Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-1, juli
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 juli: EfeziŽrs 1:15-2:10
Paulus bidt voor gemeenteleden dat zij Jezus goed leren kennen. Voor het kennen van God en het geloven gebruikt God dezelfde kracht als die Hij gebruikt heeft om Jezus uit de doden op te wekken. Gaan geloven wordt daarmee: opstaan uit de dood! Jezus Christus wordt genoemd als degene die ook alle macht heeft in hemel en op aarde. Maar alleen Hij is van de gemeente het hoofd. Wat een erepositie voor de kerk! Tot die kerk behoren zowel de christenen uit de joden als de christenen uit de heidenen. Wie bij het Hoofd Christus hoort, heeft daarmee nu al een plek in de hemel.

2 juli: EfeziŽrs 2:11-22
De tussenmuur die er tussen Joden en heidenen was, is helemaal weggevallen. Christenen uit joden en heidenen hebben dezelfde positie. Er is geen onderscheid. Want zij hebben allemaal toegang tot God door ťťn Geest.
En we staan allemaal op hetzelfde fundament: het Woord van God., te weten : wat apostelen en profeten namens God hebben opgeschreven. Daarbij heeft een christen geen boek-geloof, waarbij je nakomt wat God voorschrijft. Het is vooral een geloof waarin de gelovige in een relatie met God leeft. Vandaar dat Jezus wordt genoemd de hoeksteen van de kerk. En de gelovige mag ook zelf een levende steen van dat gebouw zijn.

3 juli: EfeziŽrs 3
Door Paulus' prediking onder de heidenen is hij in de problemen gekomen en gevangen gezet. Maar hij ziet het als een groot voorrecht dat hij tot die prediking door God is uitgekozen.
Het gaat om het grote geheim van God dat hij bekend mag maken: dat God zich niet beperkt tot het ene volk van de joden maar dat Hij zijn kinderen roept uit alle volken. De heidenen die eerst zo veraf stonden van Gods volk, zijn nu medeburgers geworden. En nu mogen op alle mogelijke plaatsen in de wereld gemeenten een spiegel zijn voor 'hemelingen': de engelen. Zij kijken naar wat de kerk doet en doen daar hun winst mee. Weer gaat Paulus voor de gemeente bidden. Ook laat hij zien hoe nodig gelovigen elkaar hebben als het gaat om het kennen van Gods werk. Daar heb je de kerk bij nodig.

4 juli: EfeziŽrs 4:1-16
Elke gemeente wordt geroepen om de eenheid te bewaren. Verdeeldheid doet de kerk schade. Verdeeldheid past ook niet want we hebben allemaal te maken met slecht ťťn Geest. Tegelijk is er binnen de eenheid sprake van een geweldige variatie aan gaven. Aparte aandacht wordt gegeven aan de taak van 'leidinggevenden' in de kerk. Onderlinge samenwerking is belangrijk. Verder wordt gewaarschuwd voor het toelaten van een verkeerde leer.

5 juli: EfeziŽrs 4:17-32
Centraal in dit gedeelte staat: U geheel anders, u hebt Christus leren kennen. Leven met Christus en leven zonder Christus is een wereld van verschil. Met allerlei praktische voorbeelden wordt dit aangewezen. Je ondergaat een verjongingskuur als je de oude mens aflegt. Paulus wijst niet alleen kernachtig aan waar de fouten zitten. Hij laat ook op een mooie manier zien hoe wij op een positieve manier ons leven vulling kunnen geven.

6 juli: EfeziŽrs 5
Er is een opdracht om Christus na te volgen. Dat kan dus en dat moet ook.
Paulus wijst met voorbeelden aan waardoor de toegang tot het koninkrijk van God voor je dicht gaat. Grijp ook de kansen aan om in de wereld om je heen te laten zien dat je een volgeling van Jezus bent.
We lezen aan het eind iets over de onderlinge verhoudingen. Men moet in de gemeente aan elkaar onderdanig zijn. Dat voorkomt dat de een over de ander de baas kan gaan spelen. Dat wederzijdse zet ook door als het gaat om de man en de vrouw. Bedenk dat het in dit gedeelte veel meer gaat over de man dan over de vrouw. De man wordt opgeroepen om zich helemaal aan zijn vrouw te geven en opofferingsgezind te zijn. Zo is hij ook onderdanig.

7 juli: EfeziŽrs 6
Werd in het vorige gedeelte het huwelijk naar beide kanten toe beschreven. Dat geldt ook voor de relatie ouders-kinderen en voor de relatie heer-knecht. Er wordt geen opvoedingsmodel of een arbeidsmodel gegeven. Een paar knelpunten worden onder de loep genomen. Het in de wereld staan met dwaling en verleiding vraagt om het dragen van een goede bewapening. Er wordt ons een model van de geestelijke wapenrusting getoond.
Nu vraagt dat ook om goede geloofstraining, want je moet ook met je bewapening kunnen omgaan. Daarbij is het gebed een eerste vereiste. Laat het gebedsleven nooit verslappen. Op eigen kracht lukt het je niet om christen te zijn. En laten we daarom voor elkaar bidden.

A.H.Driest, Groningen-Zuid

8 juli: Filippenzen 1
Een cel is klein, benauwd en bedompt. Maar de gevangene Paulus heeft een prachtig uitzicht : Christus' evangelie gaat de wereld over. Door dat evangelie kwam er een gemeente in Filippi. Dat evangelie gaat zelfs via Paulus' gevangenschap zijn weg. En dat vindt Paulus van zo groot belang dat hij zijn grootste wens - bij Christus te zijn - nog maar even opschort. Eerst het evangelie over de aarde en dan samen naar JezusÖheerlijk.

9 juli: Filippenzen 2
Het evangelie van Christus is een vreemde eend in de bijt in onze wereld vol eigenbelang. De kern van dat evangelie is dat Gods Zoon alles opgaf. Hij zocht bepaald niet Zijn eigen belang. Hij liet werkelijk alles los om anderen te redden. Door Hem kwam een andere mentaliteit in deze wereld. In de kerk van Christus heerst geen belangencultuur, maar zet de christen het belang van de ander voorop. Wat merkt u van die houding bij uzelf en anderen?

10 juli: Filippenzen 3
De Benjaminiet Paulus lag vaak in de clinch met de mensen van zijn eigen volk. De omkeer in zijn leven maakte (nog) niet iedereen mee. Paulus had zijn oude 'gerechtigheid' juist opgegeven toen Hij door Christus was gegrepen. Dat wilde hij nooit meer kwijt, al zou het hem z'n leven kosten. In zijn cel was de dreiging van de dood, maar wie met Christus sterft zal ook de kracht van Zijn opstanding ervaren : we zijn hemelburgers.

11 juli: Filippenzen 4
In een cel kun je eerst agressief en dan depressief worden : je kunt geen kant op. Maar in de cel van Paulus heerst vrede, die inderdaad ons verstand te boven gaat. In de cel van Paulus is zelfs blijdschap, die inderdaad niet menselijk meer is. Waar Christus je leven is geworden, ben je niet meer afhankelijk van de omstandigheden. Paulus gaat ondanks de omstandigheden van kracht tot kracht steeds voort (psalm 84). Hoe kan dat?

12 juli: Psalm 20
De koning van Gods volk mocht er niet teveel paarden op nahouden (Deut.17:16). Zijn vertrouwen moest zijn op de naam van zijn God. God geeft de overwinning. Onze Koning Christus wees het gebruik van zwaarden af. Zijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Zijn zwaard is Zijn Woord. En wij bidden voor onze Koning: Uw Koninkrijk kome, d.w.z. regeer ons door uw Geest en Woord (Heid.Cat.123).

13 juli: Kolossenzen 1:1-23
Ook nu schrijft Christus' apostel uit een cel (zie o.a. 4:18). De machten lijken het in deze wereld voor het zeggen te hebben, maar hij benadrukt in deze brief dat Christus boven al die machten staat. Ondanks tegenstand groeit het evangelie (vs.6) over de breedte van deze wereld. Paulus bidt voor de gemeente dat die ook mag groeien. Door de juiste kennis groei je. Kunt u zeggen hoe dat werkt?

14 juli: Kolossenzen 1:24-2:15
Altijd weer beweren verlichte geesten dat er meer nodig is dan het geloof in Jezus. Je moet ook zelf wat doen, bijv. door je te laten besnijden of je in New Age te verdiepen. Paulus noemt dat een werelds denken dat voorbij gaat aan Christus. Christus heeft Gods diepste plan onthuld. Alleen in Hem ontmoet je de volheid van God. Alle groei buiten Christus om is scheefgroei.

15 juli: Kolossenzen 2:16-3:17
Hoe groei je in Christus? Door met Hem te sterven en op te staan. Het mťt Christus sterven betekent loslaten van de oude (heidense) levensstijl. Het mťt Christus opstaan betekent een nieuwe (christelijke) levensstijl aannemen. Dat nieuwe leven kent vergeving in plaats van wrok. Je gaat samen op weg in de gemeente in plaats van op je eentje te blijven. En samen kun je zingenÖ

16 juli: Kolossenzen 3:18-4:18
Na de gemeente de weg met Christus gewezen te hebben, gaan de gedachten van zendeling Paulus al weer verder : het evangelie moet de wereld over. Hij vraagt om gebed voor die voortgang van het evangelie : een open deur. Hij wijst op een goed gesprek bij die voortgang van het evangelie : het juiste moment. Je moet niet te pas en te onpas het evangelie rondbazuinen - wacht, bidt om het goede moment. Weet u hoe u aan ieder het juiste antwoord moet geven? (vs.6)

17 juli: 1 Tessalonicenzen 1
Wat schrijf je iemand die net christen is? Deze brieven aan Tessalonica zijn de oudste brieven, gericht aan de jonge gemeente (zie Hand.17:1-9). Dit is dus basisonderwijs. In dit eerste hoofdstuk zie je hoe Paulus hen leert dat hun keus voor God een keus van God is. Hun gehoor geven aan het evangelie is een blijk van verkiezing (vs.4 en volgende). De jonge christen hoeft niet op eigen kracht verder, maar mag altijd terug naar de bron : God Zelf.

18 juli: 1 Tessalonicenzen 2
Wat willen goede ouders? Ze willen graag dat hun kind zelfstandig wordt. Paulus zorgde als een vader (vs.11) en moeder( vs.7,17) voor de jonge gemeente. Maar in die zorg gaat het om zelfstandigheid. Wat houdt die zelfstandigheid in? Een mondige gemeente blijft niet hangen in de relatie tot de predikers, maar leeft uit het Woord als Gods Woord. Herkent u dat?

19 juli: 1 Tessalonicenzen 3
Eťn van de gevaarlijkste momenten voor jonge christenen komt als blijkt dat de weg achter Jezus aan je moeite oplevert. Deze gemeente kreeg ook de nodige tegenstand (van de joden). Laten ze terugdenken aan het eerste onderwijs (vs.3-5): Paulus zei toen dat de weg achter Christus aan de weg van het kruis is. Nu stuurt Paulus TimoteŁs om te checken of ze de proef hebben doorstaan. Wat is zijn rapport?

20 juli: 1 Tessalonicenzen 4
Wie net christen is, zit met de vraag hoe je nieuwe leven eruit hoort te zien : wat verandert er? Op Gods weg gaat het om reinheid (vs.4-8), broederliefde (vs.9-10), ijver in je werk (vs.11-12) en hoop in rouw (vs.13-18). De weg van de heiliging is de weg van het nieuwe leven naar de toekomst van Christus. Onderweg verander je steeds meer - vorming naar Zijn beeld.

21 juli: 1 Tessalonicenzen 5
De Geest leidt de jonge kerk via profetieŽn. Maar die moeten beoordeeld worden. Nu zijn mensen gauw op hun teentjes getrapt of raken van al dat gepraat in de war en doen niet meer mee. Maar dan veracht je de profetieŽn. Je bent de Geest aan het "doven". Alle warmte gaat uit je geloofsleven als je niet meer met de gemeente meedoet in het luisteren naar en spreken over de bijbelse boodschap.

22 juli: Psalm 21
De koning die niet op zijn paarden maar op Gods naam vertrouwt (psalm 20) krijgt van God de overwinning. David heeft de vijanden van Gods volk overwonnen. Zijn grote Zoon, onze Koning zal alle vijanden maken tot een voetbank voor Gods voeten. De zaak staat vast, want van Hem is het Koninkrijk, d.w.z. Hij is onze Koning en heeft alle dingen in Zijn macht (Heid.Cat.128).

H.Drost, Haren

23 juli: 2 Tessalonicenzen 1
Er zijn mensen die zich verzetten tegen de term 'geloofsgroei'. Dat zou niet bijbels zijn. Geloof is geloof, een kwalitatief begrip, en daar mag je dus niet kwantitatief, in termen van minder of meer, over spreken. Je gelooft of je gelooft niet. Nou, de apostel weet wel anders. Hij dankt God (!) voor het 'sterk toenemen' van het geloof (en de liefde, want die zijn niet los van elkaar verkrijgbaar) van de Tessalonicenzen. Natuurlijk dreigt het gevaar, dat je met 'geloofsgroei' je zekerheid weer gaat zoeken in je eigen daden en niet in Gods daden, lees: Christus' voor jou volbrachte werk. Maar toch kun je wel degelijk groeien in hoeveel je daarvan houdt, ja in hoeverre het de schat van je leven wordt. Wie daarin niet groeit, staat stil, en stilstand is achteruitgang, geloof is juist organisch, het neemt bezit van jou, van jouw persoon, en het groeit en bloeit (net zoals het ook wel eens slechte tijden heeft), want het leeft, want Christus leeft in jou. Statisch geloof zal straks ontmaskerd worden door het vuur van Jezus' wederkomst.

24 juli: 2 Tessalonicenzen 2
Wij zijn zo argeloos. Ik ook. We leven in onze maatschappij en nemen er deel aan, alsof er geen greintje gevaar is. Vergelijk het met een mijnenveld: we hollen erover heen en weer als kinderen, die niet door hebben wat er vlak onder de grond verstopt ligt: dood en verderf. Ik merk, dat ik het er in m'n gemeente ook nauwelijks 'ingepreekt' krijg. De mensen verklaren je zomaar voor een zwartkijker: gevaar?, hoezo gevaar. We hebben toch onze eigen gereformeerde goot wel, vanwaaruit we deelnemen aan onze geseculariseerde maatschappij, en die goot beschermt toch? Dus niet. Tegen de Wetteloze, waar Paulus over spreekt, is een wapenrusting van levend geloof nodig. En je zult van dag tot dag bewust moeten kiezen en selecteren, want de Wetteloze legt juist zijn hand op de maatschappij, op heel het openbare leven met heel zijn aanbod; waar wij juist zo vrij en onbekrompen gebruik van maken? Wie wil overleven, zal vreemdelingschap moeten leren. Geen eigen gootje, dat eigenlijk met heel het moderne leven meeloopt, gereformeerde heidenen om het nu maar eens hard te zeggen. Nee, geheel andere mensen. Gij hebt toch Christus leren kennen, zegt dezelfde apostel in EfeziŽrs 4. Je zou het soms niet zeggen, als je onze argeloosheid in ogenschouw neemt.

25 juli: 2 Tessalonicenzen 3
Ondertussen vraagt Paulus van ons geen buitensporige dingen. Heiligheid, leven in nauwe verbondenheid met Christus, betekent gewoon je werk blijven doen. We hoeven echt geen geestelijke exercities uit te gaan halen, die bij het dweperige en werkheilige af zijn en die als een loden last gaan wegen; die ons ook wereldvreemd maken. Geloof groeit op de gewone werkplek; mits we maar leven en werken in Christus. Maar we werken zo vaak buiten Christus om. We werken nogal eens als de heidenen; alsof ons leven er vanaf hangt en door bepaald wordt. Lees Mat.6:24-34 er nog maar eens bij. Gewoon werken dus, trouw, en in het vertrouwen dat God zorgt, en dat de dag van de Heer eraan komt. Op die dag ben je gewoon op het veld bezig en je zult aangenomen worden. Zo van de fabriek Gods nieuwe wereld in. Maranatha!

26 juli: Exodus 1
Gods belofte, aan Abraham gedaan, gaat in vervulling: het volk van de belofte wordt talrijk en sterk. Farao balanceert tussen uitroeien en handhaven: hun capaciteiten benutten, ondertussen hun potentie (letterlijk!) ondermijnen. De eerste aanzetten van de holocaust komen eraan. Een wonderlijke verknoping van abortus en euthanasie ineen moet de oplossing brengen: gooi de jongetjes maar in de godrivier de Nijl, onze god weet er wel raad mee. Maar wie Gods volk op het vlak van de natuur bestrijdt, zal merken hoe het geestelijk overwint. Waarbij overigens de natuur niet uitgeschakeld wordt: door Gods Geest beademd neemt het volk alleen nog maar meer toe en wordt sterker en sterker. Zegt dit hoofdstuk trouwens ook nog iets over de kinderzegen vandaag, nu ook de gereformeerde gezinnen kleiner en kleiner geworden zijn? Ik zeg niet, dat ik het antwoord op die vraag weet, toen is niet nu, ik constateer alleen de praktijk waarbij ik een open vraag stel. Kinderzegen? Kerkbouw? Natuurlijk kan God uit stenen Abrahamskinderen verwekken, maar de Koninklijke weg is toch allereerst het Abrahamsverbond, dat Hij bevestigt van kind tot kind?

27 juli: Exodus 2:1-22
Het gaat in Gods verlossend handelen er wel allemaal vreemd aan toe. Mozes blijkt levensvatbaar doordat hij 'uit het water getrokken wordt'. Kijk, dat is toch een doop van jewelste: dwars door de beoogde verdrinkingsdood heen het land van Gods opstanding opgetrokken. Mozes komt daarmee ook nog eens uitgerekend in Farao's paleis terecht: alle bronnen van onderwijs en cultuur, maar ook gewoon: gezonde voeding, staan hem ter beschikking. Niet door jouw kracht en drift, maar door Mijn Geest, dat moet Mozes leren bij zijn eerste interventie Egypte tegenover IsraŽl; steeds weer overigens, zoals wij allemaal, zoals Petrus later ook met z'n getrokken zwaard in de hof van de Olijven. Wil Mozes middelaar van het oude verbond kunnen worden, dan zal hij met huid en haar uit kracht van de Middelaar van het nieuwe verbond moeten gaan opereren. Vluchten hoort daarbij. Teruggeworpen worden op God. Vreemdeling, enkel geborgen in God, zo zoon van Abraham, de vreemdeling bij uitstek. Dat Mozes zijn eerstgeborene Gersom noemt, laat zien dat hij zijn situatie door heeft: 'ik ben vreemdeling geworden in een onbekend land'. DŠn gaat God hem roepen.

28 juli: Exodus 2:23-3:22
Het is ongelofelijk, maar waar, hoe snel het geloof in enkele generaties helemaal kan verdwijnen. IsraŽl is nu enkele generaties verder, sinds ze voor het eerst voet in Egypte zetten (Gen.15:16 rekent vanaf Abraham tot de uittocht 4 generaties). Wat blijkt: ze kennen de God van hun voorouders, van Abraham, Isaak en Jakob, helemaal niet meer. Dat is onthutsend. Mozes moet God opnieuw bij hen introduceren: 'zeg tegen hen: Ik ben die Ik ben heeft mij tot jullie gestuurd, Hij is de Heer, de God van jullie voorouders, de God van Abraham, Isaak en Jakob'(vs.15). IsraŽl is inmiddels en masse overgestapt op de goden van de maatschappij waarin ze nu al van opa tot achterkleinkind leven: de goden van Egypte. Zo hou je je hart ook vast, als je ziet hoe snel vandaag van vader op zoon en moeder op dochter het geloof wegzakt: het Godsverbond van ouders op kinderen heeft ook zīn grimmige keerzijde, die ook in het tweede gebod naar voren komt. Gelukkig maar dat Jahwe Dezelfde blijft in zijn trouw: die is, die was en die komt, Ik ben die Ik ben. Hij is zijn inmiddels nu al 400 jaar geleden met Abraham gesloten verbond niet vergeten, integendeel.

29 juli: Exodus 4
Het gaat er grimmig aan toe, nu Mozes de uitleidende Hand van de HERE moet gaan vertegenwoordigen. De tekenen lijken willekeurig, maar liegen er niet om: de slang, de melaatsheid en het bloed. In ieder geval symboliseren ze iets van het gevecht, dat Jahwe van de machten nu aangaat met de tegenkrachten van de Farao, de Nijl en de duivel. Mozes blijft protesteren, omdat hij de spanning wel voelt van de machtsstrijd waarin hij nu verwikkeld zal gaan worden. Om zijn taak te kunnen vervullen zal Hij eerst zelf als een heilig man zijn gezin moeten voorgaan. De door God geforceerde, verlate besnijdenis van Gersom, die nota bene door de moeder voltrokken wordt, werpt Mozes erop terug, dat niet door menselijke potentie, maar door Gods kracht het volk uitgeleid zal worden. Maar met God verkeren is voor alles heilig zijn. Wie dit leest kan alleen maar opnieuw huiveren voor de heilige liefde van God. En je vraagt je soms af of wij niet al te onheilig met Gods liefde omgaan, daar waar wij zo de liefde van God benadrukken maar toch al spijkerbroekend en open-boorderig voor zijn aangezicht verschijnen dat het een lieve lust is. Ach ja, het hart nietwaar, daar komt het op aan, zeggen we dan. Dat klopt, maar waarom zocht God dan de toch inmiddels wel hartelijk geworden Mozes te doden? Waarom moest Mozes de schoenen van zīn voeten doen (3:5)?

30 juli: Psalm 22:1-22
Het kenmerkende van psalm 22 is, dat de dichter van alles te verduren heeft. Maar dat het van de kant van mensen komt, die hem dit aandoen; en niet van God. Het is vaak moeilijk voor ons om dat uit elkaar te houden. Als de wind tegen zit, als mensen ons de voet dwars zetten, dan projecteren we dat zomaar op God zelf: waar is God, waarom doet God mij dit aan. Nee, dus. God wordt hier, in alle aanvechting van de dichter (dat wel!), neergezet als de God op wie de vaderen niet vergeefs al hun vertrouwen zetten. Als God vůůr ons is, wie zal tegen ons zijn, zal Paulus ons later leren zeggen (Rom.8). Wie of wat kan ons scheiden van Gods liefde? Niets inderdaad, omdat Gods liefde immers vastligt in Christus. Zal Hij die ons zijn Zoon gegeven heeft, ons met hem niet alles schenken. Natuurlijk, Godlof! Overigens: de Zoon kwam Psalm 22 ook tegen: aan het kruis, toen juist niet alleen de mensen tegen Hem, maar juist ook zijn God tegen Hem was: mijn God, waarom hebt U mij verlaten?

31 juli: Psalm 22:23-32
Verlossing moet gevierd worden! En niet in je eentje, en ook niet privť aan huis, maar temidden van Gods volk in Gods huis! Uitbundig wordt de offermaaltijd genuttigd! De perspectieven verbreden zich hier in de psalm ineens enorm: de psalm balanceerde toch al vanaf het begin op de rand van beschrijving en toekomstprofetie. Het avondmaal komt in beeld, de einden van de aarde, alle volken... Gods koninkrijk komt eraan; en we heffen er nu al de beker van de dankzegging op, toch?! Op met zīn allen naar de nieuwe wijn van de nieuwe hemelaarde!

M.A. Dronkers, Helpman