Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-1, maart
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 maart: HebreeŽn 13:1-16
HebreeŽn 13 is een uitwerking - een concretisering - van het voorgaande. We moeten niet achter blijven, maar God vereren met eerbied en ontzag (Heb 12: 28). Wat dat inhoudt lezen we nu. Je kunt er dus mee aan de slag in het hier en nu. Tip: zet de 'vermaningen' eens op een rij en probeer er voor jezelf actiepunten van te maken voor je dagelijks bezig zijn of gebedspunten voor de dag van vandaag.

2 maart: HebreeŽn 13:17-25
In vers 20-21 trekt de schrijver nog even in een paar streken de hele brief samen. Hij vat samen in een zin die als een zegen gelezen wil worden. Dit is dus het laatste woord, het hart onder de riem voor al de lezers: dat God u maar mag bevestigen. Hoe afhankelijk voel jij je van Gods zegen? Hoe dan ook: ik wil jou persoonlijk het laatste vers van de brief meegeven en ik hoop dat je de inhoud ervan zult ervaren: de genade zij met u allen!

J.M. Oldenhuis, Sauwerd

3 maart: Psalm 7:1-10
Het opschrift verwijst naar een pijnlijk moment in Davids leven: een aanhanger van Saul strooit valse beschuldigingen over hem uit. Vol verontwaardiging wijst David die beschuldigingen van de hand. Omdat hij geen eigen rechter wil zijn, roept hij Gods straf in over zijn vijanden. Hij verbijt z'n woede dus niet (dat is altijd slecht voor een mens), maar legt alles bij God neer (dat geeft een mens rust).

4 maart: Psalm 7:11-18
David weet zich, ondanks zijn moeiten, geborgen bij God. Tegelijk laat hij uitkomen dat God geen goedige God is die alles best vindt. God haat het kwaad en laat dit vroeg of laat merken ook. Dat geeft veiligheid aan wie bij Hem bescherming zoeken tegen het kwaad. Dat betekent een waarschuwing voor wie denken dat ze geen rekening hoeven te houden met God: zij benadelen uiteindelijk zichzelf.

5 maart: Genesis 1:1-2:3
De Bijbel start niet met redenaties maar met een overrompelende ontmoeting: 'In het begin schiep God...' Daarmee krijgen we meteen antwoord op dť oervraag: 'Waar komen we vandaan?' Van God dus, want door zijn scheppend spreken is deze wereld tot stand gekomen. Hoe moeten we ons dat voorstellen? Wetenschappers komen niet verder dan theorieŽn, die telkens bijgesteld of vervangen moeten worden. Ondanks wetenschappelijke onzekerheid kan de gelovige de zekere lof zingen op de Schepper.

6 maart: Genesis 2:4-25
Nadat in Gen.1 globaal over de schepping van de mens is gesproken, komen nu de details: eerst heeft God de man geschapen. Pas toen de man in z'n omgaan met de dieren z'n alleen-staan ontdekte, maakte God de vrouw. Dat deed God met behulp van een rib van de man: de vrouw ligt hem alleen daarom al na aan het hart. Bovendien, pas sŠmen komen zij tot hun recht en zijn ze beeld van God (Gen.1:27). Het was zo zuiver tussen hen dat kleding overbodig was: ze hadden niets voor elkaar te verbergen.

7 maart: Genesis 3
De duivel verleidde de mens ertoe z'n eigen baas te zijn, los van God. Daarmee kwamen meteen breuken in alle relaties, zoals God ook aankondigde: de man probeert de baas te spelen over de vrouw, terwijl de vrouw de man naar haar hand probeert te zetten: destructieve concurrentie; het wonder van het kinderen-krijgen gaat samen met pijn; tenslotte voegt de natuur zich niet meer gewillig naar de hand van de mens. Een en al ellende. Maar meteen gaf God perspectief: satan wůrdt uitgeschakeld, dus: het paradijs kůmt terug!

8 maart: Genesis 4
Na de opstand van de mens tegen God volgt een tweede drama: de ene mens, KaÔn, slaat de andere, Abel, dood. KaÔns geschiedenis loopt uit op Lamech. Zijn drie zoons ontplooiden grootse culturele activiteiten, maar die waren dienstbaar aan de trots van de mens. Vandaar Lamechs lied: hij had Gods bescherming niet nodig, maar kon zichzelf redden. Daartegenover Seth en Enos; zij beseften God nodig te hebben, waarom zij God aanriepen. Nog altijd dť tegenstelling: erken je je afhankelijkheid van God ůf niet?

9 maart: Psalm 8
In de nacht kijkend naar de sterren is de dichter diep onder de indruk van de glorie van God en tegelijk van de nietigheid van de mens. Dan beseft hij meteen het wonderbaarlijke: deze onvergelijkelijke Schepper laat zich eren door kindergebrabbel (zoals ook Christus deed in de tempel, Mat.21:15-16)! Ook heeft Hij de kwetsbare mens als koning aangesteld! Helaas, onze koninklijke glorie gaat samen met zoveel ellende dat we vs.6 amper meer op onszelf kunnen toepassen. Gelukkig klopt vs.6 wel 100% bij Christus (zie Hebr.2:6-9); dat betekent de garantie dat alles goed komt.

10 maart: Genesis 5:1-6:4
Die vele namen maken duidelijk: God blijft op weg naar zijn einddoel, de uitschakeling van satan. Een paar namen springen eruit: Henoch: 'hij wandelde met God en was niet meer'; en Noach: 'deze zal ons troosten'. En dan volgt 6:1-4. Waarschijnlijk zijn 'de zonen van God' geen gelovigen of engelen (zoals soms wordt uitgelegd) maar koningen en wordt bedoeld dat zij de eerste harems aanlegden, met als resultaat kolossen van mensen. Van het mooie begin is weinig meer over: de mensen deden maar.

11 maart: Genesis 6:5-7:10
Gods verontwaardiging over het kwaad onder de mensen was zo groot, dat Hij besloot een gigantische overstroming te laten komen. Op die manier wilde Hij een nieuw begin maken en de weg openhouden naar zijn einddoel. Noach kreeg opdracht een schip te bouwen. Daarvoor kreeg hij 120 jaar, als we 6:3 hierbij mogen betrekken. Noachs bouwactiviteit vormde zo tientallen jaren een constante waarschuwing; vandaar dat Petrus Noach aanduidt als 'prediker van de gerechtigheid' (2Petr.2:5).

12 maart: Genesis 7:11-8:22
'En de Here sloot de deur achter hem' (7:16): daarmee was het doodvonnis getekend van alle buitengebleven mensen. Voor fijngevoelige Nederlanders moeilijk te aanvaarden: te weinig zijn we doordrongen van de ernst van ontrouw aan God; ook erkennen we te weinig dat God als Heer van alles de vrije beschikking heeft over zijn wereld. Hoe dan ook, God is rechtvaardig en barmhartig. Het laatste blijkt uit de afloop: op grond van Noachs offer (dus vooruitlopend op Christus' offer) garandeerde God: geen overstroming meer zoals de zondvloed. Gods werk aan de redding van de wereld gaat door.

13 maart: Genesis 9
God herhaalde zijn belofte dat er geen allesvernietigende overstroming meer zou komen; als teken gaf Hij de regenboog, die verschijnt juist als het ergens regent. Elke keer als dat natuurverschijnsel zich voordoet, worden God en mens herinnerd aan Gods belofte. Dat perspectief hebben we niet te danken aan onze eigen kwaliteiten; want meteen hierna vond dat beschamend gebeuren plaats van Noachs dronkenschap en Chams spot daarmee. Gods beloften zijn altijd onverdiend.

14 maart: Genesis 10:1-11:9
Noachs gezin met de drie zoons waaierde uit tot een wereldwijde mensheid. Maar voordat het zover was bleven de mensen eerst nog, tegen Gods bedoeling in, bij elkaar klitten. Kennelijk voelden ze zich bedreigd en gingen ze ervan uit: eendracht maakt macht. Daarvoor bouwden ze een hoge toren als oriŽntatiepunt. Zo probeerden zij, net als Lamech, zichzelf te handhaven. God verstoorde toen hun onderlinge communicatie, waardoor ze noodgedwongen uit elkaar gingen, met als resultaat: de weg naar Christus' rijk van echte eenheid bleef open.

15 maart: Genesis 11:10-12:9
Om de aarde te redden heeft God tijdelijk een versmalling aangebracht in zijn aandacht. Vandaar dat in Gen.11-12 de blik alleen op Sem wordt gericht, dan op Terach met z'n familie en tenslotte op Abram. Om met de Fransen te spreken: reculer pour mieux sauter; je doet een stap terug om des te beter te kunnen springen. Zo ging God een bijzondere relatie aan met Abram, maar met als doel: 'met u zullen alle geslachten op de aardbodem gezegend worden'. Daar gaat het God om: een wereldwijd gezin.

16 maart: Genesis 12:10-13:18
'Ik zal u tot een groot volk maken', had God Abram beloofd (12:2). Maar soms viel het Abram niet mee daarop te vertrouwen. Daarom hield hij het geheim dat de mooie Sarai z'n vrouw was, want daarmee werd zijn overlevingskans groter voor het geval dat Sarai geroofd zou worden . 'Aan uwe nageslacht zal Ik dit land geven', had God ook beloofd (12:7). Daarop vertrouwde Abram, want toen Lot en hij uit elkaar moesten, liet hij zonder aarzeling Lot de eerste keus: zijn kans kwam wel.

17 maart: Genesis 14
Toen Lot gevangen genomen werd door vijanden kwam Abram hem te hulp. Teruggekomen werd Abram gezegend door een bijzondere verschijning: Melchisedek, de koning van Salem, priester van God; Abram (kennelijk de mindere) gaf hem (de meerdere) toen het tiende van de buit. In Hebr.7 wordt hiernaar verwezen om duidelijk te maken: Christus, hogepriester op de manier van Melchisedek, is dus de meerdere van hogepriester Ašron en zijn opvolgers, die immers afstamden van Abram.

18 maart: Genesis 15-16
God bevestigde de bijzondere relatie met Abram door een verbond met hem te sluiten, waarbij overigens bloed moest vloeien: een uitbeelding van Christus' bloed, weten wij. De kern van Gods verbond was de bekende dubbele belofte: Abram zou tot een groot volk worden en zijn nageslacht zou eigenaar worden van Kanašn. Intussen heeft Abram 25 jaar moeten wachten op de geboorte van z'n zoon Isašk. Geen wonder dat hij 10 jaar na Gods eerste belofte zich door Sarai liet overhalen een bijvrouw te nemen, uit wie IsmaŽl geboren werd. Maar meteen bleek dat op deze zelfgekozen oplossing geen zegen rustte. Zo leerde Abram nog meer te vertrouwen: ook de kern van ons geloof.

C. van der Leest, Groningen-Oost

19 maart: Psalm 9:1-11
Psalm 9 en 10 vormen samen ťťn gedicht. Alles komt er in voor : lofzang om wat God doet , zekerheid dat God regeert, vertrouwen dat zijn zaak overwint, maar ook verdriet om het uitblijven van zijn hulp, twijfel en haast wanhoop bij het moeten constateren van zoveel goddeloosheid en ontkenning van God, de hartstochtelijke roep om het optreden van God en tenslotte toch weer de zekerheid dat het lot van de ootmoedige bij God, de Allerhoogste, de Koning, veilig is
Het slot van de psalm (10:16-18) haakt weer bij het begin (9:1-11) aan.
Kernpunt : God is de Allerhoogste (9:3); dus niet maar een beperkte God. Hij overziet de wereld (vs.8). DŠŠrom (!) is Hij een burcht voor de verdrukte. Waar je ook woont als verdrukte, op deze God kun je vertrouwen. Dat is heel sprekend in onze wereldwijde tijd en bij wereldwijde verdrukking. Vraag: hoe werken wij met de zekerheid van Gods oordeel als allerhoogste rechter?

20 maart: Psalm 9 : 12-21
Na de lofzang op de allerhoogste God in het begin van dit lied (zie bij 19 maart) gaat de 'verdrukte' (vs.10), de 'ellendige' (vs.13) zijn zaak nu voorleggen aan deze God. God vergeet het geroep van de ellendige niet. De dichter vraagt ruimte. Hij zegt ook waarvoor : om goed te spreken over God (vs.15) Let er op, hoe God gevraagd wordt op te treden : laat het in de hele wereld duidelijk worden dat deze God geen watje is. Laat Hij respect afdwingen! "Jaag de volken schrik aan". Vraag: bidden wij daar wel eens om?

21 maart: Genesis 17
De geschiedenis van Abram gaat verder. Er zijn bijna 25 jaar voorbijgegaan (vgl 12:4 met 17:1) sinds Abram uit Ur vertrokken is. God heeft hem land beloofd. Dat heeft hij nog niet. Hij is nog steeds vreemdeling temidden van de Kanašanieten. Maar wat zou hij ook aan land hebben, als hij geen nageslacht heeft? Dat heeft God hem ook beloofd. Maar Sara kan al geen kinderen meer krijgen (16:1; vgl Rom.4:19). Ze hebben de omweg via IsmaŽl geprobeerd. Past dat eigenlijk wel bij God? Die is intussen al wel 13 jaar oud (vs.25). En nu is ook Abraham te oud om nog kinderen te verwekken. Ze zijn als vader en moeder beide 'verstorven' dus: 'dood' (Rom.4:19). En pas nu komt God met een herhaling van zijn beloften! Een eigen zoon van hem en zijn vrouw Sara! Zo maakt God door deze geschiedenis duidelijk hoe Hij uit 'doden' leven wekt. En Abraham moet blijven geloven; en hij doet dat (Rom.4:21). Vraag: beseffen wij altijd voldoende dat geloven altijd verankerd moet zijn in de worden van God?

22 maart: Genesis 18
Hier wordt het misschien wel wonderlijkste bezoek van God verteld, dat ooit aan een mens gebracht is. En wat wordt het schitterend verteld. Dat gesprek van de mannen in de tent. En Sara de vrouw om wie het toch gaat, ergens achterin die meeluistert. In de loop van het gesprek moet aan beide duidelijk geworden zijn met Wie ze te doen hadden. En toch moet Sara lachen als ze hoort dat ze nog zwanger zal worden. Wie zou niet lachen? Abraham lachte ook (17:17). God wekt leven uit doden! Opdat niemand zal roemen in zich zelf (Rom.4:20-21).
In de tweede helft van dit hoofdstuk staat het aangrijpende gesprek tussen Abraham en God. God maakt ernst met zijn verbond met Abraham, zijn vriend (vs.17).Indrukwekkend is het pleidooi van Abraham. Hij spreekt met vrijmoedigheid die hem gegund wordt in het verbond met God, en hij kent zijn plaats: diepe eerbied en tegelijk sterke argumentatie (vs.25) kenmerken dit unieke gesprek van deze mens met zijn God. Vraag: Hoe bidden wij?

23 maart: Genesis 19
Het wordt duidelijk in wat voor wereld de geschiedenis van het heil zich afspeelt. Er blijven in Sodom geen tien mensen over, die naar God talen en om wie de stad zou zijn gespaard. Sodom en Gomorra blijven in heel het OT en NT dť voorbeelden en de bewijzen van het optreden van God ten oordeel ( 2 Petr.2:6; Judas vs.7; Rom.9:29); in de aankondiging van het laatste oordeel van God blijft deze geschiedenis een rol spelen (Luc.17:28-29). Nog dreigender wordt het als Jezus zegt dat het bepaalde mensen nog erger zal vergaan (Mat.10:15; 11:23vv). En de vrouw van Lot fungeert als waarschuwend voorbeeld van iemand die omkeek en niet los kwam van de wereld: denk aan de vrouw van Lot....! (Luc. 17:32). Vraag: werken wij met het voorbeeld van Sodom en Gomorra zoals ons in het NT wordt voorgehouden?

24 maart: Genesis 20
De realiteit is, dat Abraham, ook als drager van de belofte, woont temidden van andere volkeren: hij is maar gast,vreemdeling. Hij heeft de bescherming van God nodig. Zijn eigen methodes zijn niet zo fraai, en geven ook geen resultaat. God zorgt er zelf voor, dat zijn belofte kan worden vervuld. Let er op dat Abraham hier profeet wordt genoemd (vs7 vgl Ps.105:12-15), en dat Abimelech afhankelijk is van de voorspraak van Abraham bij God. Vraag: heeft Abraham wel voldoende vertrouwd op Gods belofte?

25 maart: Genesis 21
Isaak wordt geboren. In zijn naam wordt zijn 'afkomst' vastgelegd voor altijd. Isaak betekent zoveel als "men lacht': Abraham deed het in verwondering (17:17), Sara deed het uit ongeloof (18:12); iedereen zal het (moeten) doen als een hulde aan God bij het horen van deze geboorte (21:6). Het is immers een regelrecht wonder: dit kind is een kind van de belofte (Gal.4:21). Gods Woord heeft hem 'verwekt' (IsmaŽl is naar het vlees verwekt). Zo komt het volk der Joden ter wereld: alleen dank zij dit wonder van God. Elke Jood is afstammeling van Isaak en zal dus moeten erkennen, dat hij er alleen maar gekomen is via dit wonder van God. Zo is God begonnen; niet via 'het vlees' , maar via de genade. Dat gaat in tegen alle farizeÔsme. De feiten van de geschiedenis bevatten lering, onderwijzing, (het boek Genesis behoort tot de 'wet', thora). Later wordt dit wonder herhaald in de geboorte van Johannes de Doper: dat is dan ook een herkenbaar nieuw begin. In de geboorte van Jezus wordt dit wonder nog overtroffen.
En elke gelovige is tenslotte 'verwekt' zonder de wil van een man (Joh.1:13) Vraag: zijn wij er wel voldoende van doordrongen, dat het 'volk van God' nog altijd alleen maar op de wereld komt via genade?

26 maart: Genesis 22
Het afsluitende hoofdstuk over de geschiedenis van Abraham. Hoogtepunt van literaire vormgeving. lees het langzaam en proef elk woord. Wat een spanning. Direct al die eerste zinnen. En later het referein: zo gingen die beiden tezamen. Misschien heeft de juf op school vroeger wel verteld, dat God eens wilde weten, van wie Abraham mťťr hield: van zijn zoon Isaak of van God. Zulke voorstellingen zijn hardnekkig. Ze geven een totaal verkeerd beeld van God. Kinderen kunnen er angstig van worden! (God die eerst iets moois geeft en het daarna afpakt. Wat voor God is dat eigenlijk?). De beproeving ligt heel ergens anders: zal Abraham ook zo onvoorwaardelijk geloven in de kracht van Gods belofte, dat hij zijn zoon Isaak durft offeren, terwijl dat nota bene degene is aan wie God de voortgang van het heil heeft verbonden? Bedenk wel: aan Isaak hangt tenslotte zelfs de redding van Abraham. Uit deze Isaak zal de Christus geboren moeten worden, niet uit een andere 'Isaak'. God maakt het Abraham niet gemakkelijk: drie dagen reizen. En denken!
En tenslotte zegt hij tegen zijn knechten : wij keren samen terug. God moet bij machte zijn om zijn zoon ut de doden te doen opstaan. En dan komen de vragen van de jongen nog. Er is geen mens ooit zo beproefd (behalve Jezus) en Abraham blijkt zo rotsvast te geloven in god dat hij zonder enig aanknopingspunt komt tot de belijdenis van de opstanding uit de doden! (Hebr. 11:17-19). Daarom is hij de vader aller gelovigen (Rom.4:11). Vraag: wat is de belofte van God voor ons?

27 maart: Genesis 23
Sara sterft. De onderhandelingen over de aankoop van en stuk grond waar ze begraven kan worden laten zien, dat Abraham tot op het laatst 'vreemdeling;' is gebleven, hoewel hij door God al tot 'erfgenaam' van veel meer dan dat ene stukje spelonk is benoemd. Voorbeeld voor onze positie in de wereld. (Hebr. 11:13-14). Vraag: moet de belofte van God dat zijn kinderen erfgenaam zijn van deze wereld ons ook niet een positieve houding ten opzichte van het geschapene bijbrengen?

28 maart: Genesis 24: 1-32
De schitterende uitgesponnen vertelling over het huwelijk van Isaak met Rebekka laat zien hoe Abraham ernst maakt met zijn positie in de wereld. Hij laat de zaken maar niet op zijn beloop; hij regelt wat hij regelen kan. En hij doet dat op grond van wat God in zijn leven heeft gedaan. Prachtig is het hoe EliŽzer in precies dezelfde lijn optreedt. Let er op, dat dit eerste contact met de Laban helemaal in het teken staat van de rijkdom die God gegeven heeft. (Dat is later wel anders, als Jakob als een berooide vluchteling aanklopt). Vandaag stopt de geschiedenis op het moment, dat EliŽzer met alle egards in het huis van Laban is ontvangen. Morgen verder! Vraag: houden wij bij de regeling van zulke zaken als het zoeken van een partner zo rekening met wat God in ons leven heeft gedaan?

29 maart: Genesis 24 : 33-67
Als EliŽzer vertelt waar hij voor gekomen is, komt het hele verhaal nog eens weer terug. Onze westerse oren zijn nauwelijks ingesteld op het effect van zulke herhalingen. Maar het slot is wel, dat de leiding van God in alle nadrukkelijkheid naar voren komt. Rebekka kiest ze kiest voor de weg die God haar wijst! En de slotzinnen van dit hoofdstuk geven haast een idyllische indruk.

30 maart: Genesis 25
De geschiedenis van Abraham eindigt. Let er op, dat dit deel begon in 11:27 : wat er 'voortkwam' uit Terah. De geschiedenis komt nu op het volgende knooppunt: IsmaŽl 'vertrekt' (vs.12-18); met Isaak gaat de geschiedenis van het heil verder (vs.19). We horen nu wat er 'voortkwam' uit Isaak. Maar weer wordt duidelijk, dat er geen 'rechten' zijn te ontlenen aan het 'vlees' : God gaat zijn eigen weg. De meerdere zal de mindere dienen. In Rom.9:11 wordt naar deze geschiedenis verwezen. De meerdere hecht geen waarde aan zijn eerstgeboorterecht: het fungeert in Hebr.12:17 als hťt voorbeeld van onverschilligheid. En de consequenties worden daar op een schokkende manier onder woorden gebracht (geen plaats voor berouw hoewel hij het onder tranen zocht!). Vraag: wat dopen we met de waarschuwing van Hebr.12:16?

31 maart: Psalm 10:1-11
(Zie bij 19 maart) Psalm 10 is het vervolg van psalm 9. In een wereld van onrecht en geweld, van onverschilligheid en ongeloof bidt de dichter tot God: ook na alle hooggestemde woorden in het begin van dit gedicht is het een haast angstige stem. Het kleine geluid van de zwakke lijkt overstemd te worden door het gebral van de overmoedigen, die maar schreeuwen, dat God er niet is (vs.4) of dat God toch niks ziet (vs.11). Je kunt dus wel je gang gaan! Vraag: spreken we soms ook met die mensen mee als we het God in ons hart kwalijk nemen, dat Hij zoveel zaken op zijn beloop lijkt te laten?

J.T. Oldenhuis, Helpman