Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-1, februari
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 februari: MatteŁs 22
Een koning richt een bruiloftsdiner aan voor zijn zoon. Dť Zoon is Jezus. De Joden bedanken voor de uitnodiging. Het feest is voor zondaren. Zij zijn blij als God hen roept en maken zich klaar voor de Bruiloft.
Joodse leiders proberen Jezus te vangen met woorden: 1. FarizeeŽn willen Hem een uitspraak ontlokken over de belasting aan de keizer; 2. SadduceeŽn willen Hem in verwarring brengen door een kwestie over de opstanding; 3. FarizeeŽn komen met de vraag naar 'het grote gebod'; 4. Jezus zelf neemt het initiatief met een vraag over de Zoon van David.

2 februari: MatteŁs 23
Jezus spreekt zijn dreigend 'wee u!' over Schriftgeleerden en FarizeeŽn. Zij die het Woord moesten uitleggen, hebben gezorgd dat de schare de wet niet kent. Ze hebben zich vastgespijkerd aan uiterlijkheden, terwijl zij van binnen vol wetteloosheid zijn. In plaats van de poort naar Gods rijk te openen hielden zij de deur dicht. Jeruzalem, JeruzalemÖ

3 februari: MatteŁs 24:1-28
Nog terwijl Jezus zich binnen het tempelcomplex bevindt, kondigt Hij de verwoesting ervan aan. Voor het besef van zijn leerlingen hield de val van de tempel direct verband met de komst van de Messias en het einde van de wereld. Vandaar hun vraag: wanneer zal die heerlijke toekomst aanbreken? Maar Jezus leert hen dat beide gebeurtenissen ver uit elkaar liggen. Tot vers 13 spreekt Hij over wat zijn leerlingen straks te wachten staat, vanaf vers 15 over de verlossing van zijn kerk bij de val van Jeruzalem.

4 februari: MatteŁs 24:29-51
Na Jeruzalems val gaat het regelrecht ('terstond') naar het einde van de wereld, ook al kan het nog lang duren. Christus komt op een wijze die de kosmos doet beven. De gelijkenis van de vijgeboom is bemoedigend: wie de bladeren ziet uitlopen, weet dat de oogsttijd komt! Alleen de Vader weet het moment van Christus' verschijning. Zijn komst zal rampzalig zijn voor wie er niet mee rekenen, en zal plotseling gelovigen en ongelovigen scheiden. Daarom: 'Waakt!' Gelukkig is de betrouwbare knecht, de slechte wordt overvallen door de oordeelsdag.

5 februari: MatteŁs 25:1-30
De 1e gelijkenis is een illustratie bij wat Jezus hiervoor gezegd heeft. De tijd tot zijn komst is een proeftijd, zodat duidelijk wordt wie dwaas is en wie wijs. Wie wijs zijn zullen er alles aan doen om hun geloof op peil te houden, zodat zij straks niet te laat zijn. De 2e gelijkenis sluit hierbij aan. Ieder krijgt een andere taak en verantwoordelijkheid. Ieder moet straks rekenschap afleggen. Aan wie veel is toevertrouwd, van hem zal ook veel worden gevraagd. Wie lui is, staat er straks buiten.

6 februari: MatteŁs 25:31-26:16
Wanneer Christus komt, zal Hij een ieder vergelden naar zijn werken. Vandaag al valt de beslissing of zijn komst voor ons een feest wordt of niet. Vervolgens doet Jezus een opvallende uitspraak: Hij maakt de dag en de wijze van zijn sterven bekend. Het moment van zijn verschijning in heerlijkheid is pas te verwachten na zijn důůd! Deze ster van Jezus' plan schittert boven het aardse, duistere tafereel: leiders die een list beramen, leerlingen die een gelovige vrouw hinderen, ťťn van de twaalven die een complot smeedt.

7 februari: MatteŁs 26:17-46
Het laatste Pascha wordt voorbereid. Jezus voorzegt het verraad. Brood en wijn maakt hij tot tekens van zijn naderend sterven. Jezus belicht vanuit de Schriften hoe de Herder alleen moet blijven, wanneer Gods slagen vallen. MaarÖ op het sterven volgt de opstanding! Petrus zal zijn hoge toon moeten laten varen voordat de haan de volgende dag aankondigt. Jezus lijdt alleen, zijn leerlingen slapen. Gesterkt door het gebed wekt Hij hen omdat nu het uur is aangebroken voor de overlevering.

8 februari: MatteŁs 26:47-75
Judas' kus is het teken om Jezus gevangen te nemen. N.a.v. het agressieve gedrag van een leerling, benadrukt Jezus nog eens dat de Schriften vervuld moeten worden. De leerlingen slaan op de vlucht. De schapen worden verstrooid (26:31!).
Jezus wordt verhoord door de hogepriester. Petrus moet antwoorden op de vragen van de slavinnen van de hogepriester. Jezus antwoordt met een eed. Petrus met een meineed. Voor Jezus loopt het uit op een zeer bitter lijden, voor Petrus op een bitter wenen.

9 februari: Psalm 5
David legt de HERE zijn moeitenvolle situatie voor. Zijn tegenstanders staan nergens voor. Hun vijandschap tegen David is in feite gericht tegen de HERE! Hier is dan ook geen sprake van persoonlijke wraakgevoelens. David strijdt voor de eer van de HERE. God zal de goddelozen straffen. Heel anders is het met hen die bij de HERE schuilen. Hun situatie kan moeilijk zijn, maar hun gebed wordt verhoord. Er komt uitredding. Een belofte voor altijd.

10 februari: MatteŁs 27:1-26
Jezus gaat lijden als de Rechtvaardige. Judas komt tot de erkenning dat hij 'onschuldig bloed' heeft verraden. De vrouw van Pilatus noemt Jezus een 'rechtvaardige'. Pilatus moet dit ook zelf beamen. Uit angst voor oproer geeft hij de joden hun zin en geeft bevel Jezus te kruisigen.

11 februari: MatteŁs 27:27-44
Een hel van spot komt over de Koning der Joden. De soldaten spelen hun spel: Jezus wordt uitgedost als spotkoning (zie Ps.22:8). De wijn met gal is de vervulling van Ps.69:22. De verdeling van Jezus' kleren d.m.v. het lot is de vervulling van Ps.22:19. De beschuldiging boven het kruis is de bijtende spot van Pilatus (Joh.19:19-22). Ook met woorden van Ps.22:9 wordt Jezus als gekruisigde gehoond (vs. 43).

12 februari: MatteŁs 27:45-66
De zonsverduistering was bewijs van Gods toorn. Jezus werd door zijn Vader prijsgegeven aan de verschrikkingen van de hel. Als het licht wordt, schreeuwt Hij Ps.22:2a uit. Niet als klacht maar als beroep op zijn Vader: "Ik heb uw toorn ondergaan. Nu is er toch geen reden meer Mij te verlaten?" Nu begint Jezus' rechtvaardiging. De hoofdman bij het kruis komt tot een prille belijdenis. Het tempelgordijn scheurt, rotsen splijten en graven breken open. Die onder misdadigers gerekend werd, is bij de rijke in zijn dood geweest (Jes.53:9).

13 februari: MatteŁs 28
De goede Herder heeft de dood overwonnen. Hij neemt zijn herdersstaf weer op. Hij kan weer vůůr(op)gaan. Verbroken verhoudingen worden hersteld, verstrooide schapen bijeengebracht. De Raad brengt voor grof geld een lastercampagne op gang. Maar daar, waar de vergadering van de kudde begon, in het Galilea der heidenen, trekt de Herder zijn leerlingen samen en geeft hun als zijn apostelen zijn zendingsbevel. Als IsraŽl niet luistert, dan gaat het evangelie de wereld in!

J.M.A. Groeneveld, Bedum

14 februari: HebreeŽn 1
De brief aan de HebreeŽn kent geen briefhoofd, geen adres en geen afzender. Vragen genoeg rondom dit geschrift, dat misschien niet eens een brief is. Hoe dan ook, de schrijver valt met de deur in huis. De inzet is de inhoud: God heeft op veel verschillende manieren gesproken, maar Gods diepste woord vernemen we in zijn Zoon Jezus Christus, de afstraling van Gods heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen.

15 februari: HebreeŽn 2
Om Jezus Christus gaat het dus. Hem heeft de Vader gekroond met macht. Maar dat strijdt misschien met onze waarneming, want wat zien we daar nou van? Pastoraal is dan de toonzetting: we zien alleen nog een lijdende Heer Jezus. Maar de weg van God is: door lijden heen tot glorie. En Jezus is de Gids die ons voorgaat op deze weg. Door lijden heen brengt Hij vele zonen tot heerlijkheid.

16 februari: HebreeŽn 3
Gidsen op weg naar het behoud zijn er meer geweest. Mozes was zo'n gids. Maar hij haalt het niet bij Jezus Christus, die immers de Zoon van het Huis is. Dus klinkt de aansporing: hou je vast aan Jezus Christus. Met andere woorden, herhaal niet de fouten van het verleden door als het volk IsraŽl in de woestijn je hart te verharden en daardoor de beloofde rust te missen.

17 februari: HebreeŽn 4:1-5:10
Je hebt sabbatsrust en sabbatsrust: eentje in de 'diepte' (rusten van je - boze - werken) en eentje 'aan de oppervlakte' (een dag rust). Het gaat natuurlijk om die 'diepe'. Het gaat erom dat je die rust bereikt, die het volk IsraŽl nooit bereikt heeft. Dus moet je vasthouden aan de belijdenis dat Jezus onze Hogepriester is. Hij voelt mee met onze zwakheden en Hij kan brengen wat Ašron en zijn zonen niet konden brengen: eeuwig heil.

18 februari: HebreeŽn 5:11-6:20
Gemakkelijk is het niet, wat de briefschrijver allemaal zegt. Dat geeft hij zelf toe. Maar zegt dat niet eerder dat zijn hoorders traag zijn geworden? Kennelijk is het mogelijk, dat geloven stilstaan wordt of zelfs achteruitgaan. Inzet is daarom vereist: blijf leergierig, blijf ijverig. En vooral: blijf hopen. Hoop is altijd gericht op iets dat vůůr je ligt. Wie niet meer hoopt, staat stil of gaat achteruit.

19 februari: HebreeŽn 7
Het thema 'Jezus Hogepriester' is al eens aangesneden. Nu wordt het uitgewerkt. Jezus is Hogepriester naar de ordening van Melchisedek (vgl. Gen. 14) en dus hoger hogepriester dan Ašron en zijn zonen. ZŪj waren gebonden aan afkomst, aan zonde en aan dood. Jezus is Hogepriester krachtens onvernietigbaar leven: zonder afkomst, zonder zonde, zonder dood. Hij kan dus volkomen behouden.

20 februari: Psalm 6
Het is wel wonderlijk hoe deze psalm valt tussen de lezingen uit de HebreeŽn-brief. Menselijk leven is kwetsbaar. Midden in het leven zijn wij door de dood omgeven. Psalm 6 is een zucht naar God, een zucht om verlossing uit de dood. Maar het slot van de psalm is al net zo juichend als de inhoud van de brief aan de HebreeŽn: mensen die midden in de dood liggen ontvangen in Jezus Christus het leven!

21 februari: HebreeŽn 8
De schrijver heeft een lange aanloop nodig naar zijn hoofdonderwerp, zou je kunnen concluderen uit vers 1. Maar het is het refrein dat tot nu toe al steeds tot klinken is gebracht. Ik zou zelfs zeggen: het is niet alleen het hoofdonderwerp van deze brief, maar van de hele Bijbel. Oude en Nieuwe Testament zijn ťťn in Jezus Christus. Het Oude wijst vooruit en het Nieuwe vertelt, dat Hij het is: Jezus Messias, onze enige Hogepriester.

22 februari: HebreeŽn 9
Dit hoofdstuk moet je eigenlijk lezen als ťťn lange uitleg van het vorige. Het werk van de priesters in het Oude Testament in de aardse tabernakel had een onaf, voorlopig karakter vergeleken met wat Hogepriester Jezus heeft gedaan in de ware tabernakel, de hemel. Wat Jezus doet is volmaakt en definitief. Het is eens en voor altijd. Leesoefening: zet de verschillen die de schrijver noemt eens op een rij.

23 februari: HebreeŽn 10:1-18
Eťn verschilpunt licht de schrijver van de brief er nog eens extra uit: het offer. De offers uit het Oude Testament kunnen niet verzoenen. Hoogstens herinneren ze je eraan, dat je zondig bent. Vandaar ook de herhaling: je blijft erbij bepaald worden dat de echte verzoening met God van de andere kant moet komen. En die komt er: het offer van Jezus, eens voor altijd gebracht, brengt volmaakte verzoening.

24 februari: HebreeŽn 10:19-39
Na de uitleg komt de toepassing, zou je kunnen zeggen. En die luidt: treed binnen in het heiligdom van God, zonder angst, maar vrijmoedig, in de volle zekerheid van het geloof, want Christus heeft voor jou het offer gebracht. De triomf van de genade! Vrijblijvend is het niet. Wie deze genade achteloos naast zich neerlegt of die met voeten treedt, moet zich klaarmaken voor een ontmoeting met de levende God.

25 februari: HebreeŽn 11:1-22
Nu gaat de schrijver van de brief dieper door op het thema 'geloof'. Geloof is altijd verder kijken dan de grenzen van je eigen werkelijkheid. Geloven is boven het hier en nu uitkijken. En dus is geloven een afscheid van het denken in 'what you see is what you get'. Nee dus: er is meer. Zo hebben veel heiligen geleefd. Ze waren zeker van dingen, die ze alleen nog konden hopen en die ze nog niet konden zien. Dit geloof hield hen gaande.

26 februari: HebreeŽn 11:23-40
We lezen verder in het bekende hoofdstuk met 'geloofsgetuigen'. Variaties op hetzelfde thema. Mensen geloofden en hoopten, terwijl niets in hun werkelijkheid erop wees dat ze het bij het rechte eind hadden. Alles wat ze deden was een keuze maken en daarbij blijven. De gevolgen namen ze voor lief, hoe die ook waren: goed of slecht. Indrukwekkend, nietwaar, de heiligen ons voorgegaan.

27 februari: HebreeŽn 12:1-13
De tribune zit dus volgepakt. Allemaal geloofsgetuigen die je mag zien als supporters. Gedragen door hun aanmoedigingen kun je de wedloop lopen. En hou je oog gericht op Jezus: moest Hij ook niet lijden en zit Hij nu niet aan Gods rechterhand? Het wordt dus afzien, die wedloop. Maar geef nooit op, vind eerder motivatie en stimulans in afzien en lijden: je zit op de goede weg (vgl. 1Petr. 4: 12-16).

28 februari: HebreeŽn 12:14-29
Een dringend appŤl horen we nu. Blijf niet achter. Haal niet onverschillig je schouders op als Esau. Wijs Hem die spreekt niet af. Want we hebben niet over zomaar een way of life. Nee, we zijn genaderd tot God, de Rechter over allen. Als in het Oude Testament zijn verschijning zo ontzagwekkend was, hoeveel te meer nu. Weet wat je doet dus: onze God is een verterend vuur.

J.M. Oldenhuis, Sauwerd