Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-1, november
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 november: Leviticus 27:1-15
Dit voor ons niet zo inzichtelijk hoofdstuk gaat over het doen van geloften. Het heeft alles te maken met het vrijwillig betonen van dankbaarheid aan God. Je kunt daaraan inhoud geven door vrijwillig iets en iemand aan de HERE te geven. Van Hanna (1 SamuŽl 1 vers 11) weten we dat ze haar gebed om een zoon kracht bijzette met het doen van de gelofte. Ook Jefta's gelofte is bekend: de eerste die hem bij zijn terugkomst na de overwinning op de Ammonieten tegenkomt zou aan de HERE toebehoren. Dat was zijn dochter. Of Jefta dat had voorzien? Soms werden er lichtvaardige geloften gedaan en wilde men zich er laten weer aan onttrekken. Dat kan, maar de priester legde dan wel een boete op. Ook het niet nakomen van vrijwillig gedane toezeggingen stelt schuldig voor God. God is gelukkig zijn vrijwillige gedane toezegging in Christus wel nagekomen.

2 november: Leviticus 27:16-34
In IsraŽl gold een ander 'landrecht' dan bij ons. Het principe was: de grond moet weer bij de aanvankelijke eigenaar terecht komen, in het jubeljaar. In 'het land der vaderen' gaf God destijds de IsraŽliet als in een spiegel hoop op de hemelse erfenis. Daarom mocht de IsraŽliet dit land ook niet 'zomaar' verkopen. Armoede kon hem daartoe wel noodzaken. Armoede bracht dus ook geestelijke moeiten mee. Ook voor de eigenaar, die zijn grond door een gelofte aan de God gewijd had, maar die grond had moeten verkopen. Deze eigenaar kreeg in het jubeljaar zijn grond niet terug: die grond was namelijk voor altijd van de HERE. Precies als het gebannene (denk aan Jericho, waaraan Achan zich vergreep) dat ook voor altijd God toebehoorde. Het boek Leviticus is een roep om de Christus door wie hťt jubeljaar is aangebroken: Armen bracht Hij het Evangelie: aan mensen, die het als gevolg van de zonde aan alle hoop ontbrak, verkondigde Hij het goede nieuws van Gods genadige redding. Door Jezus is er voor zondaren hoop. Ook voor hen die zich vrijwillig aan God en zijn dienst hebben gegeven. Ik herinner mij een titel van een boekje: "Wie kann ein Pfarrer selig werden?" Hoe kan een dominee zalig worden? Het antwoord van het boek Leviticus daarop is: door de genade van Christus alleen!

A. van der Sloot, Bedum

3 november: Numeri 1
Telling heeft een heel praktische reden: een goed georganiseerd leger is nodig om de kerk op woestijntocht te beschermen. De Levieten zijn ontheven van een legertaak. Zij zijn gereserveerd voor de -ook heel praktische kant van de- heilige eredienst, waarin alles draait om de 'bloednodige' verzoening. Leermoment : zonder in een angstsyndroom te vervallen - het is naÔef te denken dat de kerk vandaag geen vijanden meer zou hebben. En: de dienst aan de HERE vraagt een zorgvuldige benadering zowel in het kerkgebouw alsook in de huisgodsdienst. Onze heilige God is dat waard.

4 november: Numeri 2
Een prachtige opstelling van steeds 3 stammen per windrichtingkant rond de tabernakel. Maar die tabernakel werd door de levieten afgeschermd (vs.2 vgl 1:50). Levieten lijken op "de rode bliksemstraal op transformatorhuisjes .." .."Aanraking levensgevaarlijk!" Tot de Heilige kunnen we alleen naderen via de Here Jezus, de enige echte Priester.

5-8 november: Numeri 3 en 4
Vrij onoverzichtelijke hoofdstukken voor ons gevoel. Daarom een voor ons wellicht leesbaarder overzicht. Weliswaar voor 3 dagen; heb u 1 dag 'vrij'. Hier komen dan 3 'draden' ontleend aan de schets van Prof. Ohmann, "Tellingen in de woestijn":

5 november
De voorrechten van Ašron en zijn zonen:
Hoofdstuk 3:1-4,6b,9-10,32,38,48,51;
hoofdstuk 4:5-15,16-20,27,28,33.

6 november
De eigen verantwoordelijkheid van de Levieten met betrekking tot hun werk:
Hoofdstuk 3:7,8,25,26,28b,31,36,37;
hoofdstuk 4:4,15 (terugziend op verzen 5-14),24-26,31-33,35b,37b,39b,41b,43b,47b,49.

7 november
De Levieten zoals ze in de plaats treden van met name IsraŽls eerstgeborenen:
Hoofdstuk 3:6a,7b,11-13,14-24,27,28a,29-30,33-35,39-51;
hoofdstuk 4:1-3,21-23,29-30,34-47a,48.

8 november
U hebt een 'vrije' of wellicht een inhaaldag.

9 november: Numeri 5
Een hoofdstuk dat bij mij compleet was weggezakt. Een merkwaardig ritueel rond een vermůeden van overspel. Geen bewijzen. De jaloersheid heeft de man te pakken. Dan wordt op deze manier door de HERE de vrouw vrijgepleit; of niet!, met alle onvruchtbare gevolgen vandien.

10 november: Psalm 32
Wie echt met God leeft ("oprechten van hart") en voortdurend met Hem 'on-line' is, die zal het als verstikkend ervaren: dat verzwijgen van zondige daden (vss. 3 en 4). Zo bekeken is een open schuldbekentenis bij God een ware opluchting. David weet er van mee te praten (zie 2 Sam. 11 en 12).

11 november: Numeri 6
Zo'n NazireeŽr leefde een bepaalde tijd in volledige toewijding aan de HERE. Dit voorbeeld stelt jou de vraag: Op welke manier wijd jij je leven aan God? Aparte, stille tijd voor Hem-en-jou? Vasten en bidden misschien? Ook buitendien: "Neem mijn leven, laat het Heer, toegewijd zijn aan uw eer" (LB 473, een eigentijds 'NazireeŽrlied' geschikt voor alle gelovigen). Over die priesterlijke zegen: Waarom alleen aan het eind van een kťrkdienst, en ook niet bijv. aan een ziekbed?

12 november: Numeri 7:1-47
Wat ook voor vss.48-89 geldt: het lijkt wel erg eentonig. Ja, om te lezen, maar niet om mee te maken. Toen moet het een enorm feest zijn geweest! Elke stam apart feestelijk betrokken bij de eer van de HERE. Wat een feestelijke drukte om per stam al die geschenken bij elkaar te organiseren! Ze mochten elkaar kennelijk niet aftroeven: van elke stam werd hetzelfde verwacht. De heilige God heeft zelf alles organisatorisch geordend.

13 november: Numeri 7:48-89
Let op de unieke 'middelaarpositie'van Mozes. Hij valt buiten elke orde, ook die van de Levieten. Hij had rechtstreeks contact met de HERE (vs.89). Hij kon en mocht 'zomaar' voor een gesprek met God het heilige der heiligen binnenlopen (terwijl Ašron maar 1x per jaar op Grote Verzoendag naar binnen mocht). 'Zomaar'? Hij kon pas op Gods stem rekenen van boven het verzoendeksel! WŪj mogen overal tot God bidden door Christus' Geest dankzij zijn verzoeningsbloed.

14 november: Numeri 8
Hier wijding van de Levieten, in Lev.8 die van de priesters. Priesters moesten 'heilig', Levieten 'rein' zijn. Priesters moesten nieuwe, Levieten schoongewassen kleren aan. Overeenkomst: wie is van zichzelf goed genoeg om de heilige God te dienen?

15 november: Numeri 9
Pesachfeest prioriteit nr 1: Gods daden moeten gevierd en in levendige herinnering worden gehouden. In geval van onreinheid of een buitenlandse reis mocht iemand het ook een maand later vieren, maar dan wel exact volgens de voorschriften. De HERE is hierin ruim ťn streng en vraagt van de vierder een geloofstrouwe instelling. Vss.15-23: de wolk over de tabernakel ('s nachts als een vuurverschijnsel) maakt duidelijk: God is de Reisleider en Bescherm-Heer van z'n volk. Vraagje: zou de wolk in Hand. 1 bij Jezus' hemelvaart ook niet een bijzonder Godsverschijnsel kunnen zijn net als hier?

16 november: Numeri 10
Trompetstoten ('staccato'): we vertrekken; lange tonen: we komen als gemeente/ volk bij elkaar (vgl de kerkklokken). Trompetalarm in geval van vijandelijk gevaar was een signaal naar God toe: we brengen onszelf bij U in herinnering (vgl de signalen rond Jericho, Joz.6:9,20). Onze gebeden zijn net trompetsignalen naar de hemel toe.
Vs.11-36: Geheel gedisciplineerd gaat de stoet op pad. Geloofsvertrouwen verwoord door Mozes (vs.29) in zijn gesprek met z'n zwager Chobab. Deze was Midjaniet, een nakomeling dus van Abraham en Ketura! Hij hoorde niet bij IsraŽl, maar wordt om z'n gidskwaliteiten door Mozes gevraagd om mee te trekken. Hij mag dan zelfs delen in Gods voorspoed voor het volk. Mooi trekje bij Mozes: hij was niet te benauwd om voor de kerk deskundigheid van buiten in te schakelen waarover ze zelf niet beschikt.

J.G. van der Hoeven, Groningen-Noord

17 november: Numeri 11:1-15
Opnieuw komt de ontevredenheid van het volk naar boven. Laten we die trouwens niet te snel veroordelen, als zouden wij het in hun situatie wel beter gedaan hebben. Dag aan dag manna, dat ťťngangs-menu. Onze eerste de beste kant-en-klaar maaltijden bestaan er al uit drie. Pas dat trouwens eens toe op jezelf: wij zitten helemaal aan de andere kant, met de schappen van AH en Konmar vol, zodat je haast niet weet te kiezen welk voedsel je vandaag weer es nemen zult. Zijn wij dan nu zoveel tevredener naar de HEER toe? Is ons houden van Hem en vertrouwen op Hem daardoor verdiept: door onze welvaart? Een mens zal niet van brood alleen leven, en nooit door brood alleen geloven. Voorspoed of tegenspoed is nooit een geloofsbasis. Dat denken we wel: als het ons goed gaat, dan zullen en kunnen we geloven. Vergeet het maar. Wie niet op God als de Vader van Jezus Christus vertrouwt, lees Rom.8:38-39, die zal nooit definitief geloven. Let overigens op Mozesīmiddelaarschap hier: zie hem worstelen. Hij trekt het niet om blijvend voor dit volk met heel zijn hart op te komen, logisch ook! En toch is dŠt nu juist de kracht van de Meerdere van Mozes geweest, van Jezus, de Middelaar van een nieuw verbond. Hij gaf zichzelf in totale overgave voor een volk, waar waarlijk niet zo bijster veel van te houden viel, omdat ook u en ik erbij horen, Lam Gods dat de zonden van ons wegtorste.

18 november: Numeri 11:16-35
God verdeelt het middelaarschap met Mozes over meerdere schouders. Het stelt het niet te overtreffen Middelaarschap van Jezus, de ene Middelaar tussen God en mensen, nu al in een uniek daglicht. De HEER begraaft het volk in zijn gulzigheid. Maar deze overvloed is geen zegen. Hij gaat gepaard met Gods toorn. Zoals zoŽven nog de kwakkels geslacht zijn, zo richt de HEER een slachting onder het volk aan. Ik schrijf dit stukje in de week waarin prins Claus is bijgezet in Delft. De man die een lans brak voor de derde wereld. En ik realiseer me, dat volgens de laatste berekeningen in december 14,5 miljoen mensen in Afrika getroffen zullen worden door de hongersnood die zich nu al aan het ontwikkelen is. En ik loop door AH en ik schaam me. Zou dat althans moeten doen. En ik voel in de lucht hoe het onweer Gods op komst is over ons ongebreidelde consumentisme en hoe, moge God het niet verhoeden, de Heilige Geest het niet meer uithoudt op ons continent, dat een lappendeken is van leningen, beurskoersen, de ene welvaartsprikkel na de andere, kwakkels kortom waarmee God ons overdekt omdat we dat zelf immers willen; terwijl elders op de wereld die broeders rondlopen met wie Jezus zich naar zijn woord van Matth.25:35 identificeert. Wij zouden hen te eten kunnen geven, maar we doen het niet.

19 november: Numeri 12
Niet alles is gelijk duidelijk aan dit hoofdstuk. Ging het om Sippora, Mozesīvrouw uit Midjan, zoals sommige uitleggers wel zeggen. Of een tweede vrouw? Of een andere vrouw na een eventueel overlijden van Sippora? Daar zit de angel ook niet, in die vrouw: dat is alleen maar een door Mirjam en haar broer gezochte aanleiding om Mozesīunieke positie, zijn boven hen verheven leiderschap, aan de orde te stellen. Het is, zoals je dat vandaag zou noemen, het gekissebis binnen de kerk, tussen kerkenraadsleden, tussen collega-dominees, tussen commissieleden enzovoort, wie er nu de eerste is. God heiligt Mozes: tot hem spreekt Hij van mond tot mond, niet in dromen. Als er wat op Mozes aan te merken zou zijn geweest, dan had de HEER zelf dat dus wel gedaan. Zo schimpen ze later ook Jezus weg. Maar Jezus beroept zich op zijn Vader, die altijd bij Hem is en achter Hem staat. Dat is dus ook de directe toepassing: eerbied voor de van God gegeven Middelaar. En indirect kan deze geschiedenis ons oproepen om het onheilige haantjesgedrag binnen de kerk af te leren. Laten we elkaars dienaar zijn, zoals Christus, de grote Middelaar, ons aller dienaar was, Filipp.2!

20 november: Psalm 33
Som voor jezelf maar eens op, wat God dus allemaal doet. Wat een geweldige God! En als je dan weet, dat Gods liefde voor ons dus het slotakkoord (vs.22) van deze psalm is, dat Gods macht vooral de macht van zijn liefde is, en als je daarin dan vooral ook het geschenk van zijn Zoon Jezus Christus voor ons ziet: ja, dan is er nog wel een gevecht in het leven (vs.16,17), en er moet vaak ook nog gewacht (vs.22 slot) worden in dit leven, uitkijken naar Gods volledige verlossing van alle huidige gebrokenheid, maar je dag kan toch niet meer stuk. En we eindigen zoals deze psalm eindigt: kom Here Jezus, wij verlangen naar U, Maranatha!

21 november: Numeri 13
Deze verkennende expeditie staat of valt natuurlijk gelijk al met de eerste zin van de HEER: īzend mannen uit om Kanašn te verkennen, het land dat Ik aan de IsraŽlieten gťťf...ī. Dat is dus de definitie van het Kanašn, dat ze zullen binnengaan. Krijgen zullen ze het. BeŽrven is vaak het woord, dat de Heilige Schrift gebruikt. Dat is nou precies de relatie van afhankelijkheid, beter en dieper: van genade, die IsraŽl nu al twee jaar trekkend door de woestijn geoefend en nu hopelijk, aan de poort van het beloofde land, geleerd heeft. Achter God aan, ontvangend, vierend, dankend. Zo beŽrven wij achter Christus aan immers ook het hemels Kanašn. Maar IsraŽl staat in een vechthouding, met eigen kracht als maatstaf. Dan ben je inderdaad een sprinkhaan (vs.33) en niet meer. En wij? Is het bij ons ook knokken en zelf doen, in plaats van allereerst ontvangen? Door genade zijt gij behouden, door het geloof en dat niet uit uzelf, het is een gave van God. Ja toch? Zo, compleet vol ůvergave, vol vertrouwen, vol afhankelijkheid, Gods rijk binnengaan is een hele tour hoor, ook voor ons, net zoals IsraŽl toen Kanašn nauwelijks durfde betreden.

22 november: Numeri 14:1-25
Dit overkomt ons toch ook zo nu en dan: dat wij wanhopen aan de definitieve doorbraak van Gods rijk. Jezus die al zo lang weg is. De secularisatie die alle relevantie van het christelijk geloof lijkt te hebben uitgewist. Waar is God nou? Ik denk terug aan psalm 33 die we volgens dit rooster enkele dagen geleden lazen en die eindigde met het vertrouwend wŠchten op God. Schitterend is wat Jozua zegt: hij typeert de Kanašnieten als mensen īvan wie de beschermende schaduw geweken isī. Lees psalm 91 eens. īMaar bij ons is de Heer, u hoeft niet bang te zijnī, zegt Jozua. Geweldig, wat een overgave aan God. En dan Mozesī middelaarsvoorbede, wat reikt de schaduw van deze OT-bemiddelaar hier naar het licht van Christus zelf. Gods reputatie, Gods lankmoedigheid, dat Hij een lange adem met ons opbrengt, alles brengt Mozes biddend naar voren. Het is een hoogtepunt uit het OT, ťťn van de toppen die het voorgebergte vormen van Golgota, waar Jezus zelf voorbede deed voor hen die Hem kruisigden.

23 november: Numeri 14:26-45
Elke dag begraven. Elke dag hebben ze de graven van een langzaam wegstervende generatie gedolven. Hier behoor je psalm 90 bij te lezen, want die heeft Mozes gedicht op deze vreselijke 40 jaren. 40 jaar lang dreunen die 40 jaar verspiederstijd door. Het ongelovige geroddel (!), dat het vertrouwen in Gods trouw en macht ondermijnde (vs.37), ondanks Gods gebleken werken, moet in een uitvaart van 40 jaar lang, afgeleerd worden. Dat is hard. Dat jŪj het land wel zult binnengaan, maar je vader en je moeder niet.

24 november: Numeri 15:1-21
Gedurende die veertig jaar onderweg blijft de HEER wel tot hen spreken! En: Hij spreekt hen erover, dat ze het land zullen krijgen en dat ze het zullen binnengaan. God laat de horizon van de toegezegde erfenis in zicht, een horizon die ook gevuld is met oogsten en dus oogstoffers, spijsoffers en eerstelingen. De HERE God houdt het doel levend voor dit zwervende volk. Zwerven en begraven, onnoemelijk zwaar, maar uiteindelijk zullen ze aankomen en beŽrven en leven. Achter Mozes en daarin achter Christus aan. Want er trekt een Rots met hen mee (1 Kor.10).

25 november: Numeri 15:22-41
Wat is dat: onopzettelijk zondigen en opzettelijk zondigen? Zondigt u nooit eens met opzet, d.w.z. welbewust en met voorbedachten rade? Gaan wij nooit eens bewķst door de knieŽn? Zeker wel. Bewust of onbewust zal het verschil dus wel niet zijn tussen opzettelijk of onopzettelijk; zonder dat ik trouwens de klem er meteen af wil halen. Het zal er wel om gaan, wat er in het hŠrt van de zondaar leeft: of hij zelf ook moeite met zijn zonde heeft en daarna dus ook echt berouw en strijd. Of dat het hem eigenlijk niks kan schelen. Omdat God zelf hem eigenlijk niks kan schelen. Het komt op die manier dus nauw in de buurt bij de zonde tegen de Heilige Geest. Met God jongleren alsof Jezus de duivel is. Daar is geen pardon voor bij de HEER. Overigens: dat hout sprokkelen op sabbat was bij die man die dat deed daar dus een teken van: van zijn minachting voor de HEER. En daarnaast: de sabbat heeft als teken tussen God en zijn volk een heel heilige plek. Onze is niet de OT-ische sabbat, dat klopt. Nu Christus er is, zijn de schaduwen geweken, Koloss.2:16,17. Maar dat vraagt des te meer van ons vandaag een doordenking van die schaduw om in Christus ook tot een werkelijke vervulling van de sabbat te komen. En die vervulling is in ieder geval niet, dat je nu op alle dagen alles dus mag en dat er omtrent de sabbat niks meer geboden is. Lees dan de bergrede (Mt.5-7) maar eens, hoe Jezus met het vervullen van geboden omgaat.

26 november: Numeri 16:1-19
Het middelaarschap van het OT staat hier op het spel. Dat het volk namelijk wel een heilig volk is, iedereen inderdaad, maar dat zulks wel bestaat bij de gratie van hun heiliging: en daarvoor heeft God de priesterfamilie van Ašron afgezonderd, om dagelijks die verzoening symbolisch te voltrekken in de offerdienst. Korach en de zijnen doen alsof uitgekozen volk van God zijn de natuurlijkste zaak van de wereld is, evenals trouwens het beŽrven van het beloofde land. In wezen ontkennen zij de noodzaak van Christus. Ik zie in Korach iets van al die moderne theologen die vandaag aan de dag beweren, dat het begrip verzoening geschrapt moet worden evenals Jezus als het Lam van God dat de zonden van de wereld wegdraagt. Zij kunnen God ook zonder dat offer wel naderen..
Maar Gods gerechtigheid zal blijkens het vervolg de aarde splijten.

27 november: Numeri 16:20-17:15ļ
Het volk volhardt in een onheilig grote mond tegen de HEER. Ondanks dat Korach en zijn aanhang opgeslokt is door de aarde en de 250 vooraanstaande mannen in Korachs kielzog levend verbrand zijn. Ruim 14000 doden vallen er nog eens. Het zijn getallen die ons doen huiveren. We kunnen ons bij zulke directe oordelen van God over onze aanhoudende opstandigheid ook niks meer voorstellen. Mensen kunnen tot op TV toe maar van alles over God uitkramen. Het is schijn die bedriegt, want God is nog steeds Dezelfde. Lees Hebr.12: 18-28 er maar eens bij.

28 november: Numeri 17:16-18:7ļ
Nogmaals gaat de HEER er toe over om het geslacht van Ašron aan te wijzen voor de priesterdienst van de verzoening. Blijkbaar hield het gemor onder het volk nog steeds daarover niet op. Er zit bij het volk ook achter, dat zij bang zijn geworden van īde tent, de verblijfplaats van Godī(vs.28), als een plek waar zomaar enorme aantallen doden vallen. Ze zullen moeten leren, dat er via legitieme verzoening juist leven rondom de tent van de HEER is. Daarom is het symbool van die bloeiende, dus levengevende amandelstok zo sprekend. En daar liggen ze dus nu in de tent voor het aangezicht van de HEER: de verbondsakte van de wet en daarnaast de staf van de verzoening. Het is dus de tent waar God onder zijn volk woont in Jezus Christus.

29 november: Numeri 18:8-32
De arbeiders in de dienst van de verzoening blijken hun loon waard. Vergelijk dat eens met de prijs waarop Dť Priester geschat is, Matth.26:14,15 en 27:9!

30 november: Psalm 34:1-11
Hier wordt al de definitie van de arme aangereikt en geijkt: het is die mens die geen menselijke helper heeft maar daarin op Jahwe vertrouwt. Jezus neemt de categorie van īde armenī in zijn zaligsprekingen op. Bijbels arm-zijn is dus meer dan behoren tot de categorie van maatschappelijk ontrechten en verdrukten. Het is in die armoede God vrezen, tot Hem roepen en op Hem wachten. Van hen is het koninkrijk der hemelen, zei Jezus.

M.A.Dronkers, Helpman