan, helemaal alleen. Daar dichtbij was een hoge berg. Daar klom hij op.
De mensen keken hem na, zo ver als ze konden. Ze hielden zoveel van Mozes. Ze hadden zo'n medelijden met hem. Ze zeiden: "Och die arme Mozes!" Maar dat hoefde heus niet. Want toen Mozes op de berg was, kwam God zelf bij hem. Mozes kon zo ver kijken op die hoge berg. Toen zag hij tůch het mooie land, waar het volk straks wonen zou. God wees hem de groene weiden en de watertjes die daar door stroomden, de bergen, de bomen en de zee, heel in de verte. Het hele land zag Mozes en hij wist, dat zijn volk daar gelukkig zou zijn.
Toen zei God: "Kom, mijn kind, nu is het tijd". En toen heeft de Here Mozes meegenomen naar een land waar het nog veel mooier was. DŠt mocht hij niet alleen zien, daar mocht hij ook binnengaan. Mozes ging naar de hemel. Daar was geen zonde meer en geen verdriet. Daar was niemand die mopperde. Daar was ieder blij en gelukkig!"

J.T. Oldenhuis, Helpman

21 april: Psalm 48
Ze zeggen wel eens: geloof vertekent je blik op de werkelijkheid. Zo indrukwekkend was Jeruzalem helemaal niet. Er waren in die tijd veel imposantere steden. Maar toch, het ligt er maar aan hoe je kijkt. Waarom zijn de dichters uit de kring van Korach zo lyrisch over de stad van God? Omdat God woont binnen haar vestingen (vers 4), omdat alles spreekt van zijn bescherming, rechtvaardigheid en trouw (vers 9, 11, 12, 14). Prijs je gelukkig: 'Wij hebben een sterke stad, een stad door de Heer omringd' (LvK 28). Misschien vertekent geloof je blik op de werkelijkheid niet, maar scherpt deze juist.

22 april: Jozua 1
Spannend moment. IsraŽl trekt het land dat aan hen is beloofd binnen. Trouw en gehoorzaamheid aan de wet van Mozes is geen voorwaarde om het beloofde land binnen te trekken, maar wel de weg waarop dit zal gebeuren. Een andere weg is er niet. Toewijding, daar gaat het om. En verder: kracht en moed. Sterk in Gods kracht dan wel, want 'Ik ben met u, overal waar u gaat' (vers 9). Op welke manier zou Jozua 1 vandaag christelijke actie in een van God vervreemde wereld impulsen kunnen geven, denkt u?

23 april: Jozua 2
De eerste stappen in vijandig gebied zijn meteen al hele bijzondere. Hulp uit onverwachte hoek. Wat bewoog Rachab om de verkenners te helpen? Geloof, zegt eeuwen later de schrijver van de brief aan de HebreeŽn (Hebr.11: 31). Haar woorden in vers 9-13 laten zich dan ook lezen als een geloofsbelijdenis. Kwamen meer mensen maar zo onder de indruk van wat God doet! Wat zegt het u, dat deze vrouw een van de 'voormoeders' van de Heer mag zijn (vgl. Mat.1:5)?

24 april: Jozua 3:1-4: 9
De Jordaan is natuurlijk niet zo groot en breed als de Schelfzee. O.a. daarom zal de doortocht van IsraŽl door de Schelfzee bij velen bekender zijn. Maar in allebei ontstaat een pad door het water. De krachten van de natuur houden hun adem in als God in actie komt. En dat is nou precies wat hier gebeurt: God komt in actie. Hij trekt voor zijn volk uit. De verbondskist gaat voorop en IsraŽl volgt. Hoe leeft dat besef bij u, dat je God of zijn Zoon Jezus maar hoeft te volgen?

25 april: Jozua 4:10-5:15
Wie spannende verhalen wil lezen over IsraŽlitische heldendaden bij de verovering van het land, moet nog even wachten. Kennelijk gaan andere dingen voor. Wij verliezen ons snel in activisme, en vergeten de band met de Heer te onderhouden. Maar hoort dat juist niet voorop te gaan? Dat zal IsraŽl niet gebeuren. Wie nog niet besneden was in de woestijn wordt nu besneden. Het pascha wordt gevierd. Wat komt het eerst in uw leven: actie of gebed? Let op de wonderlijke ontmoeting aan het eind: er is ook nog een leger van de Heer dat meereist. Je hebt het vaak niet eens door.

26 april: Jozua 6
Als er dan actie komt, is het wel vreemde actie. In stilte zes dagen achter elkaar rond de stad trekken. Wat zullen de mensen van Jericho ervan hebben gedacht? En de IsraŽlieten zelf? Op de zevende dag gebeurt het. 'Misschien heb jij zo'n Jericho', zingen Elly en Rikkert. Ach, dat is misschien wel een hele snelle vergeestelijking. Maar toch, de boodschap is duidelijk: niet alleen gaat God voorop in de, in onze, strijd, maar ook voert Hij deze alleen. Vertrouw daar dus maar op! En Hij maakt vaak gebruik van in onze ogen onooglijke of kwetsbare middelen. Is het kruis van Jezus daarvan niet het levende bewijs? En moet je zien wat er door dat kruis allemaal 'instort'!

27 april: Jozua 7
Waarom lukken sommige dingen niet die je bv. als kerk onderneemt? Zou er ook zonde achter kunnen zitten, waardoor de zegen van God wordt geblokkeerd? De zonde van Achan moet eerst worden weggebrand om Gods zegen en nabijheid te kunnen wegdragen. Zo wordt het dal Achor schroeiplek van Gods toorn en is Jozua 7 een zwarte bladzij in IsraŽls geschiedenis. Let op de 'nawerking' van Jozua 7 in de Bijbel. Hosea profeteert: 'Het dal Achor zal worden tot een deur der hoop' (Hos.2: 14). Gods toorn maakt het leven met Hem niet onmogelijk, maar wil het juist herstellen. De contouren van Golgota doemen op: zwarte bladzij in de menselijke geschiedenis, schroeiplek van Gods toorn, maar tegelijk: plaats van oneindige barmhartigheid.

28 april: Psalm 49:1-13
Een lied van wijsheid uit de kring van Korach (zie vers 4). Wijsheid is in het Oude Testament geen studeerkamer-zaak, maar altijd iets van, in en voor het gewone, alledaagse leven. Wijs is hij/zij, die leeft in vroomheid en toewijding aan God en zich door Hem laat 'wijzen'. De wijsheid van dit lied is, dat niemand de dood kan ontlopen, rijk of arm, wijs of dwaas. Een open deur? Dat ligt er maar aan. Want als dat zo is, waarom dan je vertrouwen stellen op bezit of je eer zoeken in rijkdom? Je kunt er je dood toch niet mee afkopen. Drong deze praktische wijsheid maar iets meer door in onze harten en gedachten!

29 april: Psalm 49:14-21
Eigenlijk weten we het allemaal wel: rijkdom is vergankelijk en geld maakt niet gelukkig. We projecteren deze psalm op alle rijken van vandaag en schudden ons hoofd over het materialisme in de wereld van vandaag. Maar bevraag nou ook eens jezelf. Hoe gelukkig word ik van mijn geld? Wat probeer ik 'af te kopen' met mijn bezit? Eigenlijk is het zo gemakkelijk en vanzelfsprekend nog niet om te leven vanuit het besef van vers 16: God zal mijn leven verlossen. Als je dat bij je binnen laat komen, kan de psalm de 'weg wijzen' in economisch slechte ťn goede tijden.

30 april: Jozua 8:1-23
'Ik geef u de stad in handen', zo luidt de toezegging van God aan het adres van Jozua. En God doet het ook echt. Ook al ben je geneigd om te zeggen: goeie list van Jozua en knap uitgevoerd! Wat God doet, komt kennelijk niet in mindering op het gebruiken van gezond verstand en creativiteit door mensen zelf. Het zijn de middelen die God gebruikt en waarlangs Hij werken wil. Hier komt iets naar voren van de wisselwerking tussen Gods macht en menselijke verantwoordelijkheid. Ze 'bijten' elkaar niet, maar liggen in elkaars verlengde.

J.M. Oldenhuis, Sauwerd