Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-1, mei
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 mei: Psalm 13
Hoelang nog? In deze korte vraag gaat een wereld van verdriet en wanhoop schuil. Je leven kent voortdurend tegenslag en je komt er niet bovenuit. Je blijft onder liggen. Hoelang nog? Het lijkt wel, alsof God mij vergeet. Hoelang nog? Wie met lege handen staat, kan niet anders dan alles verwachten van zijn God. Oftewel: vertrouwen op Gods goedertierenheid. Het lijkt niet veel, maar je doet het meeste. Zo alleen word je door Hem in de ruimte gezet om daar te kunnen zingen: God heeft mij welgedaan!

J.M. Oldenhuis, Sauwerd

2 mei: Job 1
Kent u, ken jij Job? Job was rijk. Ongelooflijk rijk. Ook had hij tien kinderen. Allemaal volwassen intussen. Met elk van hen had hij een goede band. Job was een gelukkig man.
Maar op een dag keert het tij. Alles raakt hij kwijt. Ook zijn kinderen. Ze zijn er niet meer.
En Job: Job vloekt niet, Job klaagt niet. Begrijpt u dat en jij?

3 mei: Job 2
Kent u de vrouw van Job? In elk geval begrijpt die vrouw niets van haar man. Waarom vloekt hij niet? Kunt u het zich voorstellen? Je houdt van je man. En dan overkomt hem iets verschrikkelijks. Wat doet jou dat zeer. Maar je man: hij klaagt zelfs niet. Woedend word je. Maar Job gaat tegen zijn vrouw in. Begrijpt u dat?

4 mei: Job 3
Misschien begrijpen we Job nu wat beter. Hij wilde, dat hij er nooit was geweest. Alhoewel: wie verlangt er nu naar de dood? Vandaag is het dodenherdenking. Veel mensen hadden voor de vrijheid van Nederland hun eigen leven over. Maar het was wel een offer! Toch gebeurt het ook, dat iemand niet verder leven wil. Job gaat verder. Was hij er maar nooit ..

5 mei: Job 4:1-5:7
Natuurlijk had Job ook relaties. Vrienden. De meesten blijven weg, maar drie bezoeken Job. Tegelijk. Het zijn echte Oosterlingen. Het is tot en met te zien, dat de ellende van hun vriend iets met hen doet. Eerst zeggen ze geen enkel woord. Vervolgens zijn ze niet meer te stuiten.
Maar helpen kunnen ze niet. Of willen ze het niet? Voor Job geen bevrijdingsdag!

6 mei: Job 5:8- 27
Elifaz komt op voor God. Dat komt ons niet onbekend voor. Als iemand lijdt, vraag jij je al gauw af of de schuld daarvan bij hem ligt of bij God. Meestal pleit je God dan vrij. 'Hij zal er wel een bedoeling mee hebben', zeggen we dan. Maar nu kijken we in de spiegel. 'Wat Elifaz doet, kan niet', zo vinden wij. Maar dan kan ook niet alles wat wij doen!

7 mei: Job 6
Tegen een vriend kun je heel veel zeggen. Elifaz, Bildad en Sofar nemen geen blad voor de mond. Job op zijn beurt ook niet. Toch kent vriendschap ook haar beperkingen. Je kunt niet alles van elkaar dragen. Zelfs niet altijd andermans leed. Maar als getroffene moet je dat niet accepteren. Stel de vraag van Job (vs. 26): "Waarom gaan mijn wanhopige woorden langs jullie heen?"

8 mei: Job 7
Job durft wel wat tegen God te zeggen! Over het algemeen durven wij dat niet. Dat kan een goed teken zijn. Je kunt ook te vrijmoedig zijn tegenover God. Maar: je kunt ook teveel op een afstand blijven. En als dt de reden is, waarom je nooit boos wordt op God Tegen een vriend kun je veel zeggen. De band is immers maar zo niet kapot. Hoe sterk is de band met God?

9 mei: Psalm 14
Het is n van beide: f je zet God op afstand f je weet Hem dichtbij. Als God zich aan de rand van je bestaan bevindt, kun jij veel kwaad doen. Als jij Hem overal bij betrekt, ben je er voor Hem. Maar als jij er voor Hem bent, is Hij er ook voor jou. Als je Hem daaraan houdt, doe je dat niet voor niets. Het maakt Hem wel degelijk wat uit of je Hem dient of niet.

10 mei: Job 8
Het verdriet van een vriend is je soms te zwaar. Hoe maak je dat nu draaglijk voor jezelf? Soms helpt het, als je een verklaring vindt. Daar is Bildad ook mee bezig. Als je een papyrusplant ziet staan, dan is er ook water. Als iemand lijdt, moet daar een oorzaak voor zijn. Maar het lijden is een mysterie. De pijn ervan redeneer je nooit weg.

11 mei: Job 9
Soms kun je jezelf zo machteloos voelen. Je weet, dat je gelijk hebt, maar je krijgt het niet.
Als je nu ook nog bedenkt, dat God erbij was Hij weet dat je gelijk hebt, Hij zag dat je het niet kreeg en toch liet Hij het gaan. Als je je dat regelmatig realiseert, voel je je ook tegenover God machteloos. Netzo als Job. Maar laat het Hem in elk geval horen!

12 mei: Job 10
Hoe kan dat nou? God deed je geboren worden. Hij vormde je in het lichaam van je moeder. En diezelfde God maakt je kapot? Wij zeggen dan: 'Gd maakt je niet kapot. Dat doet de duivel.' Of ook wel: 'dat doen wijzelf.' Maar God gaf de duivel natuurlijk wel toestemming om Job stuk te maken. Als jij een ander toestaat om iets kwaads te doen, .
Het kwaad is een mysterie. Als je er maar wel mee naar God toegaat!

13 mei: Job 11
Hoe kun je je vriend zo toespreken als Sofar doet met Job? Toch is dat niet zo vreemd. Over mensen die er ellendig aan toe zijn worden soms harde dingen gezegd. 'Als hij nu eens '
'Als zij nu eens niet ' Of: 'die hebben ook altijd wat.' Mensen met veel ziekte zijn vaak getekend. Ja, dat is het. Wij hangen aan hen een labeltje. Wij willen de werkelijkheid graag beheersen. Dat is beter dan dat we eronder lijden. Maar zou God dat ook vinden?

14 mei: Job 12
Als iemand zijn verdriet uit, dan moet je daar toch op reageren? Je kunt toch niet alleen maar zwijgen, zoals die vrienden van Job dat zeven dagen deden? Maar als je iets zegt, moet je wel iets zinnigs zeggen. Niet iets wat die ander ook wel had kunnen bedenken. Als je iets zegt, moet je de ander daarmee een dienst bewijzen en niet jezelf. Heb ook op dat moment je naaste lief. Als jezelf!

15 mei: Job 13
Hoe kun je jezelf nu verdedigen tegenover God? Had Elifaz dan toch niet gelijk? Elifaz zei (4:17) dit: "Zou God een sterveling als rechtvaardig beschouwen, kan een mens zijn schepper in de ogen zien?" Maar er is ook een andere kant (Ps.18:27): 'jegens de reine toont God zich rein, maar jegens de verkeerde toont Hij zich een tegenstander.' En ook (Ps.11:7): 'de oprechten zullen zijn aangezicht aanschouwen.' Job heeft in elk geval voor een deel gelijk

16 mei: Job 14
Job heeft niet in alles gelijk. Hij schiet ook wel eens door. Hij overschrijdt regelmatig de grens tussen zichzelf en God. En we merken ook, dat hij veel dingen nog niet weet.
Toch tast hij al wel naar de waarheid (vs. 15b vv). ' U zou weer verlangen naar mij, U die mij hebt gemaakt. U zou wel mijn gangen nagaan, maar niet mijn zonden tellen; die bergt U weg als geld in een buidel, de sporen van mijn misstappen wist U uit.'
Wat moet dat mooi zijn. Alle schade die wij hebben aangericht is weg!

17 mei: Psalm 15
Als emand deed wat in Psalm 15 staat, dan was dat Job. God was dan ook trots op hem. En toch ervoer Job niet, dat hij veilig bij de Here was. Integendeel. Dat geldt ook van anderen. Misschien kent u wel iemand. Heel serieus en toch 'God is vaak zover weg', zo zegt ze tegen u. En toch is Psalm 15 waar. God is bij u en u kan niets overkomen.

T.S. Huttenga, Groningen-West

18 mei: Job 15
Elifaz is opnieuw aan het woord. Hij heeft zich niet door Job laten overtuigen. Integendeel, Hij herhaalt wat hij al eerder gezegd heeft. Zijn toon is zelfs nog feller. Hij geeft Job, die jonger geweest moet zijn dan de Elifaz, een tik op de neus met de woorden: "Ben jij als eerste van de mensen geboren, ben jij ouder dan de heuvels?" Jij, Job, komt nog maar pas kijken vergeleken met mij! Elifaz zal Job wel eens even zijn gelijk tonen. Hij beroept zich op de wijze voorvaderen. Zij getuigen, net als Elifaz, dat wie God uitdaagt, zijn ondergang tegemoet gaat!

19 mei: Job 16
Job is niet verder gekomen met zijn vrienden. Het is loos gepraat van armzalige troosters. Zijn klacht richting God is er nog steeds. De toon is zelfs scherper. God heeft Jobs mooie gezin kapot gemaakt, en ook zijn lichaam. Al dat kapotte is volgens de vrienden Jobs schuld. Maar Job geeft God de schuld. Hij voelt zich door God ontrecht. 'Tegenstander' noemt Job Hem. Dt houdt Job niet uit. Hij schreeuwt het uit: "O aarde, bedek mijn bloed niet!" Zijn bloed moet blijven spreken. Daar mag geen zand over. Dat God onrechtvaardig bloed vergiet. Groot is de afstand tussen Job en de Here. Heeft satan het nu toch gewonnen?
Nee, want onverwacht gebeurt het wonder: God luistert! Job weet het zeker. Doorbraak, juist nu! 'Zie mijn Getuige is in den hemel, mijn Pleitbezorger in den hoge', roept Job. De Tegenstander God is ook Jobs Getuige. Dat is geloofstaal!

20 mei: Job 17
Job worstelt niet alleen met zijn vrienden maar ook met God, die hem onrecht aandoet. Hij schreeuwt om hulp bij God tegen God! Om een Borg, een Middelaar (vs.3). Zijn vrienden laten hem in de steek. Iedereen drijft de spot met hem. Hij is tot een spreekwoord geworden. Het maakt hem moedeloos. Hij verwacht van het leven niets meer. Zijn verwachtingen neemt hij mee het graf in.

21 mei: Job 18
Waarom neemt Bildad opnieuw het woord? Heeft hij iets nieuws te zeggen? Of heeft hij Job beter begrepen? Niets van dit alles. Het is weer hetzelfde liedje. En hij is nog scherper dan Elifaz. Opnieuw hangt hij hele schilderijen op over de ondergang van de goddelozen. Welverzekerd en onbewogen over het leed besluit hij zijn verhaal: zo loopt het af met wie God niet wil erkennen!

22 mei: Job 19
Job is machteloos en zal straks sterven als n brok ellende. Maar, zegt Job, ik heb een Losser die het voor mij opneemt. De Gol die het onrecht wreekt. En ik weet, dze Gol leeft. Ik ga sterven, maar ik heb een levende Losser! Hij zal het voor mij opnemen, als ik niet verder kan.
Job grijpt hier uit boven de verwarring en het gesprek, boven die debatten met zijn vrienden en zijn eigen klachten, met dit ene: mijn Losser leeft!

23 mei: Ps. 16
David belijdt: de HERE is mijn erfdeel en mijn beker. Hij heeft een prachtige erfenis van de HERE ontvangen. Hij houdt de HERE altijd voor ogen. De HERE wijst hem de weg naar het leven. In zijn nabijheid is hij gelukkig. Petrus haalt deze psalm aan op de pinksterdag. David profeteerde van zijn komende Zoon, die ook zijn Heer was. Hij dichtte de psalm met het oog op Christus, die niet aan het dodenrijk zou worden overgeleverd. Hij is dood geweest, maar zie, Hij leeft in eeuwigheid! Bent u blij dat de HERE u de weg naar het leven wijst en houdt u de HERE altijd voor ogen?

24 mei: Job 20
Sofar is kwaad. Waarom eigenlijk? Om wat Job zei over de Losser die het voor hem opneemt? Sofar valt fel uit tegen Job. Veel nieuws heeft hij niet te vertellen. Hij geeft wel toe dat de goddeloze een tijdlang voorspoed en vreugde kan beleven. Maar dat gaat snel voorbij. Het is van tijdelijke aard. Uiteindelijk komt hij om!

25 mei: Job 21
Job reageert op het spreken van Sofar door te zeggen dat de praktijk wel anders leert. Slechte mensen genieten juist wl van het leven. Het onrecht schijnt te zegevieren! De feiten wijzen het uit! Tot na hun dood worden zij geerd. Kijk maar eens naar hun goed verzorgde grafheuvels. "Jullie troostende woorden betekenen niets, jullie redeneringen zijn een en al bedrog."

26 mei: Job 22
Voor de 3e keer komt Elifaz aan het woord. Hij geeft zijn theorie niet op: de almachtige God laat zich niet leiden door eigenbelang. Waarom zou Hij je dan onrecht aandoen? De oorzaak van je lijden moet je zoeken bij jezelf. Om je vroomheid bestraft God je niet. Dus moet het om je eigen zonden zijn. Dit lijkt een logische redenering, veel logischer dan die van Job. Maar ijskoud! Dat komt omdat Elifaz de band met God doorsnijdt met zijn: "Kan een mens God een dienst bewijzen?" (vs.2). Job zoekt juist het contact met God. Hij smacht naar God!

27 mei: Job 23
Job blijft klagen en zich tegen God verzetten. En hij kan God niet vinden. Hij wil zijn zaak voor God uiteenzetten, want zijn vrienden begrijpen hem niet. Maar God houdt zich verre. Dat is steeds Jobs klacht. Vond hij God maar. Dan zou hij oprecht blijken. Maar God geeft hem niet de gelegenheid zich te verdedigen. God gaat maar door. Wat Hij wil, brengt Hij ten uitvoer. Hij is niet te stoppen. Daarom is Job bang God onder ogen te komen. Dat is zijn moeite. En daarin hebben zijn vrienden hem niet geholpen.

28 mei: Job 24
Job gaat in op de visie van zijn vrienden. Hun spreken is veel te gemakkelijk. Je kunt niet zomaar aanwijzen dat God zondaars straft. Integendeel, het lijkt alsof het onrecht maar ongehinderd bedreven kan worden. Om dit aan te tonen geeft Job een beschrijving van het dagelijks leven: het is vol verdrukking van de geringen! Maar - en dat past niet in het systeem van de vrienden - God slaat geen acht op hun gebed.

29 mei: Ps.17:1-7
David is omringd door vijanden (Saul, Absalom?). Zij hebben het op zijn leven gemunt. Biddend wendt hij zich tot de HERE. Hij is zeker van zijn redding, omdat hij weet dat het om een 'rechtvaardige zaak' gaat. O ja, hij weet wel dat hij een zondaar is. Maar toch durft hij Gods onderzoek doorstaan. Laat God zijn hart maar toetsen. Kunt u deze psalm wel zingen?

30 mei: Ps. 17:8-15
David bidt om Gods gunstbewijzen en noemt de HERE 'Verlosser'. Daarom: 'Bewaar mij als de appel (= pupil) van het oog'. Hij vraagt om te mogen rekenen op de teerste en intiemste zorg van de HERE. Wij mogen ons door God in Christus geborgen weten. Bidt u daar ook om?

31 mei: Job 25-26
Bildad neemt voor de 3e keer het woord. Hij is kort. Hij heeft niet veel nieuws te zeggen. Hij hamert op het oude thema: God is ontzagwekkend en hoe kan de broze mens rechtvaardig zijn tegenover zo'n God?
Sarcastisch bedankt Job zijn vriend: Wat heb je me weer goed geholpen! Job weet ook wel dat God groot is. Hij heeft het al eerder gezegd. Toen met de wrange bijsmaak: Gods bestuur is willekeurig (hfdst. 12). Terwijl zijn vrienden bij hun oude thema blijven, komt Job verder. Zijn toon is n die van verwondering en aanbidding.

J.M.A. Groeneveld, Bedum