Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-1, oktober
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 oktober: Leviticus 6:1-23ļ
In Leviticus 1-5 ging het over brandoffers, meeloffers, vredeoffers, zonde- en schuldoffers (kent u de verschillen nog?). Nu gaat het in de volgende hoofdstukken nog eens over diezelfde offers. Het verschil is dat deze keer speciaal het aandeel en de verantwoordelijkheid van de priesters rond die offers wordt uitgewerkt. Van de brandoffers krijgen ze niks: die zijn immers helemaal voor God. Het vuur van het brandofferaltaar moet altijd blijven branden: onze toewijding aan God moet fulltime zijn. Van het meeloffer krijgt de priesterlijke familie een groot deel om zelf op te eten. Ze moeten vervolgens ook zelf meeloffers brengen aan God, ook zij zijn immers afhankelijk van Gods zorg. Ook van het zondeoffer krijgen ze een gedeelte, tenminste als het een offer is waarvan het bloed niet tegen het voorhangsel gesprenkeld is. In dat laatste geval moest het restant van het offer namelijk verbrand worden buiten de legerplaats, het was zo heilig dat geen mens het meer mocht aanraken. Was het bloed niet in de tabernakel geweest, ook dan moest het restant van het offer zeer omzichtig behandeld worden: het mocht alleen in de tabernakel zelf gegeten worden, door mannelijke leden van de priesterlijke familie. We hebben een Heilige God!

2 oktober: Leviticus 7:1-21
Terloops blijkt dat zelfs van het brandoffer dat in zijn geheel verbrand moest worden, toch de huid als inkomen voor de priester gold. Er zullen vast heel wat priesterlijke leerlooiers via de tabernakeldienst emplooi gevonden hebben. In dit hoofdstuk verder nog aanvullende gegevens over het vredeoffer, oftewel de heilige barbecue. Let er op dat de regels bij het vredeoffers vergeleken met die van de andere offers tamelijk ruimhartig zijn: het vlees hoefde ook niet op dezelfde dag gegeten te worden, maar deels mocht het restant de volgende dag genuttigd worden. En er mocht bijvoorbeeld zelfs gegist brood bij geofferd worden. Dat is lekkerder, en het ging bij dat offer immers om de vreugde en gezelligheid!

3 oktober: Leviticus 7:22-38
Wat de priesters ook als aandeel kregen, vet en bloed bleef exclusief voor de Here.
Van de vredeoffers, kregen de priesters altijd de rechterachterpoot en het borststuk.
In vers 37 staat een onregelmatigheidje: in de opsomming van offers die behandeld zijn staat ook het wijdingsoffer dat echter nog niet besproken is, dat komt pas in het volgende hoofdstuk.
Hebt u trouwens zelf inmiddels een beeld van de veelsoortigheid van de offers? Brandoffers als teken van toewijding, meeloffers vanwege de dagelijkse afhankelijkheid, zondeoffer voor ongewilde zonden, het boeteoffer voor financiŽle vergrijpen, het wijdingsoffer voor de priesterwijding, de heilige offermaaltijd om te vieren hoe goed het is om bij de Here en bij elkaar te horen.

4 oktober: Leviticus 8
Bij de inwijding van de priesters komen alle offers aan de orde. Allereerst het zondeoffer: wie verzoening doen, moeten zelf verzoend zijn met God. Dan het brandoffer: hun persoonlijke leven moet op God gericht zijn. Vervolgens het wijdingsoffer; in hun functie worden ze aan God toegewijd en ontvangen ze de belofte van zijn bijstand. Tenslotte mogen ze de gemeenschap met God en elkaar vieren door het eten van de offermaaltijd. Een spannende gebeurtenis: gewone mensen mogen in dienst van de Heilige staan en de verzoening uitdelen. Ze moeten daarvoor zelf goed luŪsteren (vandaar het bloed van het verbond op hun rechteroorlel), zelf důen wat God vraagt (de rechterduim) en zelf op Gods weg gŠŠn (de rechterteen).

5 oktober: Leviticus 9
Bij het eerste optreden van Ašron als hogepriester worden de gebruikelijke offers gebracht: een zondeoffer ter verzoening, een brandoffer als teken van toewijding, een vredeoffer om het samenzijn te vieren, en niet te vergeten ook een meeloffer als blijk van afhankelijkheid in het dagelijks bestaan.
Dit hoofdstuk is vol van het evangelie van Christus. Na het offer daalt de zegen neer op Gods volk: je ziet hier Christus al, die na zijn offer zegenend de discipelen verlaat. De priester mag binnen gaan in de tempel: zo gaat Christus de echte Tempel binnen, de hemel zelf. De wolk die dan verschijnt is Gods heerlijke aanwezigheid, die wij op Pinksteren begonnen te ervaren toen Gods Geest werd uitgestort. De bliksem die achter Mozes en Ašron aan schiet vanuit Gods hemel, doet me denken aan de wederkomst, als Gods oordeel komt. Gelukkig verteert deze bliksem niet Mozes of Ašron of het volk maar het offer.

6 oktober: Leviticus 10
Wat een vreselijke klap voor Ašron: op dezelfde dag dat hij zo heerlijk de aanwezigheid van Gods genade voelde, verliest hij twee van zijn zoons. God laat op een indrukwekkende manier merken dat Hij in het middelpunt staat in zijn heiligheid: geen vreemd vuur bij zijn altaar. Om diezelfde reden komt nu ook de bepaling dat dienstdoende priesters geen alcohol mogen gebruiken: ze moeten een scherp onderscheidingsvermogen houden. Begrijpelijk dat Mozes zich opwindt over een andere afwijking van de precieze voorschriften rond het eten van offervlees. Maar Ašron heeft een goede reden: op zo'n treurige dag kon hij zich toch niet tegoed doen aan een maaltijd?

J.W. Roosenbrand, Groningen-Oost

7 oktober: Leviticus 11:1-28
God leerde Zijn volk via deze eet-wetten dat ze apart stonden. Waarom was nu het ene dier wel rein en het andere niet? Dat was om verschillende redenen. Bij de vogels komt heel duidelijk naar voren dat God de dieren die met de dood te maken hebben onrein vindt. We lazen o.a. dat de lammergier onrein is. De gier is de vogel die zweeft waar de dood isÖ Door het verbod zulke 'doods-dieren' te eten, leert de HERE zijn volk dat zij aan de kant van het leven staan. Hij heeft hen uit Egypte bevrijd. Ze zijn anders: een heilig volk - van God en voor God.

8 oktober: Leviticus 11:29-47
God geeft IsraŽl reinheidswetten om IsraŽl apart te zetten. Door de keus voor Abraham had God laten zien dat Hij met ťťn volk verder wilde gaan (Gen.12). Met de komst van Christus komt er een einde aan IsraŽls apartheid. Daarom verdwijnt ook de wet van de apartheid zoals God aan Petrus leert (zie Handelingen 10). We kunnen weer alles eten - dankzij Christus. Laten we danken.

9 oktober: Leviticus 12
God voedde Zijn volk op. De reinheidswetten gelden als pedagogische maatregelen. Men mocht geen onreine dieren eten om te beseffen dat men aan de kant van het leven stond. Een kraamvrouw die bloed verliest, verkeert in de sfeer van de dood. Zij moest een offer brengen voor haar en haar kind. Maria offerde ook voor Jezus, hoewel Hij onschuldig was (Lucas 2 vers 22 'hun' reiniging): Hij is geteld onder een schuldig volkÖom onze schuld te dragen.

10 oktober: Psalm 29
De Germanen hadden diep ontzag voor de donder. Ze zagen de donder als god (Donar). In Kanašn heette de god van de donder Bašl-Hadad. In deze psalm komt vaak de naam van God naar voren: Jahweh. Hij is niet de God die in de natuur is, maar de God die erboven staat. Zijn stem is de donder, Hij is Zelf veel groter. Je kunt Hem vertrouwen. Kent u dat vertrouwen? Hoe veilig voelt u zich?

11 oktober: Leviticus 13:1-28
Deze wetten zijn Gods opvoedingsmaatregelen om Zijn peuter (het pas bevrijde volk) aan Zijn hand te leren lopen. In hoofdstuk 11 en 12 liet God zien dat verlossing bevrijding betekent uit de dood, die het gevolg is van de zonde. In deze hoofdstukken is de melaatsheid symbool van de macht van de zonde die ons aantast. Die melaatsheid is een huidziekte ( in zware vorm: lepra) die de mens aantast. Waar zijn wij niet bedorven door de zonde?

12 oktober: Leviticus 13:29-59
De zonde bederft niet alleen de mens, maar ook de wereld. Melaatsheid kon ook kleding of huis (hoofdstuk 14) aantasten. Het bederf is overal. De zonde verziekt alles. Ook na de verlossing uit Egypte is het bederf nog niet weg. 'Ik ellendig mens - wie zal mij verlossen uit het bederf van de zonde?'. Gods wet nam Gods volk aan de hand - naar Christus.

13 oktober: Leviticus 14:1-32
Jezus raakte een melaatse aan, terwijl alle mensen scheldend achteruitsprongen (Mt.8:1-4). Hij neemt ons bederf over. De man wordt genezen. Jezus stuurt hem naar de priester om aan IsraŽl te laten zien dat er genezing is gekomen van God door Hem. Maar IsraŽls priesters gingen langs Christus heen. Ze rukten zich a.h.w. los en gingen niet de weg van de wet naar Christus, maar de weg van de werken naarÖtja, waar loopt dat op uit?

14 oktober: Leviticus 14:32-54
Ook in het land van de belofte kan je huis bedorven raken. Dat maakte je onrein. En het erge was dat je dan niet meer in Gods huis mocht komen. Dat is Gods les: de zonde vervreemdt Mij van jou. Pas na reiniging en offer mocht je weer bij God komen. Voor een bedorven mens is er maar ťťn weg naar God: via Christus' reinigend bloed naar de troon van de genade.

15 oktober: Leviticus 15
In deze wetten leerde de HERE Zijn kind IsraŽl dat Hij een afkeer van de dood had. Hij liet ze ook voelen hoe diep het bederf van de zonde zat.
In dit hoofdstuk leert God zijn volk hygiŽnisch te leven. Tegelijk leerde God zijn volk in dit hoofdstuk al hun kracht bij Hem te zoeken. Bloedvloeiing en zaadlozing betekent verlies van leven. Door herstel van de band met God ( via het offer) is er herstel van levenÖ

16 oktober: Leviticus 16
Er werd op de Grote Verzoendag geloot tussen twee bokken. Bij die ene bok blijkt hoe sterk de zonde is: zelfs het heiligdom moest worden schoongemaakt. Bij de tweede bok blijkt dat de zonde weggedragen wordt - de woestijn in. En dan? Dan begint de ellende opnieuw. Offers brengen en na een jaar weer dat hele ritueel. De kracht van de zonde werd niet gebroken.. Dit te lezen leert ons vragen naar Hem die de kracht van de zonde wel kan breken. Christus is een volkomen Redder - hoe beleeft u Hem?

17 oktober: Leviticus 17
In het beloofde land geeft God allerlei middelen tot verzoening. Dat is het bijzondere van Gods werk: Hij verlost Zijn volk en geeft allerlei middelen om als zondige mensen toch in Zijn genezende aanwezigheid te leven. Hij gaf ons niet alleen Christus, maar bewaart ons in die liefde door middel van Zijn kerk. Dit hoofdstuk is een waarschuwing om niet te trots te zijn en je te verheffen boven de middelen die God ons gaf om in de vrede van de verzoening met Hem te blijvenÖde kerk heb je nodig.

18 oktober: Leviticus 18
IsraŽl moest anders leven dan men deed in Kanašn, waarheen ze op reis zijn. Daar had men door de godsdienst een walgelijk seksueel leven - zelfs paren met de beesten. Men geloofde dat Bašl dat ook had gedaan. Maar de HERE walgt en gruwt er van. Die hele afgodendienst is een zwijnenstal waar zelfs het verschil tussen mens en dier niet meer gerespecteerd wordt. In de heiliging van het leven roept de Schepper ons terug naar Zijn goede bedoelingen. En die zijn?

19 oktober: Leviticus 19
In hoofdstuk 19 van Leviticus vinden we veel praktische aanwijzingen voor het leven in de heiliging. Dit hoofdstuk begint met respect voor vader en moeder. De mens leert tegenover moeder als eerste - zie vers 3 - een houding aan te nemen en dat wordt beslissend voor de rest van zijn leven. Gelovige ouderen en ouders hebben een schat aan wijsheid opgedaan in het wandelen met God. Hoe vindt u, jij de houding in onze tijd tegenover ouderen - in de wereld, en in de kerk?

20 oktober: Psalm 30
Welke benen kunnen weelde dragen? David dacht dat hij het gemaakt had. Maar toen greep God in. David werd doodziek... Dat deed hem weer aan God denken. David beleefde zijn ziekte als een teken van Gods afwezigheid. God hielp hem niet meer, omdat hij dacht het zonder Hem te kunnen. Dat brengt David in de rouw ( zie vs.12). Mist u de Here wel eens? Vindt u ook dat het bitterder is dan de dood om te merken dat Hij zijn gezicht voor je verbergt (Dordtse Leerregels) ?

H.Drost, Haren

21 oktober: Leviticus 20
In dit hoofdstuk komen we ten hemel schreiende zonden tegen. Kinderoffers. Maar ook het oproepen van geesten. Wie zich eraan schuldig maakt moet uitgeroeid worden uit Gods volk. Zo wordt uitbreiding van zonde voorkomen. Eenzelfde straf treft overspelige echtgenoten, mannen die homoseksueel verkeer hebben, incest-plegers of mensen die hun lust beleven in omgang met dieren. De motivering is dat de Here, die heilig is, hen naar een goed land brengt, om rein voor Hem te leven. Leven wij -gewassen en geheiligd door de Naam van de Here Jezus en door de Geest van onze God (1 KorintiŽrs 6 vers 11)- als afgezonderd voor God, zonder losbandigheid? 22 oktober: Leviticus 21
In dit hoofdstuk springt eruit dat God geen geschondenheid kan zien. Zo heeft Hij het namelijk nooit gewild, toen Hij de kroon op de schepping zette, in de mens. Als priesters een gebrek zouden hebben, waren ze daarmee arbeidsongeschikt. In de tempeldienst moest het paradijselijk zijn, zonder herinnering aan zonde. Jezus maakte door zijn volmaakte offer (vergelijk HebreeŽn 9 en 10) een einde aan deze schaduwachtige bepalingen. Door zijn smetteloos offer zijn we geheiligd om God te dienen. Zien wij gehandicapten ook nodeloos over het hoofd, als de taken in de kerk worden verdeeld?

23 oktober: Leviticus 22
Kent u Ananias en Saffira? Ze gaven God een behoorlijk geldbedrag, na de verkoop van een stuk land. In Handelingen 5 staat het opgeschreven. Toch loopt het slecht met hen af, want hun offer was volgens Petrus een leugen voor mensen en voor God. In Leviticus 22 komen we al tegen dat God geen plezier heeft aan offers die gebreken vertonen. De dienst aan de HERE vraagt om oprechtheid! Je kunt God blij maken als je Hem je gaven aanbiedt, als blijk van dankbaarheid voor Christus' onberispelijke offer waardoor Hij je verloste.

24 oktober: Leviticus 23
Hoe zal het voor IsraŽl geweest zijn om altijd rekening te moeten houden met de vele bepalingen van de MozaÔsche Wet? Het is een voorrecht te leven onder de genade van Jezus in plaats van onder de Wet van Mozes! En dan de levensomstandigheden waaronder de IsraŽlieten verkeerden: Honger, dorst en moeilijke relaties, het waren voor hen bekende dingen! Op de feestdagen wil God hen uittillen boven de dagelijkse beslommeringen. Net als wij werden ze dan extra bepaald bij Gods liefde en genade in de (komende) Christus. Zoals wij ons in het bijzonder op de dag van de Here verwonderen over Gods werk in de (gekomen) Christus. 's Zondags in de samenkomsten op adem komen, bij Woord en lied, kent u dat?

25 oktober: Leviticus 24
In Leviticus 24 lezen we over een jongeman die de naam van God lastert. Hij laat tijdens een ruzie merken dat Hij niets om de Here God geeft. Hij komt daar ook voor uit. Het kan zijn dat er verband ligt tussen deze gebeurtenis en het feit dat zijn vader een Egyptenaar is. Hoe dan ook, hij wordt erom gestenigd. Mozes zegt nadrukkelijk dat zowel een vreemdeling als een IsraŽliet deze straf bij godslastering verdient. Wij bidden niet voor niets Uw Naam worde geheiligd. In benarde situaties kan je zomaar overkomen wat Petrus overkwam: je loochent dat God iets voor je betekent. Jezus zelf heeft Gods Naam wel altijd erkent. "Dank U Vader, dat zijn gehoorzaamheid mij wordt toegerekend!"

26 oktober: Leviticus 25:1-28
We lezen van de instelling van het sabbatsjaar. Eens in de zeven jaar moet het land een jaar braak liggen. Het land krijgt rust, als er niet wordt gezaaid en geoogst. Het volk leert zo op God te vertrouwen, als je alleen maar beschikt over wat er spontaan groeit en uit wat voorradig is. Uit 2 Kronieken 36 vers 21 blijkt dat IsraŽl het moeilijk vond zich aan deze voorschriften te houden. Hetzelfde kan gezegd worden van het jubeljaar. De mens houdt het graag zelf in de hand. Maar ook vandaag geldt: Wie niet van genade alleen leeft, kiest voor 'vrijwillige armoede': hij/zij doet afbreuk aan de ware vreugde van hťt jubeljaar, dat met Jezus' komst is aangebroken.

27 oktober: Leviticus 25:29-55
Het jubeljaar was ervoor om scheefgegroeide situaties weer recht te trekken. Dat kwam de zwakkeren in de samenleving ten goede. Maar God geeft in dit hoofdstuk meer voorschriften die de ene mens tegen de andere moeten beschermen. Aan een broeder mocht geen rente worden gevraagd bijvoorbeeld. De strekking is dat je moet kunnen helpen zonder er zelf beter van te worden. Dat gewin kan trouwens, als je hulp geeft, ook uit macht bestaan. Soms denken mensen die hulp bieden, dat ze het daarmee ook wel min of meer over de ander te zeggen krijgen. Laten wij een voorbeeld nemen aan de Here Christus, die hoewel Hij eigendomsrecht over ons kreeg, ons niet op dwingende wijze maar 'zachtkens' leidt, namelijk door Zijn Geest!

28 oktober: Leviticus 26:1-22
In Klaagliederen 2 vers 17 zie je dat op Gods zware woorden uit Leviticus 26 wordt terug gegrepen. IsraŽl is lang gewaarschuwd maar door de schuld van het volk "verkwijnt het leven" in Babel. Waarom? De Here wil graag het goede voor zijn volk. Het liefst geeft Hij hen zijn zegen. Maar Hij neemt zijn eigen Woord ook serieus. Tot vandaag toe. Zie je dat in concrete gebeurtenissen van oordeel en zegen? God kan de vergelding ook uitstellen, tijdelijk en zelfs tot in de eeuwigheid. Ga dus niet lichtzinnig om met Gods woorden van zegen en vloek. Hij vergeeft veelvuldig (Jesaja 55 vers 7) maar wel, opdat wij Hem zouden vrezen. Gods geduld heeft een grens.

29 oktober: Leviticus 26:23-46
"Zelfs wanneer zij in het land hunner vijanden zijn, versmaad Ik hen niet en heb Ik geen afkeer van hen, zodat Ik hen zou vernietigen en mijn verbond met hen verbreken; want Ik ben de HERE, hun God." Gods woorden uit vers 44 banen de weg voor herstel. God zal zijn verbond niet verbreken. Gods trouw aan zijn verbond geeft moed, wat er ook met Gods volk op aarde gebeurt. Het vormt de pleitgrond voor Gods kinderen in nood. Vergelijk het gebed dat DaniŽl aan het einde van de ballingschap opzendt (DaniŽl 9) en ook het smeekgebed van Nehemia in hoofdstuk 1 van het gelijknamige boek.

30 oktober: Psalm 31:1-17
Hoe vaak verkeren we in nood, zijn we in het nauw? Wat doen we dan? Hoe proberen we er uit te komen? Als een kat in het nauw is, maakt zij rare sprongen, luidt het gezegde. Dat geldt ook voor Gods kinderen. Denk aan David toen hij zich in de stad Gat bij de Filistijnse stadsvorst Achiz als een waanzinnige gedroeg (1 SamuŽl 21:10-15). Psalm 31 laat echter zien, dat wij in alle nood bij God terecht kunnen. Wie zich op Gods reddende gerechtigheid in Christus verlaat (vers 2) hoeft nooit de moed te verliezen: God zal mij verlossen, vers 6. Onze Here Jezus met zijn verzoenend lijden en sterven staat daarvoor borg. Hij beveiligt je ziel en geeft je niet prijs aan je vijanden. Al moet je bekennen, dat vanwege je zonden je krachten vergaan (vers 11).

31 oktober: Psalm 31:18-25
Hervormingsdag: door Gods genade alleen, door geloof alleen, door Gods Woord alleen. David getuigt van zijn Godsvertrouwen. In zijn nood doet hij geen beroep op zijn werken, maar alleen op Gods goedertierenheid (vers 17). Hij tekent hoe groot de nood kan zijn, waarin Gods kinderen terecht kunnen komen. Ze kunnen zo in het nauw komen, dat ze in hun angst denken in de hel terecht te zullen komen (vers 23). Ook Jona heeft er weet van. Hij geeft in het dankgebed, dat hij vanuit de buik van de vis opzendt, achteraf weer wat er in het vreselijke moment in hem omging toen hij in de diepte van zee neerzonk: "verstoten ben ik uit Uw ogen!" (Jona 2 vers 4). Maar door Gods genade gedacht hij toen de HERE en de tempel, waar alles van Hem spreekt. Psalm 31 eindigt met krachtige woorden: "Weest sterk en uw hart zij onversaagd, gij allen die op de HERE hoopt." Dat is geen overmoed maar geloofstaal. Wie op Gods goedheid vertrouwt wordt door God nooit in de steek gelaten.

A. van der Sloot, Bedum