Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-1, september
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 september: Exodus 28:1-30
Kleren maken de man. Het kleed van de hogepriester tekent zijn functie. De persoon valt weg achter zijn ambt. De hogepriester is maar niet voor zichzelf bezig. Hij heeft de roeping IsraŽl voor God te vertegenwoordigen en God tegenover het volk. Zijn kleding is dan ook geweldig kostbaar en vol symboliek. Het meest sprekend is wel dat indrukwekkende borstschild met die edelstenen, waarin de namen van die 12 stammen van IsraŽl staan gegraveerd. Zo draagt de hogepriester het volk op zijn hart.
Bij het borstschild zit ook de efod, oneerbiedig gezegd een zak met steentjes: de Urim en de Tummim. In bepaalde situaties moet de hogepriester de beslissing van God kenbaar maken. Dat kan gebeuren met behulp van de efod: het ene steentje betekent ja, het ander nee. Maar de hogepriester beoordeelt op welke wijze de HERE geraadpleegd moet worden!

2 september: Exodus 28:31-43
De HERE heilig. Dat is het motto van heel de eredienst. Met als toespitsing die bijzondere taak van de hogepriester, die eenmaal per jaar het Heilige der heiligen mocht betreden. Het stempelt ook de veel eenvoudigere kleding van de andere priesters: wit, rein!
We komen deze dingen b.v. weer tegen als we in het boek Openbaring de hemelse eredienst getekend zien. Geen wonder, dat de oude kerk een grote liefde voor witte kleding had. Een christen die in het zwart gekleed gaat was in die dagen een onvoorstelbaar ietsÖÖ
Uiteindelijk verwijst die kleding natuurlijk naar onze roeping: te leven als kinderen van het Licht. Laat dat gezien mogen worden!

3 september: Exodus 29:1-28
De priesters worden aan de HERE gewijd: een ceremonie van reiniging, bekleding en zalving.
Vervolgens worden er offers gebracht, waarbij Mozes als offeraar fungeert. Een zondoffer, dat spreekt van de vergeving die ook Ašron en zijn zonen nodig hebben ťn mogen ontvangen. Een brandoffer, bedoeld om God te aanbidden en te verheerlijken. En een vredeoffer, bedoeld om de gemeenschap tussen God en mens te doen beleven. Bepaalde delen van het offerdier worden als dankbare gave aan God op het altaar verbrand en de rest wordt met dankbaarheid gegeten. Hier gaat het om een bijzondere gemeenschap. De bloedceremonie legt een verbinding tussen alle betrokkenen en het altaar.

4 september: Exodus 29:29-46
Na de voorschriften m.b.t. de overdacht van de kleding van de hogepriester wordt de draad weer opgenomen van vs. 26. Ook in de verzen 36-37 gaat het over de 7 dagen van de feestelijke wijding van de priesters.
Dan komt het dagelijkse morgen- en avondoffer aan de orde. Alle nadruk valt op de aanwezigheid van God te midden van Zijn volk. Daartoe dient de wijding van het altaar, het heiligdom en de priesters. Het volk moet er van doordrongen zijn dat de God die hen uit Egypte geleid heeft onder hen wil wonen. Dat is een geweldig voorrecht. Maar ook een opdracht tot heilig leven, want deze God verdraagt de zonde niet. Alle schuld moet beleden en weggedaan worden, keer op keerÖ.!

5 september: Exodus 30:1-21
Naast het brandofferaltaar moet er ook een reukofferaltaar gemaakt worden. Eveneens van acaciahout, maar aanmerkelijk kleiner en niet overtrokken met koper maar met goud. Het altaar werd waarschijnlijk gevuld met aarde en stenen, daarop brandde het vuur. Elke morgen en avond haalde een priester met een schop een deel van de brandende kolen van het brandofferaltaar, strooide er reukwerkpoeder over en legde ze op het reukwerkaltaar. Dit welriekende reukwerk symboliseert de gebeden, waarin de verzoende mens tot God gaat. Elke morgen en elke avond, dag in dag uit wordt God geŽerd. Het roept ons op tot trouw in de omgang met de HERE.

6 september: Exodus 30:22-38
Het reukofferaltaar zorgt ervoor dat de tabernakel permanent vervuld wordt met een liefelijke geur voor de HERE. Alles wat in dienst van de HERE staat wordt door middel van de heel speciale zalfolie aan Hem gewijd. Ook via het zintuig van de reuk wordt het heilige van de gewone wereld afgescheiden.
In het Nieuwe Testament horen we dat de gelovigen een geur van Christus genoemd worden (2 KorintiŽrs 2:15). Door het offer van Christus mogen we deel hebben aan de wereld van God. Onze opdracht is de liefelijke geur van het eeuwige leven te verspreiden. Dit brengt scheiding, want niet ieder is van deze geur gediend. Daar heerst de sfeer van de dood. Wie Christus volgt verlangt ernaar dat nog velen gered mogen worden en tot Gods eer de geur van het leven zullen verspreiden.

L.C. Buijs, CGK Groningen

7 september: Exodus 31
Gods laatste aanwijzingen aan Mozes gaan allereerst over de tabernakel; de kwaliteit daarvan moet iets laten zien van Gods glorie. Daarom moest Mozes deskundigen inschakelen. Ook moest hij IsraŽl het vierde gebod op het hart drukken. De sabbat fungeerde namelijk als het teken van de band tussen God en IsraŽl: door het houden van de sabbat liet IsraŽl zien dat het bij God hoorde, die ook de zevende dag gerust had: zo Vader, zo zoon. Tenslotte gaf God Mozes de tekst mee van de Tien Geboden. Zo maakte God door heel Ex.25-31 duidelijk: 'Ik wil jullie God zijn en Ik wil dicht bij jullie, mijn kinderen, wonen.' Prachtig toch?

8 september: Exodus 32:1-20
Veertig dagen is Mozes weggebleven op de Horeb. Een mooie tijd voor hem, want hij kreeg te horen hoe God de band met zijn kinderen nog hechter wilde maken. Intussen maakten de IsraŽlieten een gouden stierkalf: een puur heidense actie. Ze waren er niet tevreden mee dat God door zijn Wůůrd dicht bij hen was. In reactie hierop gooide Mozes de stenen platen stuk, waarop God de Tien Geboden had geschreven, de grondwet van zijn verbond. Een terechte kwaadheid: IsraŽl was Gods verbond niet waard. Natuurlijk wist Mozes dat Gods liefde onvoorwaardelijk is: zijn gunst staat voorop. Maar die liefde vraagt wel om wederliefde. Het is dus niet genoeg kind van God te zijn, je moet je ook als Gods kind gedrŠgen.

9 september: Exodus 32:21-33:11
Typisch menselijk schoof Ašron zijn verantwoordelijkheid van zich af en gedroeg hij zich als slachtoffer van de slechte IsraŽlieten: 'Zij kwamen met het idee; ik heb alleen het goud in het vuur gegooid, en ja, toen kwam dit kalf eruit' (32:21-24). En dan volgt een verschrikkelijk bloedbad. Onvoorstelbaar in onze kerkelijke verhoudingen, maar zo wordt wel duidelijk: niemand moet denken dat hij/zij God goedkoop de rug toekeert; dat betekent uiteindelijk de dood. Dat geldt nog altijd. Na dat bloedbad hield God IsraŽl een tijd op afstand, maar meteen begon al weer zijn gunst zichtbaar te worden: Hij bleef heel vertrouwelijk in gesprek met Mozes, de bemiddelaar.

10 september: Exodus 33:12-34:17
Mozes en IsraŽl hebben het ervaren wat in Ps.103:9 staat: 'niet eeuwig zal Hij toornen.' Want toen Mozes aan God een bewijs vroeg van zijn vergevende liefde, gŠf God hem dat bewijs: Mozes kreeg iets te zien van Gods glorie, terwijl God uitriep: 'Ik ben barmhartig en genadig!' Ook gaf God een nieuw exemplaar van de Tien Geboden en vernieuwde Hij ook verder zijn verbond met IsraŽl. Dat is nou typisch God: elke keer weer staat Hij met open armen klaar, ondanks al onze ontrouw. Maar daar hoort dan wel bij dat we naar God luisteren. Daarom bond God IsraŽl op het hart: 'Dien Mij zoals Ik dat wil en hou het heidendom op een afstand.'

11 september: Exodus 34:18-35
Net alsof er niks gebeurd is geeft God allerlei voorschriften betreffende het paasfeest, pinksterfeest en loofhuttenfeest. Door die feesten werd IsraŽl erbij bepaald dat ze helemaal afhankelijk waren van God, in de natuur ťn in hun geschiedenis. Bekend is het verbod: 'Geen bokje koken in de melk van z'n moeder' (vs.26): IsraŽl mocht geen magische praktijken toepassen om de vruchtbaarheid te garanderen; ze moesten hun vertrouwen stellen in God. En Hij is een glorieuze God, zoals telkens bleek als Mozes met God had gesproken, want dan glom zijn gezicht zo sterk van Gods glorie dat hij het voor de IsraŽlieten moest verbergen. Kun je nagaan, zei Paulus later, hoe glorieus het niťuwe verbond is dat Christus heeft gebracht, 2Kor.3:7-8.

12 september: Psalm 26
Vaak hebben we moeite met de taal van Ps.26, waarin de dichter de lof zingt op z'n onschuld. Want dat kun je als gelovige toch nooit zeggen: 'Ik was m'n handen in onschuld'? (vs.6) Heeft de dichter wel voldoende zondebesef? Ik denk dat er iets anders aan de hand is. De dichter zegt niet dat hij volmaakt is of zondeloos. Hij vertelt wat de hoofdrichting is van z'n leven: hij is geen zondaar in de zin van vs.9-10 of Ps.1:1, maar hij leeft gericht op God - natuurlijk, met alle gebreken van dien. In nieuwtestamentische taal gezegd: hij verklaart dat hij een nieuwe schepping is, dat Christus in hem leeft, dat de Geest in hem woont. Als dat zo is, mag je dat toch zeggen? Al weet je dat de zonde nog altijd invloed op je heeft, je mag toch enthousiast verwoorden: 'Leven is voor mij Christus.'

13 september: Exodus 35:1-29
Weer wordt herinnerd aan het sabbatsgebod: het houden van de sabbat was nu eenmaal het teken dat IsraŽl bij God hoorde. Dan volgt hoe IsraŽl z'n bijdragen voor de bouw van de tabernakel in natura leverde. Het is mooi dat dit ruimhartige hoofdstuk volgt op de zonde met het gouden kalf: IsraŽl is blijkbaar tot inkeer gekomen; vandaar het herhaalde gebruik van het woord 'hart': vs.5,21,22,26,29. Wat dat betreft is er niks veranderd: ook nu is de 'vaste vrijwillige bijdrage' een soort toetssteen voor wat in ons hart voor God leeft. Wie z'n giroboekje angstvallig gesloten houdt, heeft kennelijk nog niks begrepen van Gods royaliteit aan ons.

14 september: Exodus 35:30-36:7
In Ex.35-40 wordt verteld hoe Mozes heeft uitgevoerd wat God hem op de SinaÔ heeft opgedragen. Hij begint met de aanstelling van BesaleŽl en Oholiab: ambachtsmannen/kunstenaars bij de gratie van Gods Geest. Wij verbinden Gods Geest vaak alleen met ons geloof, maar de Geest heeft kennelijk ook te maken met onze vaardigheden. Natuurlijk, die worden bepaald door wat onze menselijke geest aan mogelijkheden heeft, maar dwars daar doorheen werkt Gods Geest, zoals Gods Geest ook inwerkt op de natuur, zie Ps.104:30. Beide mannen beschikten dus over Geest-elijke vakbekwaamheid. Voor God is alleen het beste goed genoeg. Leerzaam voor ons, bijv. als wij het hebben over liturgische veranderingen: we kunnen niet volstaan met goede bedoelingen; er moet kwaliteit zijn en vakbekwaamheid.

15 september: Exodus 36:8-38
Als ongeduldige westerse lezers snappen we niet waarom de ůpdracht om de tabernakel te bouwen (zie Ex.26:1-37) nu letterlijk herhaald wordt om de ķitvoering te vertellen. Eťn keer gedetailleerd vertellen is toch genoeg? Dat past inderdaad bij onze no-nonsense-stijl: alles schrappen wat informatief overbodig is. Verplaatsen we ons in die tijd, dan wordt toch iets waardevols duidelijk: het enthousiasme van de toenmalige gelovige over het ongekende feit dat de glorieuze God bij hen wilde wonen. Daarbij past dat melding gemaakt wordt van de rijkdom aan materiaal. En dan te bedenken dat dit alles nog maar een schaduw was van het glorieuze van onze tijd. God is ons immers veel dichter genaderd: zijn Geest woont in ons.

16 september: Exodus 37
Eerst komt hťt 'meubel' van het allerheiligste aan de orde: de ark. Op de cherubs van de ark troonde in zekere zin God (1Sam.4:4). Op het deksel ervan werd jaarlijks op de grote verzoendag bloed gesprenkeld. Een uitermate belangrijk voorwerp dus, waarom de metalen delen allemaal van goud waren. Voor het heilige werden drie meubels gemaakt: de tafel, waarop broden lagen, als erkenning dat ons eten van God komt; de kandelaar, die dag en nacht brandde, als symbool van Gods volk dat licht in de duisternis moet zijn; het reukofferaltaar, waarop reukwerk geofferd werd, als symbool van IsraŽls gebeden. Al deze voorwerpen ontbreken bij ons, maar de zaak die zij aangeven is gebleven: dat we verzoening nodig hebben, dat we onze afhankelijkheid van God moeten erkennen, dat we uitstraling moeten hebben in onze omgeving en dat ons gebed wezenlijk is voor onze verhouding tot God.

17 september: Exodus 38
In de voorhof van de tabernakel kwam het brandofferaltaar, minder dicht bij het allerheiligste, waarom het metaal daaraan van koper was. Hierop werden de verschillende soorten offers gebracht, o.a. van verzoening, dankbaarheid en toewijding. Door Christus is er geen verzoenend offer meer nodig, maar wel hebben we nog altijd de taak in ons leven offers van dankbaarheid en toewijding te brengen. Belangrijk was ook het wasvat en natuurlijk de voorhof zelf. Het hele project kostte een vermogen, maar dat is niet erg: wie aan de kerk weggeeft, geeft uiteindelijk van z'n geld terug aan Hem die ons dat geld gegeven heeft. Als je dat beseft, is weggeven geen probleem meer en zelfs logisch (zie 1Kron.29:14).

18 september: Exodus 39:1-31
Uitgebreid wordt de vervaardiging van de kleding voor de hogepriester beschreven. Hem wordt schitterende kleding aangemeten, passend bij de glorie van God voor wie hij verschijnt. Allerlei details maken duidelijk dat we te maken hebben met een heilig God, voor wie je niet zomaar kunt verschijnen, toen zelfs de hogepriester niet. Een opmerkelijk detail is dat alle priesters een broek moesten dragen: een ongebruikelijk kledingstuk voor de jurkdragende mensen van toen. De verklaring daarvoor kunnen we afleiden uit Ex.24:26: God wilde per se voorkomen dat de dienst aan Hem vermengd zou worden met seksuele wantoestanden, zoals toen heel gebruikelijk was. Heiligheid was dan ook het kernwoord voor de priesters, is dat trouwens ook voor ons als christelijke priesters.

19 september: Exodus 39:32-40:16
Toen alles klaar was, hield Mozes inspectie. Daarna gaf God Mozes de opdracht het project af te ronden: hij moest de tabernakel met toebehoren in elkaar zetten en de priesters van hun kleding voorzien. Opvallend is elke keer weer hoe nauwgezet Mozes van God te werk moest gaan. Het komt in de dienst van God heel precies. Natuurlijk, we hoeven niet krampachtig met God om te gaan: zijn vergevende liefde is heel royaal. Maar dat geeft ons geen vrijheid nonchalant te zijn in Gods dienst. We moeten juist heel respectvol met Gods opdrachten omgaan, in het besef dat Hij geen maatje van ons is (al is Hij onze Vader) maar onze hoogverheven Heer.

20 september: Exodus 40:17-38
Toen Mozes de tabernakel overeenkomstig Gods opdracht in elkaar gezet had, gebeurde er iets bijzonders (wat later weer gebeurd is toen Salomo de tempel had voltooid, 1Kon.8:10-11): Gods glorie vervulde het heiligdom - al was die glorie wel omhuld door een wolk, om het kijken daarnaar door gewone mensen haalbaar te maken. Deze verschijning van Gods (gedempte) glorie was een teken dat God onder zijn volk was komen wonen, tronend op de cherubs van de ark. Dat moet een hele ervaring zijn geweest voor de toekijkende IsraŽlieten. Toch zijn wij er niet op achteruit gegaan. God is nog altijd in ons midden, nu door de Heilige Geest die in ons woont. Verder is de falende priesterdienst in het aardse heiligdom vervangen door Christus' volmaakte dienst in het hemelse heiligdom.

21 september: Psalm 27:1-6
De dichter wordt door vijanden bedreigd, iets wat David vaak is overkomen; denk maar aan het optreden van Saul of van z'n eigen zoon Absalom. Zo'n situatie kan je zomaar gedeprimeerd maken. In veel psalmen schreeuwt de dichter het dan ook uit. Maar in dit geval reageert David in eerste instantie anders. Hij uit zijn enthousiasme over God: 'mijn licht, mijn heil!' Hoe waar dit is, heeft hij eerder al ervaren. Daarom is hij ook voor de toekomst vol vertrouwen op God. Hij hunkert naar Gods nabijheid, zijn vergevende liefde in het heiligdom. Daar weet hij zich geborgen bij God.

22 september: Psalm 27:7-14
In het tweede deel van de psalm laat David merken dat vertrouwen in God niet altijd even makkelijk gaat. De feiten kunnen soms zo onthutsend zijn dat het net lijkt alsof God 'zijn aangezicht verbergt' (vs.9), zijn kind in de steek laat. 'Wijs mij toch niet af', smeekt hij dan ook. Maar meteen wint zijn vertrouwen het weer: 'toch neemt de Here mij aan.' Maar hij beseft het: Gods sturing van z'n leven, Gods bescherming kan hij niet missen (vs.11). Dat is telkens het mooie van de psalmen: ze lopen soms over van bewondering voor God, maar ze laten tegelijk merken dat de situatie van Gods kinderen soms uitermate zwaar kan zijn. Maar hoe hij zich ook voelt, telkens betrekt hij God erbij. Die is zijn houvast en daarom eindigt hij met de oproep: 'Wacht op de Here, zie uit naar Hem!'

C. van der Leest, Groningen-Oost

23 september: Leviticus 1
Bij de offers in het Oude Testament denken we al gauw aan het offer door Christus: alleen zijn bloed geeft echt verzoening van je schuld bij God. Maar al die offers hebben ons veel meer te vertellen. Ik zal proberen eerst een overzicht te geven van de verschillende soorten offers, en het is misschien wel aardig als je probeert om dit overzicht uit je hoofd te leren. De dierenoffers vallen in drie hoofdgroepen uiteen: 1. De schuldoffers of zondoffers. De kern daarvan is: door het bloed van het offer mag je vrijuit gaan voor God. 2. De brandoffers: 3. De vredeoffers, oftewel de viering van de heilige maaltijd. 4. Dan heb je daarnaast nog de offers waarbij geen bloed vloeit: spijs- en drank offers.
Vandaag gaat het over de brandoffers. Het typerende van het brandoffer is dat al het vlees in vuur opgaat voor God. Het is een symbool van de complete toewijding van je leven aan God. Vraag aan ons: willen we ons echt helemŠŠl aan God geven of houden we een stuk achter voor onszelf?

24 september: Leviticus 2
Vandaag de meeloffers, of iets ouderwetser gezegd: spijsoffers. Zo'n offer is symbool voor ons dagelijks eten, zeg maar je boterhammen. Op wat voor manier je ook je dagelijkse koeken bakte, je kon er altijd een stuk van teruggeven aan de Here. Daarmee erken je je afhankelijkheid van Hem. Wij doen dat door voor ons eten te danken. Die dankbaarheid en aanbidding voegde de IsraŽliet toe door er wierook bij te doen. Let er op dat de wierook altijd helemaal voor de Here bestemd was, ook als een deel van de koeken verder naar de priester toe ging. De wierook van aanbidding is alleen voor God. Het offer van het dagelijks eten mocht ook nooit ongezouten zijn: het zout herinnerde aan het altijd durende verbond. Je dagelijkse leven moet doortrokken zijn van het verbond met God. Vraagje: hoe zit dit zout in jouw dagelijks leven? En ruikt God de wierook van jouw aanbidding in je leven?

25 september: Leviticus 3
Nu de offers voor de heilige maaltijd, of de vredeoffers. Typerend voor deze vredeoffers is dat je een groot deel zelf mag opeten, met je familie en vrienden: een feestelijke barbecue in de nabijheid van de Here God. Maar het is opmerkelijk dat juist dit speciale van die heilige offermaaltijd in Leviticus 3 helemaal niet aan de orde komt. Alle nadruk valt er op (of je nu een stier, een schaap of een geit offert en deels zelf opeet) dat je in elk geval het vet nŪet zelf op eet. Ook het bloed mag je niet zelf nuttigen. Bloed is voor verzoening van je zonden. En het vet, waarom mocht men dat niet eten? Nee, dat was niet uit gezondheidsoverwegingen (tegen een te hoog cholesterolgehalte) , of omdat men dat vet toch niet lustte. Integendeel, vet gold juist als lekkernij! En de boodschap van Leviticus 3 is dus: ook bij een feestelijke en gezellige maaltijd met z'n allen samen moet je niet vergeten dat je het mooiste aan de Here geeft. Ook bij de barbecue staat Hij in het middelpunt!

26 september: Leviticus 4:1-21
Het zondeoffer is bestemd voor verzoening van onopzettelijke of ongewilde zonden. Waar denk je dan aan? Je zult in het Oude Testament wel vooral kunnen denken aan rituele onreinheid, zoals dat later in Leviticus 11-15 wordt uitgewerkt. Een vrouw werd onrein door haar ongesteldheid of als ze een kind kreeg. Een man door een zaadlozing. Je werd onrein als je (ook als het per ongeluk was) met een dood dier in aanraking kwam, of als je huiduitslag kreeg. Het gaat dus om een schuld die je als het ware toevallig oploopt, waar je ongewild en per ongeluk mee besmet raakt. Het zondeoffer maakt ons duidelijk dat we in de omgang met God ons er niet uitredden met de opmerking: 'foutje, bedankt'. We gaan met een heilige God om.
We hebben vergeving en verzoening nodig voor alle fouten, ook voor de toevallige, die we per ongeluk maken. Gelukkig is die vergeving er dan ook, dankzij Christus en zijn Heilige Geest.

27 september: Leviticus 4:22-35
Nog even een vervolg op de zondeoffers. Gisteren ging het er om dat een hogepriester of het hele volk collectief zondigde. Nu gaat het om bepalingen voor het geval een vooraanstaand persoon of een gewone meneer of mevrouw onopzettelijk zondigde. Hoe hoger je positie en je verantwoordelijkheid, des te noodzakelijker om er werk van te maken. In de eerste gevallen (van gisteren) moest het offer een groter dier zijn (een stier), maar ook moest het resterende vlees buiten de legerplaats verbrand worden: niet omdat het onrein was, maar omdat het deel was van een offer dat zů dicht bij God gekomen was (tot voor het voorhangsel) dat het niet meer door gewone mensenhanden aangeraakt mocht worden. Daarom moest Christus ook buiten de stad gekruisigd worden als zondeoffer voor al onze zonden! In de bepalingen van vandaag ontbreekt die verplichting tot verbranding buiten. Bij zonden van een vooraanstaand of gewoon iemand, moest het resterende vlees niet verbrand worden, maar het was wel allerheiligst, dat wil zeggen: het mocht door de priesterlijke familie alleen in de onmiddellijke nabijheid van de tabernakel genuttigd worden (Leviticus 6:17-23).

28 september: Leviticus 5:1-13
Leviticus 5 gaat nog even door op het zondeoffer, om te beginnen worden wat voorbeelden gegeven van zonden waarvoor zo'n offer gebracht moet worden. Vervolgens wordt uitgewerkt dat het offer naar draagkracht gebracht moet worden. Kun je het je permitteren, dan breng je een schaap of geit als boetedoening, maar anders is een tweetal duiven ook goed genoeg. Desnoods kun je volstaan met een paar kilo meel. Natuurlijk moet er dan geen wierook bij, of olie. Zo feestelijk is het niet als er voor je zonden geboet moet worden. Let er ook op dat van de twee duiven, de ene een zondeoffer is, de andere een brandoffer: bij vergeving gaat het nooit alleen om het afkopen van je schuld, het gaat erom dat je weer volkomen toegewijd met God verder wilt leven, vandaar het brandoffer, dat immers symbool was van de volkomen toewijding.

29 september: Leviticus 5:14-26ļ
In dit hoofdstuk krijgen we te maken met een variant op het zondeoffer: het boeteoffer, of het schuldoffer. Het is vooral bedoeld voor situaties waarin je je aan het eigendom van God of van je naaste hebt vergrepen. Krijg je er spijt van, dan moet je uiteraard alsnog teruggeven waar je naaste en waar God recht op had. Maar dat niet alleen. Als blijk van je oprechte berouw moet je ook 20% extra geven. En opvallend vind ik: als je je naaste bedrogen hebt en het goed wilt maken, moet je ook Gůd een vergoeding geven. Wie zijn naaste pakt, bedriegt ook God.

30 september: Psalm 28
Een haast stereotype psalm met alle gebruikelijk onderdelen van dien: grote nood, die leidt tot grote vrijmoedigheid in het gebed, de vijanden die het goed gaat en over wie het oordeel wordt afgebeden, een omslag die al biddend plaatsvindt: in plaats van de grote nood gaat de zekerheid van de verhoring de overhand nemen. Misschien staat deze psalm wat ver bij ons vandaan, in ons land en onze tijd. Maar als je als christen in bv Turkmenistan of China zou leven, hoe zou je dan deze psalm lezen en bidden?

J.W. Roosenbrand, Groningen-Oost