Het Groninger Bijbelleesrooster voor vier jaar, jaar-3, juni
Zie voor nadere informatie de inleiding op dit rooster, te bereiken via deze link

1 juni: Psalm 88
Dit is de enige psalm, waarin de uitredding door God niet als feit vermeld wordt. Het enige houvast van redding en dat die hoe dan ook zal geschieden zit in de naam, waarmee de dichter God aanspreekt: HERE, Jahwe (vs.1,10,14,15), ´U bent er altijd in uw trouw´. Is dat nog het enige ´tikken´ van Gods stok en staf (Psalm 23) dat de wanhopige dichter voor zich uit hoort: de ritmiek van Gods naam die zijn leven nog vervult en waardoor hij blíjft bidden ook als hij geen hand voor ogen meer ziet? Uiteindelijk heeft Jezus Christus het, van God verlaten aan het kruis, ook daar van moeten hebben, toen Hij de buitenste duisternis binnenging. Deze psalm beschrijft het anti-beeld van de opstanding, het is overal in de psalm de dood en de groeve, de diepste kuil en de donkerste plaats voor en achter. Zo zijn wij mensen er ook aan toe op de keeper beschouwd: ingesloten door de dood, in zonde ontvangen en geboren waarom Gods toorn op ons rust, waardoor dit leven toch niet anders is dan een voortdurend sterven (´ik ben ellendig en wegstervend van mijn jeugd aan´, vs.16). Het doopsformulier is zwaar op de hand, maar de werkelijkheid is niet anders. Als tegenstem is daar door het geloof in Christus de eerste brief van Petrus, waar vanaf hoofdstuk 1 vers 3 alles, maar dan ook alles in ons leven geënt wordt op de ópstanding van Jezus Christus. Lees 1 Petr.1:3-12 erbij, want psalm 88 is zonder Jezus Christus de halve waarheid, of beter: de nog maar half vervúlde waarheid: de naam Jahwe kondigt al aan hoe God straks de heerlijkheid van die naam zal openbaren in zijn Zoon in ons vlees, Joh.1:14, vol van genade en waarheid! Psalm 88: dubbele punt naar het Nieuwe Testament.

2 juni: 2 Koningen 24:8-25:12
De laatste twee afleveringen in de verslaglegging van Koningen krijgen nu hun beslag. Er valt weinig toe te lichten. Jojakin leent het oor opnieuw aan Egypte, Nebukadnessar komt zelf de zaak rechtzetten en ondanks een vorstelijk onthaal (24:12) wordt Jojakin naar Babel afgevoerd evenals alle inwoners van Jeruzalem waar Nebukadnessar wel wat in zag; de arme ´onnutte´ rest mag achterblijven. Met een van al zijn verguldsel ontdane eredienst op de plek waar Jahwe eens in al zijn heerlijkheid resideerde. Oom Mattanja wordt op de schijntroon neergezet. Pop aan een touwtje. Zodra de pop een eigen beweging (om hulp richting Egypte, Ezech.17:5) maakt, keert Nebukadnessar terug: de ´tweede´ en definitieve ballingschap naar Babel. Na een slopend beleg van 18 maanden en ondanks dat de Farao van Egypte nog een vergeefse poging onderneemt (Jer.7:5vv), ondanks een verschrikkelijke uithongering en het uitbreken van besmettelijke ziekten, ja zelfs ondanks kannibalisme (Jer.38:2-9, Klaagliederen 2:20vv), wil Sedekia niet opgeven. Zijn ontvangen straf is gruwelijk. De tempel wordt verwoest; het huis waar ooit de HEER woonde, met de grond gelijk gemaakt.

3 juni: 2 Koningen 25:13-30
De onttakeling van de tempel. Ikabod, de eer van de HEER is weg. Gruwelijk. Ook alle hoge dienaren van de HERE worden afgevoerd. Dieptepunt van ontluistering. Gedalja, een Judeeër, wordt tot stadhouder aangesteld over het volk dat niet weggevoerd wordt: dat lijkt in ieder geval nog gunstig. Maar hij wordt vermoord door een nazaat uit Davids huis, die daartoe opgestookt is door de koning van de Ammonnieten die zijn gebied wil vergroten (Jer.40:13vv). De rest vlucht naar Egypte onder wie ook de profeet Jeremia. Sedekia wordt begenadigd, zijn kostje lijkt gekocht tot aan zijn dood, maar of de genade van de HERE er nog in zit? Zo eindigt 2 Koningen als een drooggevallen bedding, met een gekooide van God afgevallen koning, een gedeporteerd en deels gevlucht volk en een verwoeste tempelstad. Toch laat God een rest, verstrooid of niet, en blijven zijn beloftes onberouwelijk (Rom.11:29). Dit is het einde niet.

4 juni: Ezechiël 1
(Opmerking vooraf: Ezechiël is als priesterzoon bij de eerste deportatie van Nebukadnessar in 597 v. Chr. weggevoerd (onder koning Jojakin) uit Jeruzalem naar Babel, waar hij werd ´geïnterneerd´ aan de rivier de Kebar (Kaboeroe), vlak in de buurt van Abrahams oorspronkelijke woonplek Ur der Chaldeeën; daar kreeg hij zijn profetische visioenen).
Ezechiël valt op zijn gezicht, als Hij met Gods heerlijkheid geconfronteerd wordt. Terecht, stel dat dit visioen zich aan ons zou voordoen? Gods Geestes-heerlijkheid... En dat God in zijn Geest nu in mij woont en dat ik zelf een tempel van de Heer ben? Besef ik dat nog wel genoeg? En vaak genoeg? Heer, leer mij eerbied, ontzag. Eerste oefening: hoe zitten we nu, als we gaan bidden of danken (aan tafel)? Ooit wel eens voor God letterlijk op je knieën gegaan, voor je bed, voor je slapen ging? God ziet het hart aan, klopt, maar de stem van het hart komt wel degelijk naar voren in de taal van je lichaam. God heeft ons toch lichamelijk gemaakt? Ezechiël viel op zijn gezicht. Letterlijk.

5 juni: Ezechiël 2:1-3:3
Na onze knieval richt God ons weer op. Ezechiël, sta op. Opstanding. Zo is God, zo is Christus. Ezechiël wordt spreekbuis van de boekrol van God, pianola van Gods partituur: overigens staan daar enkel klaagliederen op, gezucht en gejammer. Toch is er hoop, zolang God maar spreekt, zelfs al is het verwijtend, nóg communiceert de HEER met zijn volk, al is dat stug en verstokt. Zodra God je voorgoed met rust gaat laten in je leven, is het gericht pas echt gekomen. Is dat tenslotte ook niet de hel: daar spreekt God je nooit meer aan?, ben ik echt alleen?

6 juni: Ezechiël 3:4-15
Het wordt dus hard tegen hard (vs.8,9). Je zult maar Ezechiël heten, wie van ons kan dat aan om door zowat een heel volk beroddeld en tenslotte gehaat te worden. Jezus zal dat later nog veel dieper ondergaan. Alleen het Woord van God zal aan Ezechiël de diamant-harde kracht geven om deze taak aan te kunnen. Gods Woord spreken en blijven spreken temidden van een geseculariseerd volk: dat is geen comfortabele taak. Een profeet die de volksgunst heeft in tijden van geloofsslapte en wereldgelijkvormigheid: dat is een veeg teken. Als preken met een zekere regelmaat geen weerstand oproepen, mag de preker zich wel es achter de oren krabben.

7 juni: Ezechiël 3:16-27
Natuurlijk loopt Ezechiël ook liever weg. Maar nu God hem geroepen heeft, houdt God hem ook verantwoordelijk. Daarmee hebben de hoorders in hun ge- of ongehoorzaamheid hun eígen verantwoordelijkheid. Nog te vaak hoor je, dat ouders een preker of ambtsdrager verantwoordelijk houden voor bijvoorbeeld het gebrek aan geloof of geloofsontwikkeling van (hun) kinderen (of van henzelf). Dat geldt ook voor het soelaas dat catechisatie of vereniging oplevert: de catecheet of leider/leidster is dan de schuldige. Nee. Tegelijk: God zal wel rekenschap vragen van hen aan wie hij de zielen van de zijnen toevertrouwde (Hebr.13:17). Roeping betekent verantwoordelijkheid. Daarom was het (vroeger) ook niet gewoon, dat je het ambt als een ´baantje´ opvatte, dat je al dan niet op jouw tijd kon neerleggen (of voor bedanken). En de ´verzakelijking´ ten aanzien van het predikantsambt (-dat is ook een gewoon ´vak´ geworden, niet waar, al of niet ´parttime´) is daarbij een veeg teken. Sommige dingen kun je niet half of even doen, tenzij God zelf de maten waarbinnen je functioneren kunt en mag, inkort. De omvang van je roeping bepaalt Hij. Ezechiël moet ook standvastig als diamant zijn. Dat kan niet zonder gebed. Als God tot hem spreken zal, zal hij moeten spreken, graag of niet, vers 27! Tegelijk: hoort u, hoe Jezus het later zeggen zal, nu al uit de mond van Ezechiël: wie een oor heeft, die hore...! De eindverantwoordelijkheid ligt tenslotte bij de hoorder.

8 juni: Ezechiël 4
Dit wordt een heilig schouwspel. Hoe het zich precies afgespeeld heeft, zal wel niet helemaal in te denken meer zijn. Hoe heeft hij koeken gebakken terwijl hij gebonden lag, op z´n linker- en op z´n rechterzijde, zolang? Of lag hij alleen overdag (of ´s nachts) gebonden, als hij sliep? Maar duidelijk is wel, dat God de zonden van zijn volk in een gebonden, geketend lijden zal gaan bezoeken, dat Jeruzalem belegerd en ingenomen gaat worden en dat tijdens dat beleg de honger en de onreinheid zullen gaan toeslaan (drie ons brood per dag en één liter water). De honger en de pest zullen toeslaan onder de drukkende hand van Nebukadnessar! Ezechiëls lijden is een uitbeeldend lijden, eenmalig en uniek-profetisch in opdracht van God (haal er alsjeblieft geen alibi uit of zelfs aansporing om toneelstukjes in de kerk(dienst) te gaan doen, voer zo´n discussie op andere argumenten), een verschrikkelijke opdracht (zoals er nog andere verschrikkelijke uitbeeldingsopdrachten voor Ezechiël zullen komen).

9 juni: Ezechiël 5
Langs drie wegen zal het gericht toeslaan: via honger en pest, via het zwaard, via deportatie. Aangrijpend is Gods klagen: Israël was door God ´midden onder de volken gesteld, met landerijen eromheen´: een parel temidden van de ´volken´, de heidenen. De oogappel van God, een proefboerderij van Het Verbond, van de Keuze van Jahwe, visitekaartje onder de goiïm. Ze hebben het verbond uitgewoond, ze hebben God tot een baäl gemaakt, tot een instrument van hun welvaart, tot een afgod die voor hèn uitging, tot een mascotte en anders een ander voor Hem. God die zijn Verbond met hen opnam als een heilig Huwelijk, zij Zijn Geliefde. Ze hebben Hem bedrogen op elke hoek van hun leven, ze bleken niet echt van Hem te houden...., de tempel en hun tempeldienst bleek egoïstisch en aardsgezind. Zo kun je geen Licht voor de volkeren rondom zijn. Hoe is het mogelijk, dat God uit deze godsverduistering door mensen uiteindelijk toch nog Het Licht van Zijn Zoon gestuurd en aangestoken heeft.

M.A.Dronkers, Helpman

10 juni: Psalm 89:1-30
Psalm 89 gaat over Gods handelen in de geschiedenis, en dan toegespitst op David en zijn nageslacht. De dichter staat stil bij de grootheid van God. Hij is de hemelse Koning, die alle macht heeft. Lofzingen, eren en aanbidden is de reactie die past als de werkelijkheid van deze God tot je doordringt. Die grote Koning is één en al goedheid. Hij is het die naar ons omziet. Die verkiest en die redt. Hij is de God die een verbondsrelatie aangaat met mensen. Hij komt naar ons toe met zijn beloften. Hij is trouw en doet wat Hij heeft gezegd. Zo bevestigt Hij zijn woord aan David (zie 2 Samuël 7). Via David schenkt Hij zijn volk bevrijding. Daarbij trekken wij de lijn door naar die grote Zoon van David, onze Here: Jezus Christus!

11 juni: Psalm 89:31-53
Het tweede deel van Psalm 89 lijkt haast het omgekeerde van het eerste deel. Nu klinken woorden over het teniet doen van het verbond (vers 39), grimmigheid (vers 47) en smaad (vers 51v). Dit alles heeft te maken met het feit dat God woord houdt, ook als het gaat om oordeel en straf. We horen hier een profetie t.a.v. het huis van David, dat ontrouw zal zijn tegenover de HERE. Hoe begrijpelijk dit ook is vanwege de ongehoorzaamheid, er zit ook iets raadselachtigs in vanwege het Zich terugtrekken van God. Ten diepste klinkt in dit alles reeds het wonderlijke handelen van God in Jezus Christus. De trouw van God komt tot een hoogtepunt in die verlating van de grote Zoon van David. Doordat deze Onschuldige onze schuld op Zich nam is Gods trouw voor eeuwig vastgelegd.

12 juni: Ezechiël 6
De hoofdstukken 1 t/m 24 vormen een indringende waarschuwing. Het noordelijke rijk Israël is reeds lang weggevaagd. Als Juda zich niet bekeert zal hen iets dergelijks treffen. In het jaar 597 voor Christus is Juda onder het gezag van de Babyloniërs gekomen. Sedekia is aangesteld als een aan Babel onderworpen koning. Een klein deel van de bevolking, waaronder Ezechiël, is in ballingschap gevoerd. Ezechiël laat in en vanuit Babel dezelfde waarschuwende geluiden horen als Jeremia in Juda. Er is alleen heil als men zich tot God bekeert!
Ezechiël 6 geeft de boodschap weer dat de HERE het niet neemt dat zijn volk op alle hoge plaatsen de afgoden vereert of daar zelfs kunstmatige hoogten voor opricht. Er is alle reden voor het oordeel van de HERE. En toch blijft Hij trouw en genadig. Een rest zal ontkomen….

13 juni: Ezechiël 7
Aangrijpend wordt hier het komende oordeel getekend. De HERE zal op volstrekt rechtvaardige wijze het volk zijn zonden vergelden. De vijanden van Juda worden voor dat doel gebruikt. Zij roven bezittingen en kostbaarheden. Uit Juda zullen velen dan met andere ogen gaan kijken naar afgoden van zilver en goud. Schrik, schaamte en schuld zullen het volk tekenen.
Maar de vijand zal zich niet alleen tegoed doen aan kostbaarheden uit de dienst van afgoden. Vers 22 tekent hoe de HERE Zich afwendt en hoe zelfs zijn kostbaar eigendom (de tempel!) ontheiligd en geplunderd zal worden.
De vraag komt op: Hoe zou de Here oordelen over ons leven….?

14 juni: Ezechiël 8
Ezechiël werd in een visioen meegevoerd naar Jeruzalem. Meteen valt dat beeld op: een beschermgod zoals vele volken die plaatsten voor poorten van steden, paleizen en tempels. Vervolgens wordt Ezechiël een voorhof binnengeleid, mogelijk van een paleisgebouw. Hier vindt in het geheim een Egyptische vorm van afgodendienst plaats. Vervolgens ziet Ezechiël hoe de Babylonische godheid Tammuz openlijk vereerd wordt bij de ingang van de tempel. In de binnenste voorhof buigen de aanwezigen zich voor de zonnegod neer…. Vers 17 tekent de algemene toestand van het volk in termen ontleend aan de situatie vlak voor de zondvloed: Eén en al slechtheid. Het gebaar met de wijnrank spreekt van verachting. De toorn van de HERE is bij dit alles meer dan begrijpelijk…..!

15 juni: Ezechiël 9
In dit visioen zien we hoe het oordeel voltrokken wordt. Opvallend is de functie van die "man" die eruit ziet als een priester met het gereedschap van een schrijver. Er wordt een merkteken aangebracht bij allen die verdriet hadden over de gruwelen die er in Juda plaats vonden. Zij zullen gespaard worden. Het oordeel is volstrekt rechtvaardig. Het blijkt ook onherroepelijk te zijn….
Ezechiël kan de uitvoering van het vonnis niet aanzien en pleit hartstochtelijk bij de HERE voor zijn volksgenoten. Hoe zit dat bij ons? We weten van de komst van Jezus om te oordelen levenden en doden. Brengt dat ons in beweging ten gunste van anderen?

16 juni: Ezechiël 10
In hoofdstuk 1 is de verschijning van de HERE een troost voor de ballingen in Babel. In hoofdstuk 10 staat het in het kader van het oordeel. De HERE trekt Zich terug. Hij komt uit het Heilige der heiligen. Het visioen beschrijft zijn machtige verschijning. De troon van God wordt "gedragen" door cherubs. Deze engelengestalten hebben verschillende "aangezichten" waarmee bepaalde eigenschappen worden uitgedrukt. Hun "onderstel" bestaat uit grote wielen, waarmee ze zich soepel alle kanten op kunnen bewegen. Het vertrek komt als de afgodendienaars gedood en de stad verwoest is. De heerlijkheid van de HERE wijkt uit naar de plaats waar de ballingen zich bevinden (zie ook 11:24-25).

17 juni: Ezechiël 11
We horen eerst Gods oordeel over die 25 mannen (zie ook 8:16) uit de leidende kringen van het volk. Zij beschouwen zichzelf als "vlees" d.w.z. het duurste voedsel. Zij zijn het meest kostbaar in de "pot" d.w.z. Jeruzalem. De HERE maakt duidelijk dat Hij juist de slachtoffers van hun wanbeleid het meest kostbaar acht…..
In vers 14 begint een nieuw gedeelte. De bewoners van Jeruzalem richten zich op harde wijze tot degenen die weggevoerd zijn: "Blijven jullie maar voorgoed in den vreemde. Het land is nu van ons…" De HERE maakt duidelijk dat Hij ook bij de ballingen is, al moeten ze in de vreemde op geestelijk terrein veel missen. Hij waakt over hen en zal zorg dragen voor hun terugkeer. Ja, ook geestelijk zal Hij zorgen voor een terugkeer (vers 19-20).

18 juni: Ezechiël 12:1-20
We moeten aannemen dat deze zinnebeeldige handeling plaats heeft gehad in Babylonië, maar het verhaal zal vast overgebracht zijn naar Jeruzalem. De profeet moet zich als een balling gedragen. Als bij een breed publiek belangstelling is gewekt door dit bijzondere gedrag klinkt de boodschap van de HERE. Koning Sedekia zal in ballingschap gevoerd worden. De rest van het volk dat dan nog in Jeruzalem achterblijft heeft weinig reden tot vreugde. Zij zijn de schaarse getuigen van een vreselijk oordeel.
In de verzen 17-20 horen we hoe Ezechiël de ernst van wat er komen gaat moet uitbeelden en verkondigen. Men zál weten dat de HERE de levende God is die doet wat Hij heeft gezegd….

19 juni: Ezechiël 12:21-13:16
In het land van Israël hechten ze weinig waarde aan de woorden van Ezechiël en andere profeten. Eén van de redenen daarvoor is het optreden van lieden die zich voor profeet uitgeven zonder het te zijn. Er wordt zo veel gezegd. De mensen zijn er moe en zat van. Wie moet je geloven en wat is waarheid?
Wij leven in een situatie waarin iets dergelijks speelt. De mensen om ons heen halen de schouders op bij de "grote verhalen" van godsdiensten en ideologieën. Dat er een oordeel komt gelooft men niet, en al zeker niet dat zoiets wel eens slecht kon aflopen. Als kerk hebben we de opdracht om waar en waarachtig te zijn. Wat is dat soms anders…..

20 juni: Ezechiël 13:17-14:11
Profetie en waarzeggerij hebben zich kunnen vermengen, omdat de mensen niet geïnteresseerd waren in Gods wil maar slechts in vermeend eigen belang. Men wilde gunstige dingen horen en profijt hebben van de "godsdienst". Veelzeggend is die uitspraak dat men afgoden in het hart droeg. Dan moet je niet verwachten dat de stem van de levende God nog klinkt. Dan klinken er alleen nog stemmen van leugengeesten.
In hoeverre zou het kunnen zijn dat wij misschien ook aan één of andere afgod ruimte geven in ons hart? En wat doe je als je zo'n afgod ontmaskerd hebt? Wijs je hem echt de deur?

21 juni: Ezechiël 14:12-23
Er worden vier gevallen geschetst in de trant van "gesteld dat". Telkens klinkt eenzelfde logische conclusie. De rechtvaardigheid van rechtvaardigen als Noach, Daniël en Job is slechts voldoende om henzelf te redden. De onrechtvaardigheid van anderen wordt daardoor niet verzoend.
In de vijfde situatie keren de vier onheilssituaties tegelijkertijd terug in één gebied: de stad Jeruzalem. We horen niet over rechtvaardigen. We horen wél over lijfsbehoud. De ballingen die naar Babel gevoerd worden zijn voor hun reeds eerder weggevoerde volksgenoten een teken dat het oordeel terecht is, maar bovenal een teken van Gods genade!

22 juni: Psalm 90
Psalm 90 is bekend als oudjaars-psalm. De vergankelijkheid van ons leven staat tegenover Hem die eeuwig is. Vanuit deze psalm leren we terugkijken om ons te bezinnen op het leven. Wat zijn de dingen van blijvende waarde? Wat hebben wij gedaan met onze tijd? Welke plaats kreeg de Here God?
Soms worden we door omstandigheden stil gezet. Die scheiding, dat ongeluk, die ziekte…. Je gaat denken. Je kijkt terug. Vaak schrik je daarvan. Je bent zo weinig toegekomen aan de dingen die echt van waarde zijn. Het leven heeft je meegesleurd….
Het kan geen kwaad om jezelf eens stil te zetten. Misschien bent u al bezig met voorbereidingen voor de vakantie. Neem deze gedachte dan ook maar mee…….

L.C. Buijs, CGK-Groningen

23 juni: Ezechiël 15
Israël wordt vergeleken met een wijnstok. Dit beeld komt vaker voor in het OT. Zie Psalm 80:9-12, Jeremia 2:21 en Hosea 10:1. God zorgt voor zijn wijnstok. Maar hier is het hout van de wijnstok nog minder dan gewoon brandhout. De wijnstok is een edele plant, maar als hij geen vruchten draagt, is hij totaal waardeloos. Erger nog: een onvruchtbare wijnstok is nutteloos. Daarom: uitrukken en verbranden! Is je leven een vruchtbaar leven? Lees ook Johannes 15:1-6. Het is God, de Landman, niet te doen om het hout, maar om de vruchten!

24 juni: Ezechiël 16:1-22
Israël wordt vergeleken met een pasgeboren meisje, dat te vondeling gelegd werd. De Here nam het aan als zijn eigen kind. Hij gaf haar te eten en liet haar opgroeien, zodat ze een mooie, jonge vrouw werd. Toen trouwde Hij met haar. Op alle mogelijke manieren toonde Hij haar zijn liefde. Alles wat ze was en had dankte ze aan Hem.
Maar… alle mooie geschenken die ze van haar man, de Here, had gekregen, gebruikte ze om Hem te bedriegen. Ze lokte daarmee andere mannen naar zich toe.
Daarover klaagt de Here. De geschiedenis van de kerk is vol van voorbeelden van dit overspel. Wil de Here met die kerk nog iets te maken hebben? Ja, dat is zijn liefde. Die is onbeschrijfelijk groot.
Hoe staat het van onze kant? Hoe gedragen wij ons met alles wat ons door de Here gegeven is?

25 juni: Ezechiël 16:23-43
De Here klaagt Israël aan. Zijn mooie, jonge vrouw ging hoereren met vreemden: Egyptenaren, Assyriërs, Babyloniërs. In het NT vind je hetzelfde beeld. Christus noemt het Israël tijdens zijn omwandeling op aarde een overspelig geslacht. Paulus vergelijkt het huwelijk met de verhouding van Christus en de gemeente. In de Openbaring wordt de grote hoer getekend, en daartegenover de kerk als de reine bruid. Juist in Openbaring lezen we over het oordeel van de afvallige vrouw. Het huwelijksleven is beeld van het mooiste dat er bestaat: de verhouding tussen de Here en zijn volk.

26 juni: Ezechiël 16:44-63
Ezechiël mag prediken dat de Here ondanks Israëls afdwalingen de verhouding weer herstellen zal: 'Maar Ik zal Mijn verbond met u uit de dagen van uw jeugd gedenken'. Hoewel Israël het verbond heeft vergeten, de Here zal het toch blijven gedenken. Hij vergeet zijn beloften niet, maar houdt vast aan zijn eens gegeven woord en verbond. Dit is een profetie van het nieuwe verbond, dat eeuwig vastligt in onze Here Jezus Christus. Er zal verzoening komen!
"Een stroom van ongerechtigheden
had d' overhand op mij,
maar U verzoent ons overtreden
en maakt van schuld ons vrij." (Ps. 65: 2 ber.)

27 juni: Ezechiël 17:1-15
Het prachtige toekomstperspectief weerhoudt Ezechiël er niet van om maar telkens weer de trouwbreuk van Juda aan het licht te stellen. Niet alleen tegenover de HERE heeft Juda zijn woord gebroken. De profeet krijgt de opdracht een gelijkenis te vertellen. Daarin wordt symbolisch de trouwbreuk van koning Sedekia voorgesteld. De koning van Juda en de zijnen hebben hun verbond met Babel gebroken door politieke alliantie met Egypte. Je kunt een verbond niet straffeloos schenden. God straft trouwbreuk.

28 juni: Ezechiël 17:16-24
Koning Sedekia zal de straf op zijn eed- en trouwbreuk niet ontlopen. Hij zal buiten zijn eigen land, in ballingschap, sterven. Ezechiël mag profeteren van een nieuwe toekomst van Davids koningshuis. De Here zélf zal een jonge loot van de oude stam nemen. Hij zal de Messias, de grote zoon van David, verwekken. 'Vogels van diverse pluimage' zullen tot de Messias komen en bij Hem schuilen. Dit is de belofte dat ook de heidenen tot het geloof in de Christus gebracht zullen worden.

29 juni: Ezechiël 18:1-18
'De vaders hebben onrijpe druiven gegeten
en de tanden der kinderen zijn slee geworden'.
Het is niet juist alle schuld op rekening van 'de vaderen' te schuiven, Natuurlijk, er is een solidariteit van geslachten. Maar ieder blijft zelf verantwoordelijk! De man, 'de ziel', die zondigt, die zal sterven. Een zoon zal niet mede de ongerechtigheid van zijn vader dragen.

30 juni: Ezechiël 18:19-32
Daarom is het verkeerd om te zeggen: 'De weg van de HERE is niet recht' (vs.25). Het is juist zo, dat de wegen van het 'huis Israëls' niet recht zijn. Niet alleen om de zonden van de vaderen, maar ook om de ongerechtigheid van de kinderen nadert het oordeel. Daarom roept de profeet opnieuw op: 'Bekeert u, en leeft!' Maar wil het huis Israëls zich bekeren?

J.M.A. Groeneveld, Bedum