Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-1, december
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 december: Psalm 34:12-23
Vandaar ook de 'les aan de armen' die nu volgt. Talrijk zijn de rampen van de rechtvaardige. God haalt ons niet weg uit de bedeling van de gebrokenheid. Maar geen been van je zal gebroken worden. Johannes betrekt dat later op de manier van Jezusī kruisdood, Joh.19:36. In Christusī zelfovergave zit de heelheid, de ongebrokenheid van het paasoffer; en daarin onze totale verlossing!

M.A.Dronkers, Helpman

2 december: Numeri 19
Zolang iemand onrein was, was hij feitelijk buitengesloten uit de menselijke samenleving. Ook al was die onreinheid soms onvermijdelijk als er bijvoorbeeld thuis een sterfgeval voorkwam. De dood maakte o.a. in IsraŽl onrein. Een priester mocht zijn eigen overleden vrouw niet aanraken en de Hogepriester mocht bij geen enkele dode komen, ook niet bij zijn ouders. Logisch, want de dood is het resultaat van de zonde die er in de wereld is gekomen. Zet hier nu naast Lucas 7:14 (de jongeman uit NaÔn). Uit ontferming maakt Jezus zich opzettelijk onrein. Maar let op: de jongen komt tot leven. Straks sterft Jezus aan het vervloekte hout om ons het leven te kunnen geven. Numeri 19 heeft dus een vervolg!

3 december: Numeri 20:1-21
Het is bekend dat herders voor hun kudde water te voorschijn wisten te slaan uit rotsen in de woestijn. Zij zochten dan een dunne plek in de rots (verkalking) waarachter zich water bevond. Mozes had moeten spreken, maar slaat. D.w.z. hij doet het zelf. Hij heeft God niet laten zien in de majesteit van zijn spreken. Hij is vůůr de Here gaan staan en heeft het volk het zicht op Gods zorg ontnomen. De grote Mozes (Jezus) faalt niet en brengt zijn verlosten in het Koninkrijk van God.

4 december: Numeri 20:22-21:9
Volk bidt om de wegneming van de slangen. Dat gebeurt niet. Er komt zelfs een slang bij! Een vreemde opdracht: als je dodelijk bent gebeten moet je naar die dode koperen slang kijken (gefixeerd) en je blijft in leven. Waarom? De slang is de personificatie van het kwaad. Het volk moest naar die slang kijken om tot de erkenning te komen: het is onze eigen schuld; wij hebben gezondigd. Confronterend! Maar ook verlossend! Jezus haalt dit aan in Johannes 3:14-15. Geloven is: gefixeerd naar Jezus kijken aan het kruis. Daar zie ik mijn schuld die Hij draagt. Ik heb gezondigd, maar Ik zie daar ook mijn Verlosser hangen!

5 december: Numeri 21:10-35
Vers 22 beschrijft het verzoek van IsraŽl aan de Amorieten: Laat mij door uw land trekken; wij zullen niet afbuigen door akkers en wijngaarden, wij zullen geen welwater drinken, de koninklijke weg zullen wij gaan, totdat wij uw gebied doorgetrokken zijn. Maar het antwoord was nee en meteen grijpen de Amorieten naar de wapens. Het gevolg: IsraŽl neemt alles in. Conclusie: als het gaat om wreedheden in het Oude Testament, dan ontdekken we meermalen dat de vijandschap van anderen tegen de God van IsraŽl de ware boosdoener is.

6 december: Numeri 22:1-21
Met militaire middelen valt IsraŽl niet te bestrijden. Het moet met woorden gebeuren. Vloekwoorden wel te verstaan. Dan huur je meteen de beste in en je kijkt niet op een beetje geld. De Moabieten en de Midjanieten smeden een alliantie en huren een wereldberoemde beroepsvloeker in: Bileam. Het is wel 600 km. reizen (bij de Eufraat), maar ach, je moet er wel wat voor over hebben. Eťn ding is Bileam wel duidelijk: hij zal niet anders kunnen dan Gods woorden spreken.

7 december: Numeri 22:22-41
God waakt over zijn volk. Middels de ezel wordt dat Bileam ook nog eens goed duidelijk. Wij vragen ons best wel eens af: heeft God het wel in handen? Zorgt hij wel voor ons? Toen IsraŽl nog nietsvermoedend in de woestijn gelegerd was, was de Koning van IsraŽl al uitgebreid bezig om zijn volk te beschermen.

8 december: Numeri 23
Gods volk is met geen ander volk te vergelijken (vers 9). Dat blijkt in Numeri ook steeds weer het geval te zijn. God gaat met IsraŽl zijn weg. En IsraŽl blijft Gods volk. Er zijn nog bijzondere beloften voor het joodse volk (Rom.9-11 o.a.). Dat blijft. De kerk is zeer beslist niet in de plaats van IsraŽl gekomen! Dat neemt niet weg dat er voor het Nieuwtestamentische volk van God grote dingen worden gezegd. Lees maar in Galaten 3:26-29. Daar mag je gepast trots op zijn om daarmee God de eer te geven!

9 december: Numeri 24
In vers 17 staat: Een ster gaat op uit Jakob, een scepter rijst op uit IsraŽl. Het gaat dus over een koning. Ten diepste over Jezus. "Hij heeft machtigen van de troon gestoten en eenvoudigen verhoogd". En hoe vonden de magiŽrs uit het Oosten Hem? Via de (konings)ster. In Numeri gaat het dus ook al over Jezus. En God laat het komen uit de mond van een beroepsvloeker. Wie is hier het sterkst?

10 december: Numeri 25
In hoofdstuk 24:25 lijkt Bileam gewoon naar huis te gaan. Maar als we Numeri 31:16 lezen, dan blijkt dat Bileam wel gesproken heeft wat God hem had geboden, maar dat het slechts lippendienst was. Voordat hij afreist heeft hij nog een tip: voor vrouwen vallen ze wel. Een goed geheim wapen. En jawel, het werkt. Maar Pinechas van de bewakingsdienst grijpt in als iemand van IsraŽl grof brutaal (vers 6) openlijk de God van IsraŽl te kijk zet. Terwijl Zimri en Kozbi geslachtsgemeenschap met elkaar hebben steekt hij ze dood en doet dat richting hun geslachtsdelen (onderbuik). Pinechas kwam op voor de eer van God en de plaag houdt op.

11 december: Psalm 35:1-18
Om stil van te worden. Deze dichter heeft zijn vijanden liefgehad op een bijzondere manier (vers 13 en 14). Daar kunnen wij wat van leren. Doe net of die ander je vriend of broer of moeder is. Wat zou je dan doen? Doe dat dan ook met hen. Onbaatzuchtige liefde. Die zie je volmaakt in Jezus. "Wij willen worden als Hij; elkanders lasten dragen wij. Wie is er nedr'ig en klein? Die zal bij ons de grootste zijn".

12 december: Psalm 35:19-28
Hoe vol liefde de dichter ook was, z'n vijanden lopen er mee weg. Ze beloeren hem en proberen hem ergens op te pakken. En dan ineens: "Ha, ha! ons oog heeft het gezien". En hoe reageert de psalmdichter? Met lik op stuk? Met een sneer? Nee. Hij kijkt naar boven en zegt (vs. 22): "Gij hebt het gezien, HERE, zwijg niet; o Here, wees niet verre van mij". Hij legt het eenvoudig in Gods hand.

13 december: Numeri 26:1-37
Een geslachtsregister. Wat moet je daar nu mee. Nou, er zit meer in dan je op het eerste gezicht zou denken. Het hoofdstuk begint met: "Na de plaag zeide de HERE tot Mozes en tot Eleazar (Ö): Neemt het aantal der gehele vergadering der IsraŽlieten op, van twintig jaar oud en daarboven. Hoeveel heeft Simeon er bijvoorbeeld? 22.200 (vers 14). En dan schrik je als je Numeri 1:23 er naast legt: 59.300. Wat een verschil. Zonde maakt meer kapot dan je lief is.

14 december: Numeri 26:38-65
De Levieten kregen geen erfdeel (vers 62). Zij waren door God apart gezet om de eredienst te onderhouden. Geen lapje grond enz. Toegewijd aan de God van IsraŽl. Heilige grond. Waren de andere 12 stammen dan niet toegewijd aan God? Jazeker wel, maar anders. Financieel maakten zij het mogelijk. Om God te eren. Om de lofzang gaande te houden. Het maakt niet uit wat je voor de kost doet. Als je maar aan God bent toegewijd.

15 december: Numeri 27
In Numeri 26:33 worden er ogenschijnlijk terloops wat namen genoemd, maar die namen komen onder andere in dit hoofdstuk weer terug. De genoemde vrouwen stellen onrecht in het erfrecht aan de kaak. Hun vader was (om zijn zonde tegen God) gestorven in de woestijn. Als zovelen. Maar een zoon had hij niet achtergelaten. Daardoor was er geen erfdeel voor deze vijf dochters. En de naam van hun vader zou verdwenen zijn. God geeft ze gelijk. Hij gaat verder met zijn volk, ondanks alle zonde. De naam van Selofchad blijft behouden en de dochters krijgen toch hun stukje familiegrond. God is rechtvaardig. En we mogen altijd opnieuw beginnen!

P.J. den Hertog, CGK Groningen

16 december: Numeri 28:1-25
Het dagelijkse leven van de IsraŽliet verliep op het ritme van de beide dagelijkse offers: aan het begin en aan het einde van elke werkdag. Met God beginnen, bij God afsluiten. Een brandoffer tot een liefelijke reuk voor God! De gebeden om en op grond van de verzoening, bij het altaar, elke dag. En op de dag die de verbinding aan God nog extra markeert, de sabbat: dubbel zoveel. Dat is extra werk voor de priesters, maar het onderstreept de extra feestelijkheid voor allen. Hier wordt het patroon geweven van een leven met God, elke dag, waarbij de sabbat als polsslag fungeert. En alle seizoenen weer komen de grote feesten. Het begint met Pasen: dat is elke keer weer het begin van alles. De herinnering aan Gods sparende en reddende hand bij de uittocht uit Egypte als de opmaat naar het leven in het beloofde land. En er is geen feest zonder offers: zonder de toewijding, de verzoening, de aanbidding en de dankbaarheid jegens God. Zo moet het leven zijn onder de koepel van Gods bescherming. Wat mooi!

17 december: Numeri 28:26-29:11
Nu komt Pinksteren: precies zeven weken later ("Feest der weken"); op de vijftigste dag. Ons woord Pinksteren betekent: (feest van de) vijftigste dag. Pinksterfeest benadrukt de afhankelijkheid van de God die de nieuwe oogst gaf. Het is het feest van de 'eerstelingen'. De oogst die op Pasen begint wordt op Pinksteren binnengehaald. God geeft leven! En het is niet zonder zin, dat juist op deze dag later de Heilige Geest wordt uitgestort (Hand 2). De Geest die op Pinksteren wordt uitgestort op de basis van Pasen.
En dan, midden in het joodse kalenderjaar, staat daar de Grote Verzoendag: de dag van de volslagen inkeer die oproept tot de houding van diep gevoeld berouw, van ieder en allen. Dag van boete, elk jaar weer; dag van gebed; van onthouding en van vasten rondom het ritueel van de Grote Verzoening, waardoor alle oppervlakkigheid wordt voorkomen. Misschien denken we wel eens, dat al die rituelen vormendienst in de hand werkten. Maar rituelen zijn vormgevend. Ze hebben elke keer weer aan het denken moeten zetten. Zetten ze ons ook aan het denken?

18 december: Numeri 29:12-30:1ļ
En dan barst het oogstfeest los, als alles is ingehaald, geplukt en verwerkt. Feest van de Loofhutten. Zeven dagen feest. Plus een achtste speciale dag. Vele offers. Overvloed. Hebt u ze geteld? 71 stieren, 15 rammen, 105 ramlammeren, 8 bokken en de daarbij behorende plengoffers en spijsoffers, en daarboven overheen dan nog de dagelijkse vaste offers! God geeft veel. Hij is niet karig. En het gaat er in de tabernakel en later in de tempel niet afgeknepen toe. Een stuk uitbundigheid, waarin je de lijnen ziet lopen naar het grote feest voor alle volken (Zach.14:16-18) en naar de schare die niemand tellen kan rondom de troon van het Lam met palmtakken in de handen en het loflied op de lippen: de attributen van het uitbundige Loofhuttenfeest (Openbaring 7).

19 december: Numeri 30:2-17ļ
Geloften zijn bindend. Je kunt geen grote woorden spreken zonder gevolgen. Dat geldt voor ieder. Man en vrouw. Mooie dingen zeggen alleen om door de mensen geŽerd te worden is een belediging voor God. Hij zelf komt de "geloften" die Hij heeft afgelegd na. Ze vormen de basis van IsraŽls bestaan. Nu vraagt Hij ook trouw aan geloften van Jan en Alleman. Maar geloften kunnen de bestaande verhoudingen niet als dynamiet laten springen. En woorden in onbezonnenheid gesproken, waardoor anderen gedupeerd kunnen worden, zullen worden ontkracht. Toch: ook in die gevallen zal de zaak niet aan willekeur worden overgelaten. De echtgenoot, de vader, de persoon die de bestaande orde vertegenwoordigt, mag tťgen-spreken, maar niet pas als het hem uitkomt. Op tijd en duidelijk. God houdt niet van gesjoemel.

20 december: Psalm 36
Midden in de wereld staat de mens die tot God bidt. Hij is omringd door goddeloosheid, die zich sterk maakt. Scherp zijn de typeringen: de zonde die sprekend wordt ingevoerd, en die tot zonde verleidt. Het lijkt wel de niet te stoppen macht van het kwaad. En dan roept hij tot Jahweh, die daar boven uitstijgt en die bescherming biedt. Uw gerechtigheid is als de bergen Gods! Wat een uitspraak! Prachtig zijn de beelden: schuilen in de schaduw van Gods vleugels, ůp-leven in zijn huis. Zelfs een stuk uitbundige vreugde over de gemeenschap met God: een strůům van liefelijkheden, de fontein van het leven; "in uw licht zien wij licht"! En dan wordt het gebed geboren: de roep om hulp, in bescheidenheid en tegelijk met alle aandrang. Een voorbeeld voor ons allen.

21 december: Numeri 31:1-24
De veldtocht tegen Midjan heeft niet in de eerste plaats een militair accent: het is de straf die God voltrekt over een volk, dat uit was op de ondergang van Gods volk. Bileam speelde daarbij zijn sluwe rol (Num.24:14; zie verder Num.25). Hij staat voor altijd model voor de Grote Verleider (vgl 2 Petr.2:15; Openb.2:14). We lezen met schrik hoe God zijn oordeel voltrekt: niemand en niets ontziend! En als bij de terugkeer van het leger blijkt, dat zij nota bene de hoofdschuldigen nog in leven hebben gelaten, wekt dat de woede van Mozes. Het oordeel wordt alsnog volledig voltrokken! Het is letterlijk: huivering wekkend. God laat niet met zich spotten. Hij is niet on-machtig. Juist daarom kun je op Hem vertrouwen. Denk nog eens terug bij deze geschiedenis aan de psalm die we gisteren lazen.

22 december: Numeri 31:25-54
Er worden regels gegeven voor de verdeling van oorlogsbuit. De ene helft is voor het uitgetrokken leger. De andere helft is voor de thuisgeblevenen. En verder wordt geregeld wat daarvan aan God moet worden afgestaan. Een vijfhonderdste deel van de helft voor het leger wordt bestemd voor de priesters; en een vijftigste deel van de helft voor het volk wordt bestemd voor de Levieten. Wie de moeite neemt de getallen uit te splitsen, krijgt het volgende resultaat: kleinvee: 675 stuks voor de priesters en 6750 stuks voor de Levieten; runderen resp. 72 en 720; ezels resp. 61 en 610; mensen resp. 32 en 320. Daarbij komt dan nog de schenking van 16.750 sikkels goud. Men berekent dat op 1672 kg goud. Dat is een enorm bedrag! Een schenking die wordt aangemerkt als een verzoeningsgift (vs.50). Het wordt neergelegd bij God als een herinnering: God moge zijn volk blijven gedenken, en IsraŽl moge zijn God blijven gedenken. Oorlogsbuit is niet maar alleen economische winst!

23 december: Numeri 32:1-19
De verdeling van het pas veroverde land aan de "overzijde van de Jordaan" (die betiteling dateert uiteraard pas uit later tijd, toen het volk goed en wel gesetteld was), is het begin van de inlossing van Gods belofte. Het land is zeer geschikt voor de stammen die vooral leven van de veeteelt. Mozes hekelt aanvankelijk de mentaliteit van: "als wij maar binnen zijn". Als blijkt, dat het helemaal niet de bedoeling is de band met de rest van het volk of met de God-van-heel-IsraŽl te verbreken, wordt het anders. De eenheid zal blijven bewaard. Dat beloven ze. En zo wordt dit hoofdstuk het begin van de nieuwe fase in de geschiedenis van IsraŽl. Een eigen land, een zelfstandig bestaan, leven voor Gods aangezicht, de rust van Gods vrede rondom.

24 december: Numeri 32:20-42
De afspraken worden vastgelegd. Het land wordt toegewezen. De eenheid blijft gehandhaafd. Opvallend is de herhaling van de uitdrukking: voor Gods aangezicht. Zo stelt men zich van weerskanten op: onder de open hemel, binnen de zichtbaarheid voor God, rekenend op zijn bescherming. "Coram Deo": dat zijn een paar mooie woorden, ze geven uitzicht naar boven en naar voren. En tegelijk leg je je daarmee vast op een duidelijke koers.

25 december: Numeri 33:1-49
O wat eentonige opsomming van al die 'pleisterplaatsen' ... Ik kan me voorstellen dat u na een paar namen struikelt en de rest overslaat. Al die namen en dat ook nog op de eerste Kerstdag! En toch: voor de tijdgenoten zijn het allemaal herinneringen geweest. Is niet de rechte lijn de kortste verbinding tussen twee punten? Welnu: hier wordt de kortste lijn getrokken tussen die twee uitspringende punten: Rameses waar ze vertrokken (vs.3-4), en de velden van Moab waar ze tenslotte aankwamen (vs49). Lees dan in elk geval die beide teksten om iets van het wonder te ondergaan dat hier in de lange lijst van namen is gestold. Dat begin: de opgeheven hand van de HERE, het vertrek voor de ogen van de Egyptenaren die nog bezig waren hun doden te begraven. En zij op weg naar het leven. En tenslotte de aankomst in de velden van Moab. Alles wat zich daartussen afspeelde is de vastlegging van het wonder van de woestijn: God die ze leidde, die ze voedde, die er was in de wolk, ondanks al de dingen die er gebeurden van pleisterplaats tot pleisterplaats. Elke naam betekende: weer een stap verder. En ťťn keer staat er ineens een zinnetje dat ůplicht tussen al die pleisterplaatsen: het sterven van Ašron (vs.38). En de notitie, dat men in het Zuiderland vernam dat de IsraŽlieten in aantocht waren! (vs.40). En dan nog wat: op al die plaatsen zijn de graven gedolven, totdat het hele geslacht dat uit Rameses vertrokken was tenslotte gestorven was. En daar staat het dan: toen legerden zij zich langs de Jordaan, in de velden van Moab. Dorre namen kunnen ook gaan lťven: de grens was bereikt; de deur naar de toekomst werd eindelijk geopend! God bracht ze werkelijk zů ver!

26 december: Numeri 33:50-34:12
En toen ging de deur open. Het nieuwe leven. Het Beloofde Land! "Wanneer gij de Jordaan overtrekt...". Zo'n zinnetje moet je proeven! Ze zullen de Jordaan overtrekken, ja eindelijk! Er zal land, in bezit worden gegeven, een hťťl land nog wel! Er vallen grote woorden: erfdeel, verdelen, toewijzen, eigendom,.... Dat is lťven, toekomst, perspectief "vanuit het dode dal". Ieder krijgt zijn deel, niemand ontvangt te weinig, niemand heeft straks te veel. De contouren van het nieuwe land tekenen zich af: het beloofde land wordt in kaart gebracht (en je hebt er dus ook eigenlijk een kaart bij nodig). De opsomming is zo droog als een kadaster, maar de kadastrale registratie betekent wel dat je eigenaar wordt! En daar, op dat stuk grond zal het duidelijk worden, hoe goed het leven met deze God is. Het geschenk van het land is gebonden aan het leven met Hem. Beloften zijn nooit onvoorwaardelijk.

27 december: Numeri 34:13-35:8
Het staat er zo zakelijk: dit zijn de mannen die jullie het land zullen toewijzen: Eleazar de priester en Jozua de zoon van Nun. Hij die het zegt, Mozes, zal daar zelf niet meer bij zijn. Hoe zal het hem daarbij te moede zijn geweest? Zal de vreugde die hem vervuld moet hebben bij de aankondiging van deze geweldige toekomst niet gemengd zijn geweest met het verdriet om het voortijdige afscheid? Daar stond hij: nu zou het nieuwe leven beginnen. "Dit zijn de mannen die jullie het land zullen toewijzen". Wat een geweldige aankondiging uit zijn mond! En hij wees de hele rij aan: voor elke stam ťťn naam, het gezegende tiental dat de erfenis in ontvangst gaat nemen!
En vervolgens de (48) steden voor de Levieten, verspreid door het hele land. Zo zullen er steeds overal mensen zijn, die het volk kunnen leiden en opbouwen in het geloof.

28 december: Numeri 35:9-34
Wat een indrukwekkende bepalingen om het leven te beveiligen. Aan de ene kant: zeer strenge bepalingen voor de doodslager en moordenaar. Wie het leven niet acht, ontwijdt het land en verspeelt zijn plaats temidden van de levenden. Wie zich bezondigt aan het leven zal moeten worden gestraft. Zelfs in de vrijstad. Maar dan wel altijd door een onbevooroordeelde rechtspraak! En niet dan na zorgvuldig onderzoek. Aan de andere kant: even strenge bepalingen tegen onbeheerste wraakzucht, die de discretie veracht, de rechtspraak blokkeert en de samenleving verziekt. Sterker: de dood injaagt, van de ene wraak naar de andere. En intussen kan niemand na iets dat hij per ongeluk deed zonder gevolgen weg komen: het verblijf in de vrijstad kan niet worden opgeheven, pas na de dood van de hogepriester. Dat betekende wel en totale inbreuk in de gang van iemands leven! Ja, wat een zorg voor veiligheid!

29 december: Numeri 36
De grenzen zullen gehandhaafd blijven : voor allen genoeg, voor niemand te weinig en zeker geen opeenhoping van steeds meer in de handen van enkelen. De regelingen rondom de dochters van Selofchad (Zelafead) moeten voorkomen, dat er straks geen basis meer is voor het eigen bestaan. Ze worden het model voor alle soortgelijke gevallen. Sociale gerechtigheid. Wijsheid van God. Spreiding van welvaart. Patroon voor de goed geordende samenleving tot welzijn voor allen.

30 december: Psalm 37:1-20
Laat het maar precies zo naar u toe komen, als het er staat, woord voor woord. Hoe oud de psalm ook is, hij verwoordt iets dat we allemaal wel kennen: onbegrip over en jaloezie op de voorspoed van wie onrecht plegen. Wat kan dat diep zitten! En zet daar dan eens de woorden van deze psalm tegen aan. Wentel uw weg op de HERE: alles wegrollen, van je af rollen, wegschuiven, het aan God overlaten. En dan er ook op vertrouwen dat Hij de zaak in orde zal maken. Op zijn tijd. Op zijn manier. Hij beter dan wij! Wellicht ook wel anders, en niet zichtbaar voor ons. Moet dat dan ook altijd? Wat zouden er een stuk minder overspanningen zijn en maagzweren en verbitteringen en ruzies. Kwamen we er maar allemaal aan toe. En laat dan de overvoed aan heel die krachtige beeldspraak ook eens op u inwerken!

31 december: Psalm 37:21-40
De hele psalm ademt de tweespalt tussen wat je ziet van de mensen die niet talen naar God en wat je geloven mag van de mensen die hun bescherming zoeken bij God. De tegenstellingen worden scherp aangezet. Psalmen zijn geen zoetgevooisde verskens. Ze leggen de bodem bloot. En ze spreken de uiterste waarheid uit. Er is recht bij God. Dus kun je aan zijn kant gaan staan. Dat is een zaak van je hart, van je diepste persoonlijke drijfveren. En tegelijk een zaak die publiek kan en moet zijn. Goddeloosheid heeft de toekomst niet. Soms zie je dat hier al: vs.35-36. Heel vaak niet. Maar zeg het dan toch maar: eens wordt de zaak schoongeveegd. God is de 'schutse in tijden van benauwdheid'. Dat was toen al evenzeer een belijdenis als ze dat vandaag moet zijn. En er is zolang de zonde bestaat altijd moed voor nodig om dat te zeggen: moed die je alleen maar zult hebben als je God zo kent als er in deze psalm over Hem gesproken wordt.

J.T.Oldenhuis, Helpman