Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-1, juni
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 juni: Job 27
Job zweert bij God, dat hij onschuldig is. Hij denkt er niet aan zijn vrienden gelijk te geven. Hij wordt niet om zijn zonden gestraft. In het tweede deel van dit hoofdstuk leert Job zijn vrienden (vs. 11v.), dat God de goddeloze straft. Hadden zijn vrienden dit ook al niet gezegd? Ja, maar als rampen over de goddelozen komen, dan wil dat nog niet zeggen dat ieder die door rampen getroffen wordt een goddeloze is! Zijn vrienden zijn 'door een ijdele waan bevangen'.

2 juni: Job 28
Job beschrijft het werk van een mijnwerker. Op zoek naar schatten. De mens kan alles vinden en alles uitvinden. Vandaag is de technologie hoog ontwikkeld. Maar waar is de wijsheid en hoe komt de mens daaraan? Jobs vrienden menen de wijsheid in pacht te hebben. Maar wie ziet wijsheid in een geruïneerde Job? Heeft een mens het inzicht dat hij precies weet waarom het zus of zo loopt in zijn leven? De wijsheid is alleen bij God. Hij weet welke middelen Hij moet kiezen om zijn doel te bereiken. Daarom moeten we ons onderwerpen aan zijn leiding. Ons verstand schiet tekort om alles te begrijpen over het hoe en waarom van het leven. Toch is er een wijsheid die voor de mens bereikbaar is: de vreze des Heren. Dat is een leven vol gelovig en liefdevol respect voor God. En wijken van het kwade: het praktisch levensgedrag afstemmen op wat God wil. Dát is inzicht!

J.M.A. Groeneveld, Bedum

3 juni: Job 29
'Job schept wel heel erg op over zichzelf ', zo denken wij misschien. Maar hebben we gelijk? Wij brengen uitersten het liefst dicht bij elkaar. Iemand die veel kan moet zich niets verbeelden. Omgekeerd moet een man of vrouw met veel verdriet niet te lang onze aandacht vragen. Iedereen heeft wel wat. Maar zo egaal is het leven in werkelijkheid niet.
En Job viel inderdaad van een grote hoogte.

4 juni: Job 30
Mag Job dit wel zeggen? Wij willen niet discrimineren. Maar laten we eerlijk zijn: we hebben wel negatieve gevoelens. Er zijn mensen aan wie je niets hebt. Job kende ze van enige tijd geleden ook. Hun zoons zijn nog erger. Daar heb je nog minder aan. Maar nu lachen die jongens hém uit. Ook wij worden wel eens onwaardig behandeld, niet in overeenstemming met onze positie. Mag je daar ook verdriet van hebben?

5 juni: Job 31:1-23
'Je mag niet begeren.' Dat horen we elke zondagmorgen in de kerk. Dat valt niet mee. Gevoelens kunnen sterk zijn en ze zijn er, voordat je het weet. Job zegt, dat hij niet naar de meisjes keek en dat hij zich niet door zijn buurvrouw heeft laten verleiden. Zou het waar zijn?
Vergis je niet. God is sterk. En Hij laat dat niet alleen in de hemel zien. Hoe dichter bij deze machtige God, des te zuiverder is je blik.

6 juni: Job 31:24-40
Job lijkt wel zonder zonde. Toch is hij zich ook van fouten bewust (vs. 33). Niettemin zegt hij, dat hij alles wat hij gedaan heeft verantwoorden kan. In alle openheid durft hij God tegemoet te treden (vs. 37). Is dat niet te sterk gezegd? Maar moet je dan bang zijn voor God, als je sterft of Jezus terugkomt? Dat is toch ook niet de bedoeling?
Het ligt aan de situatie. Als iemand erg voldaan is over zichzelf, moet je tegen hem zeggen dat hij niets verdient. Maar als iemand ten onrechte beschuldigd wordt, kan hij heel goed zeggen dat hij een schoon geweten heeft.

7 juni: Job 32
Als de drie vrienden Job niet kunnen overtuigen, neemt Elihu het woord. De belangrijkste reden daarvoor is niet, dat hij iets nieuws heeft. Hij stoort zich eraan, dat de drie vrienden Job niet van zijn schuld hebben kunnen overtuigen. Hij vindt dus ook, dat Job schuldig is (vs.3).
Maar je mag volgens hem niet zeggen, dat alleen God dat duidelijk kan maken aan Job (vs.13). Elihu is jonger. En als je jong bent, leg je je maar zo niet ergens bij neer.

8 juni: Job 33
Wat Elihu zegt, lijkt op een herhaling van zetten. Hij suggereert, dat Job de wet heeft verdraaid. Hij verwacht, dat Job dat, door de nood gedwongen, uiteindelijk toch op zal biechten (vs.27). Toch is het net alsof Elihu iets dichter bij de waarheid komt. God staat ver boven de mens (vs.12).

9 juni: Job 34
Elihu worstelt met de waarheid en langzaam maar zeker komt hij verder. Als je jezelf confronteert met ernstig leed, als je luistert naar wat anderen daarover zeggen en als je dit doet met liefde voor God, verwacht dan dat de Here je meer inzicht geeft. Dat inzicht geeft God aan Elihu. In elk geval doet Hij geen onrecht. Kan God als wetgever tegen het recht zijn (vs.17)? Natuurlijk niet! Vandaag is er tijd om na te denken over God, ook over God en het lijden. Eén ding staat dan vast: Hem valt niets te verwijten (vs.29,30).

10 juni: Job 35
Elihu komt dichter bij de waarheid. Als je iets goeds voor iemand doet, wordt die ander daar beter van. Logisch is dan, dat hij of zij dat laat merken. Maar God is anders dan een mens. Hij bezit alles. Van wat wij aan goeds doen wordt Hij dus niet echt beter. Elihu zegt het heel duidelijk: 'Als u rechtvaardig bent, denkt u dan God iets te geven? Wat krijgt Hij dan van U (vs.7)?'

11 juni: Job 36
Wat Elihu nu zegt heeft iets dubbels. Eerst daalt hij weer neer tot op het niveau van de drie vrienden. 'Job,' zo zegt hij, 'is terecht veroordeeld als een misdadiger. Het recht heeft zijn loop gekregen (vs.17).' Hij trekt God dus weer in het menselijke vlak. Elihu weet precies hoe het zit tussen God en Job. Maar de waarheid is sterk en wint het weer. Elihu eert God als Schepper.

12 juni: Psalm 18:1-30
Elihu eert God als Schepper, maar David doet dat ook. Dat is voor hem geen theorie. David heeft ervaren, hoe God hem met zijn scheppersmacht gered heeft uit grote nood. Die ervaring versterkt hem in zijn vertrouwen: 'met U, mijn God, spring ik over muren.'
Wij vragen ons wel eens af, waarom God zoveel kwaad toelaat. Maar dat is de vraag van de toeschouwer. En wij zijn geen toeschouwer. Wij zijn deelnemer, deelnemer aan een geestelijke strijd. Vraag u daarom liever af, hoe u het kwade de baas wordt. Het antwoord is: 'dat kunt u met God!'

13 juni: Psalm 18:31-51
God maakte de bedreigde David tot een geweldig koning en David dankt hem daarvoor. Ook met Job zal het eenmaal goed gaan. Maar dat is niet met iedereen zo. Wat kan iemands leven van begin tot eind soms vreselijk triest zijn! Daar ben je dan helemaal stil van. Wees het ook maar. Is het dan wel waar, dat wat God doet volmaakt is en dat je op zijn woord vertrouwen kunt (vs.31). Jazeker. Maar dat is dan ook geloof! En geloven is iets anders dan zien. Evenwel: op zeker moment verandert geloven in zien!

14 juni: Job 37
Wij, mensen van de 21e eeuw, kunnen veel. Als het koud is, zet je de verwarming wat hoger. Als de zon te fel schijnt, trek je de zonnewering omlaag. Dat maakt je echter ook afhankelijk. Als de cv het niet doet, zit je meteen in de problemen. Trouwens, hoe vaak is de natuur ons niet de baas. Tijdens een hevig onweer valt de stroom uit. Je zit in het donker en je kunt je elektrische apparaten even niet gebruiken. Bovendien kunnen die knetterende donderslagen je best benauwd maken.
Als mens ben je maar klein en God is groot. 'Geloofd zij God met diep ontzag.'

15 juni: Job 38:1-21
Stel u voor, dat u kritiek op iemand heeft. U vindt, dat hij grote fouten heeft gemaakt. En u spreekt hem daarop aan. De ander reageert daarop. Hij stelt een aantal tegenvragen. Hij legt dingen uit. En langzamerhand begint u zich te schamen. Die ander weet echt veel en veel meer dan u. U voelt zich even heel klein.
U hebt vast wel eens aan het strand van de zee gestaan. Wat is dat toch een enorme watermassa, die telkens weer aanstormt op de kust. En toch wordt het land niet overspoeld. Wie zorgt daar eigenlijk voor? God. Wat kun je jezelf dan klein voelen!

16 juni: Job 38:22-41º
Elke avond kijken we naar de weersverwachting. Want wij willen graag weten, wat voor weer het morgen is. En het liefst ook nog, wat voor weer het overmorgen is en de dagen daarna. Heel vaak komt dat ook uit. Toch wel gemakkelijk.
Maar de verwachtingen komen ook wel eens niet uit. De meteorologen zijn dus beperkt in hun kennis. Trouwens, zelfs al komen hun verwachtingen wel uit, dan nemen ze alleen nog maar waar. Zij brengen de winden niet in beweging. Hoe gebeurt dat laatste nu? Dat heeft te maken met een verschil tussen hoge en lage luchtdruk. Akkoord. Maar ga dan nog eens verder terug. Dan komt er vast wel een moment, waarop u het niet meer weet. Is dan het toeval de oorzaak? Of zou er misschien ook nog een God zijn? Trouwens, als alles volgens een bepaalde regelmaat toegaat, wil dat nog niet zeggen dat die God er níet is.

17 juni: Job 39:1-30º
Als mens wil je graag greep hebben op het leven. Zo kan het heel moeilijk zijn, als je bij het ouder worden de greep op het leven verliest. Als gelovige wil je graag greep hebben op de werkelijkheid. Zo zochten de vrienden van Job een verklaring. Job had vast en zeker verkeerd gedaan. Van de weeromstuit zoekt Job ook een verklaring. Hij heeft niet verkeerd gedaan en dus doet God verkeerd.
Maar kijk nu alleen eens naar een aantal dieren. Weet jij precies wanneer een moederdier haar jongen werpt? En die struisvogel: probeer dat dier maar eens bij te houden. En die gier: laat jij dat dier tot die grote hoogte stijgen?
Als mens ben je koning over de dieren. Jazeker, maar toch maar een heel klein onderkoninkje!

18 juni: Job 40:1-24º
God wijst Job op het nijlpaard. Blijkbaar wordt hier toch een ander dier bedoeld, want een nijlpaard heeft geen staart (vs. 17). Kennelijk gaat het om een monster, dat geen mens in bedwang kan houden.
Zo'n beest zegt meer dan 1000 woorden van mensen. Wij denken vaak, dat wij de Here God verdedigen moeten, zoals die drie vrienden van Job en ook Elihu. Maar God laat zelf wel zien, hoe groot Hij is.

19 juni: Job 40:25-41:26º
Een krokodil kent u uit de dierentuin. Maar niet zo'n krokodil als hier beschreven wordt. Het lijkt wel een draak.
In elk geval kun je maar beter niet met een krokodil in aanraking komen.
Even iets anders: je hebt wel eens een jongentje dat heel veel praatjes heeft. Maar als er opeens een grote hond op hem afkomt, wordt hij stil.
Wij zijn meestal ook niet gauw stil te krijgen, maar soms wel!

20 juni: Job 42
Job betuigt zijn spijt, nu voor de tweede keer (vgl. 40:4,5). Waarover?
Zijn fout was niet, dat hij zijn onschuld volhield. Die onschuld had Godzelf heel duidelijk gezien (vgl. 1:8; 2:3). God wijst de drie vrienden dan ook terecht.
Maar Job had God niet mogen verwijten, dat Hij hem onrechtvaardig behandelde. Een oordeel over je eigen leven: dat kan nog. Maar een oordeel over God: dat komt geen mens toe!

T.S. Huttenga, Groningen-West

21 juni: Galaten 1
Paulus begint zijn brief met: 'Paulus een apostel niet vanwege mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus'.Een begin om even bij stil te staan. Juist omdat het ons bekend in de oren klinkt. Ook in andere brieven komt een dergelijk begin voor. Maar nergens zo uitvoerig als hier. Want Paulus moet zich verdedigen dat zijn apostelschap zuiver is. Hij is echt geroepen en onderwezen door Jezus Christus. Hij is niet stiekem via een achterdeur met behulp van andere mensen ook apostel geworden. Maar daarover bestaan onder Galaten toch wat twijfels. En twijfel aan de geloofwaardigheid van voorgangers is al gauw dodelijk voor een kerk.

22 juni: Galaten 2
Paulus spreekt over zijn komst in Jeruzalem na jaren van zendingswerk onder de heidenen gedaan te hebben. Toen hij er kwam, hoefde zijn vriend Titus, een Griek, niet besneden te worden. Dus Galaten : het is overduidelijk dat jullie met je aandringen op de besnijdenis op een verkeerd spoor zitten.
En het is maar niet een kwestie van de besnijdenis alleen . Het hangt samen met een veel groter probleem. Men wil de wet volbrengen om zo zelf mee te werken aan de eigen zaligheid. Een pertinente fout. En dat moet heel duidelijk worden gezegd. Paulus heeft een keer zelfs Petrus moeten terechtwijzen.

23 juni: Galaten 3: 1-14
Onverstandige Galaten. Het is niet zonder emotie dat Paulus hen zo aanspreekt, want ze dreigen Christus kwijt te raken. Christus die alles alleen voor ons gedaan heeft als het gaat om onze zaligheid. Het is alleen geloof, vergelijk het met het geloof van Abraham.

24 juni: Galaten 3: 15-29
Er is verbinding tussen Abraham en Jezus. Abraham kreeg de belofte dat in hem alle volken gezegend zouden worden. En dat wordt tot stand gebracht in zijn nageslacht. Het gaat dan om die ene unieke nakomeling: Christus. Door hem wordt het werkelijkheid dat voortaan zijn kinderen uit alle volken komen. .
Paulus wijst op de wet van de Sinaï die 400 jaar na Abraham kwam. Die wet had een tijdelijk karakter als een tuchtmeester met alle gebruiken en regels om de mensen in het goede spoor te houden.

25 juni: Galaten 4
De Israëlieten onder het oude verbond waren onmondig. En daarmee in de positie van slaven. Hoewel ze toch ook erfgenamen waren van wat God had beloofd. Maar na de komst van Christus zijn ze echt helemaal in de positie van zonen. Nu zij God hebben leren kennen, ja meer nog, nu ze door God gekend zijn. In de vrijheid waarin een christen nu leeft is het verkeerd om dingen uit het religieuze leven van vroeger vast te houden: door het houden van speciale dagen , maanden, vaste jaren en tijden.

26 juni: Galaten 4:21-31
Abraham stond zwak toen hij God meende een handje te moeten helpen om kinderen te krijgen. Dat was de weg van het vlees: een eigen weg gaan.
De wet van de Sinaï met alle gebruiken worden nog stipt in Jeruzalem nageleefd. Door Joden die Christus niet aanvaarden. Daar staat tegenover: het hemelse Jeruzalem waar Christus is. Bij die Christus en bij dat Jeruzalem hoort de nieuwtestamentische gemeente. Wie van dat Jeruzalem burger is, is echt vrij.

27 juni: Galaten 5
Paulus is vuurbang dat men weer onder de slavernij komt. Daarom zegt hij met nadruk: laat je niet besnijden. Wie het wel doet, zet Gods klok helemaal terug. Je bent rechtvaardig voor God alleen door geloof. Weersta meteen het begin. Er zijn van die dingen in het leven waarvan je meteen moet zeggen: stop. Anders werkt het als een zuurdeeg dat het hele deeg zuur maakt. Na alles wat Paulus tot nu toe heeft gezegd, kun je gaan denken: het lijkt erop dat alles mag. Paulus ziet die gedachte ook aankomen en reageert er duidelijk op.

28 juni: Galaten 6
Er worden aanwijzingen gegeven op allerlei terreinen van het leven. Besef ook in de gewone dingen waar je elke dag mee te maken hebt: je moet er eenmaal verantwoording van afleggen voor God. Wie in zijn of haar leven openstaat voor het werk van de Geest die alleen zal eeuwig leven ontvangen. Weer komt het punt van de besnijdenis voor de aandacht. Het zit Paulus erg hoog.

29 juni: Psalm 19
De psalm bezingt God in zijn machtige daden van schepping. Maar er is ook de lof op Gods wet die zo goed is. Goed om te weten. Je zou na het lezen van het boek Galaten denken dat de wet van God maar niks is. De richtlijnen van de Here zijn goed. Je kunt er niet zonder. En als je ze houdt, word je blij.

30 juni: Efeziërs 1:1-14
Als er één hoofdstuk in de bijbel is dat laat merken dat God met zijn zoekende liefde ons vóór is geweest dan is het dit eerste hoofdstuk van de brief aan Efeze wel. De apostel Paulus heeft het over de tijd voor (!) de schepping ( = de grondlegging van de wereld), toen Hij de zijnen in Christus uitkoos. Hij heeft het over Gods kinderen die tevoren (!) ertoe bestemd waren om tot zonen van God te worden aangenomen. En nog een keer valt het woordje tevoren, als het gaat om de erfenis die voor Gods kinderen van te voren was weggelegd. Gods verkiezende liefde wordt getoonzet niet in een mineur stemming maar in lof en dank. Nu is Gods verkiezing niet vanuit ons denken te doorzien. Het kan allemaal vragen oproepen. Maar dat is ook het geval als we zien wat het de Here God gekost heeft om de zijnen uit te kiezen: zijn eigen Zoon. Het hele eerste hoofdstuk staat vol van de lof op God. Het is alles: opdat wij zouden zijn tot lof van de heerlijk van God. Het staat in vers 6, 12 en 14. En zijn zoekende liefde is niet beperkt gebleven tot het volk Israël.

A.H. Driest, Groningen-Zuid